•  
  •  
  • Home
  • /Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen (VAVV)

Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen (VAVV)

Een synopsis…

Index:

1. Inleiding en ontstaan

a. Algemeen

De idee van een arbeidsdienst, waarbij jongeren werden ingeschakeld in werken van openbaar nut, ontstond al in de jaren 1920 en ’30 in West-Europa, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. In Duitsland was er sinds de machtsovername van de nationaalsocialisten vanaf 1933 een verplichte dienstperiode voor jonge mannen en vrouwen in de Reichsarbeitsdienst (RAD). Deze dienst stond na 1940 in verscheidene bezette landen model voor een aantal organisaties die met steun van de bezettende overheid en de RAD tot stand kwamen.

b. Pogingen tot oprichting van een arbeidsdienst in België

In België werd voor de Tweede Wereldoorlog al in 1935 een eerste korte poging ondernomen. Er werd een wet werd goedgekeurd die staatssteun voorzag voor werkkampen voor jonge werklozen, geleid door katholieke en socialistische jeugdorganisaties.

Een tweede poging om een arbeidersdienst te installeren werd ondernomen na de Belgische capitulatie van mei 1940. Aanvankelijk probeerden enkele uit krijgsgevangenschap ontslagen officieren een Nationale Arbeidsdienst (NAD) op te richten. Met financiële steun van de Société Générale ontstonden in de zomer van 1940 enkele werkkampen in Vlaanderen en in Wallonië. Parallel met voorgaande initiatieven startten enkele leden van het Verdinaso (Rudolf Gillis, Albert Persyn, Jozef Goethals e.a.) een eigen vrijwilligerskamp te Keerbergen. Toen de financiële middelen in het najaar van 1940 begonnen op te drogen, leek het voortbestaan van deze initiatieven niet mogelijk zonder overheidssteun. Eind november 1940 werd met behulp van het Commissariaat Generaal voor ‘s Lands Wederopbouw, en in samenwerking met de ministeries van Financiën en van Arbeid en Sociale Voorzorg, de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen (VAVV) opgericht, en een evenwaardige Waalse afdeling, Service Volontaire du Travail pour la Wallonie (SVTW).

c. Doel van de VAVV en SVTW

In het Belgisch Staatsblad van 8 december 1940 verscheen een kaderwet waar het doel als volgt werd bepaald: “De Vlaamse en Waalse mannelijke jeugd in dienst van het volk opvoeden teneinde hun de ware opvatting van de arbeid in een geest van sociale toenadering eigen te maken door het uitvoeren van werken van algemeen nut”. Uit de aanvankelijke beperking tot de mannelijke jeugd blijkt dat men wilde voorzien in een tijdelijke vervanging van de dienstplicht in het Belgisch leger.

2. Ledenwerving en taken

a. Toelatingsvoorwaarden

De ledenwerving gebeurde via informatiezittingen in diverse gemeenten over heel Vlaanderen. De mannelijke kandidaten die zich meldden als werkkrachten voor de arbeidskampen moesten minstens 18 jaar oud zijn en bereid zijn zich voor een periode van 6 maanden diensttijd te verbinden. De diensttermijn kon op aanvraag hernieuwd worden. Tot de wervingsvoorwaarden behoorden een goede gezondheid, een getuigschrift van goed gedrag en zeden, een schriftelijke toelating van ouders of voogd, en een de plechtige belofte gedurende zes maanden in kameraadschap en tuchtvolle gehoorzaamheid te arbeiden. Het aantal mannen dat gedurende het bestaan van de VAVV zes maanden dienst deed, werd geschat op 6.000. De leiding, die de staf en de leiders omvatte, telde een zeshonderdtal personen.

Wervingsaffiche Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen (VAVV).

Wervingsaffiche Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen (VAVV).

b. Taken van de arbeidsmannen

Na een opleiding van veertien dagen in het wervingskamp in Mortsel werden de vrijwilligers opgenomen in de arbeidsgemeenschap van een bepaald kamp. De werkopdrachten bepaalden de locatie van het kamp dat meestal nabij een dorp was gelegen. De taak van de jonge mannen was gronden ontginnen en veredelen, dijken bouwen en beveiligen, waterlopen aanpassen en verbeteren en occasioneel hulp bieden bij rampen of bombardementen. De activiteiten van de VAVV beperkten zich niet louter tot zware handenarbeid. Ook optochten, défilés met vendels, sportfeesten, zangfeesten, opendeurdagen in de kampen en concerten van de muziekkapel behoorden tot hun bezigheden.

c. Voorzieningen en bezoldigingen

Zoals vermeld in de bovenstaande vermelde kaderwet van december 1940, had de zware arbeid ook tot doel jongelui uit alle lagen van de maatschappij met elkaar te leren omgaan en elkaar te leren waarderen. De arbeidsmannen werden voorzien in hun onderhoud en kregen een uniform, een werkpak en een sporttenue. Elk van hen kreeg een dagelijkse soldij van drie à vijf frank uitbetaald. Gehuwden ontvingen nog een extra vergoeding. De bezoldiging van de kaderleden verschilde fors van die van de arbeidsmannen. Ploegleiders en hofmeesters kregen daarentegen per dag 20 frank, kwartiermeesters ontvingen 25 frank per dag en onderveldmeesters en schaarleiders hadden 30 frank per dag. Het supplement dat gehuwden kregen, bedroeg bij de leiders 15 frank per dag.

3. Motieven

In Vlaanderen legde de VAVV de nadruk op “zijn eerbied voor en trouw aan eigen volkswezen, en op zijn nationale levenswil”. Bij de leiders en vrijwilligers die aan de oproep gehoor gaven bevonden zich heel wat Vlaamsgezinden. Anderen werden aangetrokken door een leven van sport en training in een uitgesproken Vlaamse gemeenschap. Nog anderen hadden minder idealistische motieven en traden toe wegens de beloofde voorkeursbehandeling bij de aanwerving in openbare diensten of Vlaamsvoelende bedrijven. Een laatste groep zag in de VAVV een middel om aan de verplichte arbeid in Duitsland te ontsnappen.

4. Structuur en opleidingscentra

a. Het hoofdkwartier en staf van de VAVV

De VAVV stond onder het beheer van het ministerie van Arbeid en het Commissariaat van Wederopbouw. Het was dus in wezen een niet-politieke organisatie, maar werd hoe langer hoe meer betrokken in een inzet van de politieke machtstrijd. Renaat Van Thillo werd arbeidsleider. Het hoofdkwartier van de VAVV was gevestigd in de Nerviërsstraat 17 te Antwerpen. De staf werd er gehuisvest en omvatte zeven diensten of departementen, die elk onderverdeeld waren in afdelingen en secties, en gevormd werden door referenten en leiders. De VAVV werd verder uitgebouwd in arbeidskampen, arbeidsgroepen en arbeidsgouwen.

In 1943 werd er binnen de VAVV een muziekkapel opgericht die voornamelijk werd gebruikt voor propaganda doeleinden. De muziekkapel werd ingezet om feesten, optochten en manifestaties op te luisteren.

b. Het arbeidskamp

Het arbeidskamp, de basiseenheid van de VAVV, was een zelfstandig orgaan met een eigen bezetting, administratie en werkopdracht. Het kamp stond onder de leiding van een kampleider, met de graad van hopman, en zijn staf. De staf bestond onder meer uit een beheerder, ‘hofmeester’, ‘tuigmeester’ of timmerman, ‘gereimeester’ of kok, kleermaker, schoenmaker, verpleger en haarkapper. Het kamp werd onderverdeeld in drie of vier arbeidsscharen. De eerste arbeidsschaar stond onder het bevel van een opperveldmeester, de plaatsvervanger van de kampleider. De tweede arbeidsschaar werd aangevoerd door een veldmeester en de derde en vierde scharen hadden elk een onderveldmeester. Elke arbeidsschaar bestond uit drie ploegen geleid door een ploegleider. In elke ploeg waren er twee arbeidskernen van vijf arbeidsmannen met één voorman. Het beheer van het kamp werd waargenomen door een kwartiermeester.
Het eerste mannenkamp werd geopend op 30 januari 1941. Later dat jaar werden nog een tiental andere kampen geopend. Hierna volgt een overzicht van de mannenkampen die werden opgericht en benut tussen 1941 en 1944.

 Naam Locatie Oprichtingsdatum (indien bekend) Activiteit Opmerking
Kamp Maxburg Meer 30 januari 1941 Voornamelijk ontbossing werd als eerste werkkamp opgericht op 30 januari 1941 en telde in totaal 238 deelnemende mannen. Het stond model voor de verdere oprichting van de andere kampen.
Kamp Steynhoeve Schilde 10 februari 1940 Ontginnen van braakliggende grond en verbeteren en uitbreiden van waterlopen
Kamp Nieuw-Westland Zandvliet maart 1942 Bouw van een Scheldedijk tussen april en augustus 1942. Daarnaast ook het cultiveren van poldergrond en het onderhoud van wegen en afwateringskanalen De opdracht die hier werd volbracht was het hoogtepunt van de VAVV-activiteiten.
Kamp Roosenberg Waasmunster  niet gekend Ophoging dijken aan de de Durme  –
Kamp De Maat Mol  16 juli 1941 Ontbossing van gronden voor aardappelteelt.  –
Kamp Baudeloo, Klein-Sinaai   niet gekend Herprofilering en indijking waterlopen in Sinaai  –
Kamp De Velp Diest   niet gekend Ruimen waterlopen en grachten in Halen  –
kamp Groenhove, Torhout 10 april 1941 Ontgining braakliggende gronden  –
kamp Holven, Overpelt 28 augustus 1941 Graven van afwateringsgrachten.  –
Kamp Wachelbergen Wuustwezel 21 juli 1941 Herprofilering van waterlopen en uitbaggeren van grachten en rivieren  –
Kamp Vengoed, Waarschoot   niet gekend Herprofileren waterlopen  –
Kamp Branheide, Bornem   niet gekend Ruimen waterlopen  –
Kamp Heuvelheide, Lommel   niet gekend Ontginnen beboste grinden en omploegen braakliggende gronden  –

Er waren ook nog kampen gevestigd bij Eeklo, Watervliet, Bellem (‘Kraenpoel’) en Bokrijk (‘Winterslag’).

c. De arbeidsgroep

De arbeidsgroep kon vijf à zes arbeidskampen omvatten en stond onder de leiding van een arbeidsleider en een opperarbeidsleider (of een arbeidsoverste).

d. De arbeidsgouw

De arbeidsgouw bestond uit vier tot vijf arbeidsgroepen en stond onder leiding van een arbeidsoverste (of een generaal- arbeidsleider) en een arbeidsgouwstaf.

e. Opleidingscentra

Toekomstige kampleiders werden opgeleid in de ploegleidersschool ‘Joris Van Severen’, opgericht te Brecht op 14 maart 1941, en vanaf januari 1942 in de veldmeesterschool ‘Cyriel Verschaeve’, (domein Iepenburg) te Schoten. Ze werden er 12 weken geschoold in technische opleiding, dienstregeling, vaderlandse geschiedenis, sociale en politieke opleiding, lichamelijke opvoeding, muziek, arbeidsidee, kunst en letterkunde. De opleiding bestond uit verschillende facetten en was bedoeld om de leerlingen meer inzicht te doen krijgen in het uitoefenen van hun toekomstige functie. Men kon de graad van ploegleider en onderveldmeester behalen na vijf weken opleiding. Na diensttijd konden VAVV’ers voorrang krijgen bij aanwervingen in openbare dienst en bij werkgevers die aangesloten waren bij het Vlaams Economisch Verbond (VEV).

5. Vrijwillige Vrouwelijke Arbeidsdienst voor Vlaanderen (VVAV)

Op 1 oktober 1941 verscheen in het Belgisch Staatsblad het oprichtingsbesluit van een afdeling vrouwelijke jeugd in de VAVV. Deze Vrijwillige Vrouwelijke Arbeidsdienst voor Vlaanderen (VVAV) startte onmiddellijk met de oprichting van twee werkkampen: één in Kruibeke en één in Kessel. Nadien kwamen er nog een tiental bij.  De vrouwelijke arbeidsdienst stond onder leiding van een hoofdleidster, die op haar beurt verantwoording moest afleggen bij de arbeidsleider van de VAVV. Net als de VAVV stond de meisjesafdeling onder het beheer van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid, waarvan Gerard Romsée secretaris-generaal was.

De allereerste arbeidsleidsters werden gedurende drie maanden in Duitsland opgeleid. Ze werden eerst ingezet als arbeidsmeisje in de Reicharbeidsdienst (RAD) en genoten daarna in Berlijn een opleiding tot jongleidsters. De daarop volgende kampleidsters kregen een training in een opleidingsschool te Kapellen.

De meisjes die wensten deel te nemen aan een arbeidskamp moesten tussen de 18 en 25 jaar oud en ongehuwd zijn. Elke politieke activiteit was hen verboden, en ieders godsdienstige overtuiging moest worden geëerbiedigd. De meisjes volbrachten net zoals de mannen een diensttijd van zes maanden. De dagtaak van de arbeidsmeisjes verschilde uiteraard van die van de mannen. De meisjes werden voornamelijk ingezet als sociale helpsters. Ze zorgden voor huishoudelijke taken bij kroostrijke gezinnen, kinderzorg en hulp bij de boeren. Net als bij de jongens werden ze voorzien in hun onderhoud en verplicht in het dragen van werkkledij of uniform.

Het eerste kamp voor de meisjesafdeling werd opgericht op 17 november 1941 in Kruibeke (‘Kasteel Schephoek’). Het tweede kamp volgde op 27 november 1941 te Kessel (‘De Bist’). Het derde kamp werd opgericht op 19 februari 1942 in Destelbergen (‘Bergenkruis’). Daarna volgde in datzelfde jaar nog werkkampen in Belsele (‘Gudrun’), Lovendegem (‘De Beiaard’), Klein-Vorst (Kasteel ‘Schellaert’), Rumst (‘Vosberg Kasteel’), Retie (‘Netehof’, ‘Kasteel Dufour’), Mortsel (‘Zonnehoeve’) en Eke-Nazaret (Eeckenhofkasteel ‘De Eik’).
Daarnaast was er ook nog een wervingskamp in Antwerpen, een opleidingsschool voor leidsters in Kapellen en een noodkamp in Tessenderlo.

6. Uniform

De kleur van het uniform was donkerbruin. Manschappen en onderofficieren droegen in hoofdzaak geverfde en verstelde uniformen van het voormalig Belgisch leger. Op de muts (scheepje) stond een korenaar. Het volk noemde de VAVV’ers de ‘bruine coloradokevers’, een zinspeling op het insect dat toen de aardappelvelden erg teisterde en overgewaaid kwam van de Amerikaanse staat Colorado. Officieren droegen een pet met het korenaarembleem en een rijbroek (pofbroek).
Arbeidsmeisjes droegen een donkerbruin mantelpak, met het arbeidsdienstkenteken op het linkerbovenzakje, een bruine hoed, en een wit hemd met een VAVV-kraagspeld (broche).

Fotoreproductie van marcherende VAVV-mannen – in werkuniform en met geschouderde spade – begeleid door hun kaderleden.

7. Politieke context: het getrouwtrek VNV-DeVlag

a. Algemeen

In andere bijdrages werd al vaak gesteld dat de collaboratie in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gekenmerkt door een hevige concurrentie tussen het VNV (Vlaams Nationaal Verbond) en de SS-gezinden van DeVlag (Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft), met als inzet door de Duitse bezetter als enige politieke organisatie in Vlaanderen te worden erkend. Hoewel de VAVV als een partij-onafhankelijke organisatie werd opgericht, raakte ze tijdens haar bestaansperiode langzaam maar zeker ook verzeild in het politieke getouwtrek tussen enerzijds VNV-gezinden en anderzijds SS-gezinden.

b. Toenadering tussen VAVV en Eenheidsbeweging-VNV, najaar 1940 tot midden 1942

Aanvankelijk oefende het  Verdinaso invloed uit op de VAVV: vele Dinaso’s bezetten staffuncties in de arbeidsdienst en de kaderschool van de VAVV werd ‘Opleidingskamp Joris van Severen’ genoemd. Echter vanaf de opslorping van het Verdinaso in de Eenheidsbeweging-VNV midden 1941, oefende vooral het VNV met – in mindere mate – zijn eenheidsjeugdbeweging NSJV (Nationaal-Socialistische Jeugd Vaanderen) de grootste aantrekkingskracht uit.
Het was via secretaris-generaal en VNV’er Gerard Romsée, van wie de VAVV afhing, dat het VNV zijn greep op de VAVV wenste te vergroten. Hoewel VAVV-hoofdleider Van Thillo steeds had geprobeerd om de samenwerking met het VNV en NSJV te beperken, vatte hij midden 1942 onderhandelingen aan met beide organisaties met het oog op extra VNV-mankracht. Deze toenadering tussen het VNV, NSJV en VAVV draaide uit op een samenwerkingsakkoord. Door deze onderhandelingen begon het VNV een werfcampagne waardoor heel wat van hun leden toetraden tot het VAVV-kader. Maar het VNV kreeg geen greep op de VAVV want Van Thillo hield, ondanks het samenwerkingsakkoord, het VNV op een afstand en voerde een onafhankelijke koers. Hierbij werd Van Thillo gesteund door de machtige Reichsarbeitsführer van de Reichsarbeitsdienst (RAD), Konstantin Hierl, die aan het hoofd stond van de RAD en die op zijn beurt een politiek bondgenoot was van de Reichsführer-SS Heinrich Himmler. Hierl, die totaal andere plannen had met de VAVV, wilde de vrijwillige arbeidsdienst omvormen tot een algemene verplichte arbeidsdienst voor de Vlamingen.

c. Groeiende invloed van de DeVlag in de VAVV, midden 1942 tot april 1944

Ondertussen nam de invloed van de DeVlag (Deutsch-Vlämische Arbeitersgemeinschaft) en de SS binnen de VAVV toe. De VNV’ers binnen de VAVV protesteerden, en de relaties tussen beide fracties bekoelden nog meer. VNV’er Gérard Romsée probeerde intussen zijn invloed binnen de VAVV te laten gelden en eiste inspraak in alle belangrijke aangelegenheden en controle over alle benoemingen en bevorderingen. Hij bleef er evenwel van overtuigd dat de arbeidsdienst op vrijwillige basis maar zou slagen met de steun van het VNV.
Het gevolg van deze openlijke machtsstrijd was dat de werving binnen de VAVV stokte. De arbeidsdienst trachtte de werving tijdelijk opnieuw te stimuleren door universiteitsstudenten aan te trekken, die van maart 1943 af door de verplichte tewerkstelling in Duitsland waren getroffen en die door het vervullen van twee dienstperioden van zes maanden bij de VAVV daaraan konden ontkomen. De standpunten van éénieder waren onverzoenlijk en Romsée besliste in april 1944 om de VAVV te ontbinden.

d. Het VNV buiten spel gezet, april 1944 tot begin 1945

Eind april 1944 werd de VAVV opnieuw opgericht en omgevormd tot een vzw, de Vlaamse Arbeidsdienst (VAD), die afhing van de RAD. Zo kwam er een einde aan de invloed en de inmenging van de secretaris-generaal voor Binnenlandse Zaken en VNV’er Gérard Romsée en zijn administratie. Hoofdleider Van Thillo en RAD Reichsarbeitsführer Konstantin Hierl hadden het pleit gewonnen. Ondertussen gaf Hendrik Elias, leider van de Eenheidsbeweging-VNV, de VNV’ers in de VAVV het bevel ontslag te nemen en niet aan te sluiten bij de weer opgerichte VAD. Voor circa zeventig procent van de stafofficieren en onderofficieren betekende die datum het einde van de Vlaamse Arbeidsdienst: ze namen ontslag. Een deel weigerde en werd ingezet bij de RAD, sommigen in kampen met Duitse manschappen, anderen in volledig Vlaamse kampen.

In september 1944 week Van Thillo met wat van de voormalige VAVV was overgebleven naar Duitsland uit. Daar kondigde de Vlaamse Landsleiding van Jef van de Wiele, waarin Van Thillo werd opgenomen als arbeidsdienstleider, nog een arbeidsdienstplicht af voor de Vlamingen in Duitsland voor de jaarklassen 1924-1927. Na de bevrijding werden de leden van de VAVV vervolgd wegens collaboratie.