•  
  •  
  • Home
  • /Vlaams Legioen

Vlaams Legioen

Een synopsis…

Index:

1. Inleiding
2. Houding van het VNV na de Duitse inval in de Sovjet-Unie
3. Oprichting van en werving voor het Vlaams Legioen
4. Vertrek van het eerste contingent van het Vlaams legioen
5. Motieven van de vrijwilligers van het Legioen
6. Richtlinien für die Legion Flandern
7. Aankomst in Debica
8. Klachten binnen de eigen rangen
9. Naar het front
10. De gevechten bij Wesky-Semptitzy, de Wolchow-moerassen en Alexandrovka-Poesjkin
11. De tegenstelling VNV – Algemene SS-Vlaanderen
12. De gevechten bij Krasny-Bor
13. Het einde van het Vlaams Legioen


1. Inleiding

Op zondag 22 juni 1941, om 3u15, gaf Hitler het startsein voor Unternehmen Barbarossa: de verovering van de Sovjet-Unie. Een leger van 3,5 miljoen Duitsters viel 2,5 miljoen manschappen, 4000 tanks en 5000 vliegtuigen aan. De Sovjet-Unie had ook nog één miljoen manschappen in het Verre Oosten en een ander miljoen in de Kaukasus. Met de Duitse inval in de Sovjet-Unie beoogde Hitler de bakermat van het bolsjewisme te vernietigen en nieuwe wingewesten te veroveren voor de volgens hem zo noodzakelijke uitbreiding van het Duitse Lebensraum naar het oosten. Het was in de eerste plaats een economische oorlog en tevens de strijd tussen twee ideologisch tegengestelde systemen met dezelfde totalitaire aspiraties, een strijd op leven en dood, waarin miljoenen soldaten en burgers het leven lieten en bij de afloop er van het uitzicht van het Europese continent onherroepelijk was gewijzigd.

2. Houding van het VNV na de Duitse inval in de Sovjet-Unie

Voor het VNV was de Duitse inval in de Sovjet-Unie geen onwelkome verrassing. In de zomer van ’41 heerste in de VNV rangen immers, als gevolg van de voortdurende strijd met de Algemene SS-Vlaanderen, verwarring en ontmoediging. Met een nieuwe gemeenschappelijke vijand aan de horizon zouden de VNV-rangen zich sluiten en de blik van de interne problemen afwenden. Wanneer het VNV kon bewijzen dat het in staat was om massaal voor de strijd tegen het bolsjewisme te werven, wat het tot nog toe niet had bewezen, kon deze politieke beweging haar positie versterken en mogelijks de inschakeling van de Algemene SS-Vlaanderen bekomen.
Een antibolsjewistische kruistocht was dus welkom bij het VNV. Op 22 juni ’41, dus de dag zelf van de Duitse inval in de Sovjet-Unie, verscheen VNV-leider Staf De Clercq volkomen onverwacht op een VNV-vergadering in het Koninklijk Circus te Brussel. Zonder dat hij het nodig had gevonden vooraf de VNV-Raad van Leiding te raadplegen, riep De Clercq de toehoorders op vertrouwen in de Führer te hebben en deel te nemen aan de strijd voor de nieuwe ordening van het Germaanse Rijk:
“Vlaanderen! Het Germaanse Vlaanderen kan zich hierin niet onbetuigd laten. Meer dan ooit is het geboden, in het licht van de Germaanse lotsverbondenheid, in Germaanse trouw en met alle middelen waarover wij beschikken, de zegepraal der Duitse wapenen te bevorderen. Aan de Duitse overwinning zijn alle belangen voorlopig ondergeschikt.”

Nadien deed De Clercq een oproep tot toetreding bij de Waffen-SS, en vroeg hij de zaal een driedubbel ‘Houzee’ voor Adolf Hitler uit te brengen. Dezelfde dag, dus op 22 juni ’41 riep, Jef François in Gent zijn Dinaso militanten samen, en trok hij zijn verbod van maart 1941 in, waarbij hij elke melding voor de Freiwilligen SS-Standarte ‘Nordwest’ verbood en overtreders uit zijn groepering sloot. Nu de strijd tegen het bolsjewisme begon, mocht de Dinaso Militanten Orde (DMO) niet langer afzijdig blijven.Weinige tijd na de oproep van De Clercq op 22 juni in het Koninklijk Circus, maakte Rex als eerste politieke beweging de oprichting van een Waals Legioen bekend. Daarop, op 6 juli ’41, besloot De Clercq een Vlaams Legioen op te richten.

Fragment: Jef François: “Vlaams Legioen pas opgericht nadat Rex een Waals Legioen had opgericht”.

 


3. Oprichting van en werving voor het Vlaams Legioen

Enkele dagen na de Duitse inval in de Sovjet-Unie, namelijk op 29 juni 1941, gaf Adolf Hitler de toelating tot de oprichting van buitenlandse vrijwilligerslegioenen. Hierbij dacht men in eerste plaats aan vrijwilligers uit de Germaanse gebieden, maar ook uit bevriende staten zoals Spanje. De volgende dagen vergaderden de Duitse betrokken diensten met het oog op het vastleggen van aanwervings- en inzetmodaliteiten. Deze besprekingen leidden op 9 juli ’41 tot het Entwurf des Führererlasses über den Einsatz ausländisher Freiwilliger, maar straks meer daarover. We willen de aandacht van de lezer vestigen op het feit dat al voor laatstgenoemde datum, van Vlaamse kant, was beslist tot de oprichting van een Vlaams vrijwilligerslegioen, en dat de wervingscampagnes voor dit Legioen toen reeds volop bezig waren. Dit gebeurde dus nog voor van Duitse kant enige uitvoeringsmodaliteiten waren uitgewerkt.

Het VNV startte met een intensieve werfcampagne in het teken van ‘bolsjewisme of nationaalsocialisme’. In de VNV krant Volk en Staat van 6 juli 1941 stelde Reimond Tollenaere dat:
“Nu Hitler als leider aller Germanen werd erkend, de Vlaamse soldaten van de Führer paraat stonden om samen met de Duitse kameraden het verjoodste, kapitalistisch, democratisch, bloed onzuivere Europa te reinigen in de harde slagen van het zwaard.”

’s Anderendaags, op 7 juli ’41, riep De Clercq alle weerbare mannen van 17 tot 40 jaar zonder onderscheid van partij of gezindheid op om in het vrijwilligerskorps dienst te nemen:
“Vlaanderen wil meehelpen om Europa te redden van de pest van het bolsjewisme. Ook ons bestaan als volk staat op het spel.”

Vanzelfsprekend kon de Algemene SS-Vlaanderen hierop niet ten achter blijven. Enkele dagen na Staf De Clercq verscheen een oproep van ingenieur Jef De Langhe, plaatsvervangend leider sinds René Lagrou op 10 mei ’41 naar de Waffen-SS was vertrokken. Zo schreef De Langhe:
“Op Vlaamse mannen! Grijpt het geweer en staat uw man. Treed in dichte rangen toe tot uw Legioen, dat het symbool moet worden van uw eer en recht.”

Op 9 juli 1941 kwam dus van Duitse kant het Entwurf des Führererlasses über den Einsatz ausländisher Freiwilliger tot stand. Het ontwerp stelde dat de buitenlandse vrijwilligers de Duitse wapenrok zouden dragen, echter versierd met nationale insignes. De vrijwilligers die al vroeger in hun nationale leger een militaire loopbaan hadden opgebouwd, zouden met inachtneming van hun rang in de vrijwilligerseenheid worden opgenomen. De vrijwilligers zouden geen rechten op het Duitse staatsburgerschap kunnen doen gelden. De Waffen-SS zou de Germaanse vrijwilligers als toegevoegde troepen opnemen, terwijl de Wehrmacht voor de overige, niet-Germaanse, vrijwilligers zou zorgen. Een speciale legioeneedformule, waarbij de vrijwilligers enkel trouw zweren aan Adolf Hitler als leider in de strijd tegen het bolsjewisme en niet als leider van het Groot-Germaanse Rijk, zou verder op het onderscheid met de Waffen-SS’ers wijzen. Ook werden voor de legioenen de keuringsnormen versoepeld.

Naast de hiervoor reeds vermelde oproepen nam in de loop van de volgende weken de stroom oproepen, artikels en toespraken waarin de Vlamingen werden aangespoord zich te melden alleen maar toe. Het Vlaams Legioen dat de VNV-politici en propagandisten voor ogen hadden, zou worden samengesteld uit weerbare mannen die zich wensten in te zetten voor de strijd tegen het bolsjewisme. Het zou beschikken over eigen Vlaamse officieren en in het Nederlands worden bevolen. Mogelijks – bij voorkeur, gezien de Dietse overtuiging van het VNV – zou het met het Nederlands vrijwilligerslegioen samensmelten. Verscheidene vooraanstaande Vlamingen zouden dienst nemen. Het Vlaams Legioen zou, althans de propagandisten, enkel als een bezettingsleger worden ingezet. Deze bepalingen werden dan ook op 19 juli ’41 in Volk en Staat gepubliceerd onder de titel: Onderrichtingen nopens het Vlaamsch Legioen.
Tijdens een hele reeks volksvergaderingen voerden vooraanstaande VNV’ers het woord ten voordele van de toetreding tot het vrijwilligerslegioen: Jan Timmermans, Reimond Tollenaere, Edgar Lehembre, Staf Van Nuffel, Filip De Pillecyn, Staf De Clercq, Frans Daels, Odiel Daem,… Dokter Edgar Lehembre en Prof. Dr. Frans Daels spraken op 19 juli ’41 in de schouwburg ‘Folies Bergère’ te Brussel. Edgar Lehembre stelde toen:
“Duitsland zal waardering hebben voor een Germaans volk dat z’n man staat. Daarom kameraden: te wapen! Kameraden, ik zeg u nogmaals: te wapen! Kameraden, gij staat voor de keuze: bolsjewisme of nationaalsocialisme. Gij zult allen in uw geweten uitmaken of u u dient op te geven voor het Vlaams Legioen. Het gaat om de redding van Europa, om de eer van ons volk!”
Dezelfde dag, en met betrekking tot dezelfde vergadering, noteerde de VNV’er Ernest Claes in zijn dagboek:
“Deze avond heeft er in de schouwburg ‘Folies Bergère’ een vergadering plaats van het VNV Groot-Brussel, met Frans Daels en Lehembre als sprekers: propaganda-avond voor vrijwilligers in Rusland. Ik ga er niet naartoe, om de lieve vrede. Ik weet ook niet of ik dat zo praktisch vind. Tegen het bolsjewisme strijden, goed, maar zullen die paar duizend Vlamingen en Walen daar iets aan kunnen toe helpen? Is het soms een symbolisch gebaar, om Duitsland goed te stemmen tegenover de Vlamingen?”
Hoewel het strijden tegen het rode gevaar op zich niet werd betwist door E. Claes, bleek toch niet elke Vlaamsgezinde overtuigd van het nut van de werving voor het Vlaams vrijwilligerslegioen.

De dag daarna, op 20 juli ’41, verscheen in Volk en Staat de mededeling dat Reimond Tollenaere, Jef François, Joris Van Steenland en Paul Suys zich melden voor het Vlaams Legioen. Tevens kregen alle leden van de Dietse Militie/Zwarte Brigade (DM/ZB) de onderrichting zich voor het Legioen beschikbaar te houden. De staf van de Zwarte Brigade zou dan de vertrekkende eenheden aanwijzen. Nog altijd diezelfde dag deed Staf De Clercq in Volk en Staat nog een oproep tot de Vlaamse officieren van het gedemobiliseerd Belgisch leger om zich voor het Legioen te melden. De Clercq noemde hun toetreding de schoonsten daad die ze voor Vlaanderen konden stellen. Doch slechts enkele Vlaamse officieren meldden zich voor de eerste lichting van het Legioen.
Hét grote nieuws was echter dat Prof. Dr. Frans Daels, algemene voorzitter van het IJzerbedevaartcomité, ‘het levensgeweten van Vlaanderen en zinnebeeld van Vlaamse trouw’, zich had aangemeld om de opperleiding en organisatie van het veldhospitaal van het Vlaams Legioen op zich te nemen.
Volgens publicist Arthur De Bruyne zou Frans Daels schriftelijk hebben geprotesteerd bij de redactie van Volk en Staat in verband met het bericht van zijn melding. Daels zou, aldus De Bruyne, enkel de bedoeling hebben gehad zich bezig te houden met het sociale en geneeskundige aspect van het Legioen, en dan nog enkel vanuit Vlaanderen. Frans Daels heeft in een naoorlogs verweerschrift aangevoerd dat zijn naam door Volk en Staat misbruikt is geworden. Daels zou volgens anderen echter zijn toestemming tot publicatie van het bericht hebben gegeven, wetende dat hij niet zou vertrekken. Wel vertrokken heel wat jongeren onder invloed van Daels’ aangekondigde deelname naar het Oostfront.

Fragment: Jef François & Frans Vierendeels over Frans Daels en de publicatie in Volk en Staat.

 

Op 5 augustus 1941, daags voor het vertrek van het eerste contingent vrijwilligers, deelde Staf De Clercq mee dat ook Edgar Delvo, Joris Van Steenland en Bert Meuris voorlopig ook niet zullen vertrekken. Delvo werd gelast ad interim met de taak van algemeen propagandaleider van het VNV. Van Steenland werd gelast ad interim met het generaal commando van de DM/ZB. Meuris, ook organisatieleider van het VNV, werd adjunct van Van Steenland.

Fragment: Jef François over het niet vertrekken van F. Daels, E. Delvo, J. Van Steenland en B. Meuris.

 


4. Vertrek van het eerste contingent van het Vlaams Legioen

Op 6 augustus ’41 vertrok dus het eerste contingent van het Vlaams Legioen vanuit Brussel naar het Duitse opleidingskamp Debica in het Generaal-Gouvernement (voormalig Polen) waar ze aan een eerste training werden onderworpen. In het totaal hadden 1175 Vlamingen zich gemeld. Daarvan werden 770 afgekeurd of trokken zich terug, zodat uiteindelijk 405 vrijwilligers met het eerste contingent vertrokken. Initieel hadden de volgende persoonlijkheden zich voor het Legioen gemeld: Prof. Dr. Frans Daels, Edgard Delvo, Reimond Tollenaere, Jef François, Paul Suys, Joris Van Steenland, Bert Meuris. Slechts drie daarvan vertrokken: Reimond Tollenaere, Jef François en Paul Suys. De anderen bleven thuis.

Ook waren met het eerste contingent vier Vlaamse dokters meegereist: de dokters Claeys, Roger Soenen, Kamiel Vanderlinden en Karel Michel.
Het Waalse Legioen had bijna 860 manschappen op de been gebracht, dus meer dan het dubbele van het Vlaams Legioen. Volgens Staf De Clercq namen de nationaalsocialisten uit Vlaanderen het alleen op voor gans Vlaanderen en zij alleen, in naam van het Vlaamse Volk, stonden borg voor de waarden van de christelijke beschaving die, volgens De Clercq, de Vlamingen zo dierbaar waren. In dit verband haalde De Clercq uit naar de katholieke geestelijkheid:
“Indien zij, die vroeger de banbliksems uitjoegen tegen het bolsjewisme, weigeren te bidden voor u en voor het neerhalen van Stalin’s macht, denk dat in Vlaanderen duizenden moederkens het in hun plaats zullen doen.”

Belangrijker waren echter de beloften die De Clercq die dag aan de Vlaamse vrijwilligers vlak voor hun vertrek deed. In tussentijd had De Clercq immers met SS-Hauptsturmführer Leib, hoofd van de Ergänzungsstelle ‘Nordwest’ in Den Haag, onderhandelingen gevoerd betreffende de werving en de inzet van de Vlaamse vrijwilligers. Die onderhandelingen hadden op 2 augustus tot een overeenkomt hadden geleid, de Richtlinien für die Legion Flandern. Het document telde een reeks afspraken en richtlijnen, en daaruit putte De Clercq tijdens zijn toespraak een aantal beloften.   Hij verklaarde dat de vrijwilligers zouden worden opgeleid door Vlamingen die reeds bij de Waffen-SS in dienst waren. Voorts beloofde hij dat er een Vlaamse aalmoezenier zou komen. En tot slot zouden drie Vlaamse artsen, namelijk de dokters Soenen, Claes en Vanderlinden, voor de geneeskundige zorgen in staan. Over Frans Daels zei De Clercq enkel dat deze voor de inschakeling van Vlaamse verpleegsters zou zorgen, en de mogelijkheid van een Vlaams veldhospitaal zou nagaan. Tenslotte wees De Clercq de vrijwilligers er op dat ze een eed van trouw zouden afleggen, waarin ze Adolf Hitler als Führer in de strijd tegen het bolsjewisme erkennen en dat deze eed zou gepaard gaan met een eed van trouw aan Vlaanderen.

Na zijn toespraak overhandigde De Clercq de leeuwenvlag aan de vertrekkers. Vervolgens marcheerden de vrijwilligers zingend met de leeuwenvlag voorop door de Brusselse straten naar het Noord-station, waar ze van familie en kennissen afscheid namen.

5. Motieven van de vrijwilligers van het Legioen

a. Zovele redenen als Oostfronters

Bij de motieven van de vrijwilligers van het Vlaams Legioen zijn er vanzelfsprekend een aantal die ook voor de vroegere Vlaamse vrijwilligers bij de Waffen-SS, die zich nog voor de Duitse inval in de Sovjet-Unie hadden aangemeld, golden. Denken we maar aan hun bewondering voor het schijnbaar onoverwinnelijk Duits leger en voor de hierin aan de dag gelegde orde en tucht. De bewondering voor de verwezenlijkingen van het nationaalsocialisme in Duitsland en vooral voor de uitschakeling van de miljoenen werklozen, gepaard gaande met hun afkeer voor het vooroorlogs Belgisch politiek systeem. Idealisme is er voor een aantal Vlaams legioensoldaten ongetwijfeld geweest, maar dat sluit niet uit dat andere om den brode, uit ambitie, uit zin voor avontuur zijn vertrokken, of nog om zich aan familiale of andere moeilijkheden te onttrekken.

Fragment: Rik Demeester over de verschillende redenen die personen er toe aanzetten dienst te nemen.

 

Betreffende de ideële motieven dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de Vlaamse vrijwilligers voor de Waffen-SS, en die voor het Vlaams Legioen. Bij de vrijwilligers voor het Vlaams Legioen kan men inderdaad motieven onderscheiden die bij de Vlaamse Waffen-SS ’ers ontbreken: het Vlaams-nationalisme is er één van. Daarbij speelde het de Vlamingen in het verleden aangedane onrecht een belangrijke rol.

Fragment: Oswald Van Ooteghem over het Vlaams-nationalisme en de vrijwilligers van het Legioen.

 

b. “Tegen het goddeloze bolsjewisme…”

Het tweede motief waardoor de Vlaamse legioensoldaten zich van de Vlaamse Waffen-SS ’ers onderscheidden, was het antibolsjewisme. Vanzelfsprekend konden de Vlaamse vrijwilligers van de Waffen-SS, die zich ten tijde van het Duits-Russische niet-aanvalspact meldden, geen beroep op anticommunistische motieven doen. De meeste vrijwilligers die zich na de Duitse inval in de Sovjet-Unie voor het Vlaams Legioen meldden, lieten daarentegen uitschijnen dat voor hen het antibolsjewisme het hoofdmotief vormde om naar het Oostfront te trekken.   Ze beriepen zich op hun katholieke geloofsovertuiging en –opvoeding om dit engagement te verrechtvaardigen, en verwezen daarbij naar de anticommunistische campagnes die voor de oorlog in de kerkelijke kringen werden gevoerd.

Fragment: Wilfried Pyck nam, m.b.v. een vervalst paspoort, als 16-jarige dienst.

 

Fragment: volgens Etienne van Vlierberghe trokken ook seminaristen en bruine paters naar het Oostfront.

 

Fragment: historicus Alain Dantoing over de herhaaldelijke veroordelingen van het communisme door de katholieke kerk sinds 1930.

 

Maar er mag niet uit het oog worden verloren dat de katholieke kerk voor de oorlog eveneens afstand van het nationaalsocialisme nam. Dit was en gevolg van onder meer de groeiende kerkvervolging in Duitsland, de rassen- en sterilisatiewetten en de groeiende staatsinmenging in de jeugdvorming. Het kwam tot de veroordeling van het nationaalsocialisme in de encycliek Mit brennender Sorge van 14 maart 1937, waarin paus Pius XI de totalitaire aanspraken van het Hitler-regime verwierp, ook al werd het bolsjewisme toen met nog meer nadruk afgewezen.

Ook in Vlaanderen gingen stemmen op tegen hetgeen het bruine bolsjewisme werd genoemd, de titel trouwens van een brochure van de latere hoogleraar Florent Peters, die het nationaalsocialisme voor de katholieken volstrekt onaanvaardbaar achtte omdat het de vrijheid van de katholieke kerk bedreigde om zich autonoom in het maatschappelijk bestel te ontwikkelen. Maar de slagzin: ‘Rome of Moskou’, waarmee geestelijken zoals de Paters Willem Arts, Constant Van Gestel, Felix Morlion en kanunnik Dubois zich op de publieke opinie en de jeugd richtten, vond in het toen grotendeels katholieke Vlaanderen een dankbare voedingsbodem. In talloze voordrachten, publicaties en affichecampagnes werd in de eerste plaats het communisme als doodsvijand van het katholieke geloof en de westerse beschaving afgeschilderd.

Fragment: Jan Carpentier herinnert zich de anticommunistische toespraken van kanunnik Dubois.

 

Aan de spits van de anticommunistische actie in ons land stond de dominicanenpater Andries Felix Morlion. Met zijn Offensiefbrigades en zijn bladen De Waarheid en Offensief, predikte hij een ware kruistocht tegen het communisme die bij heel wat Vlaamse katholieke jongeren diepe sporen naliet.

Fragment: Pater Morlion predikte voor de oorlog een ware kruistocht tegen het communisme.

 

Met de Duitse inval van mei ’40 kwam een einde aan de anticommunistische campagnes van de katholieke kerk in ons land. Deze zag dat het nationaalsocialisme op dat ogenblik een nog groter gevaar voor haar bestaan betekende dan het communisme. Van zowel het aartsbisdom en de bisdommen gingen richtlijnen uit waarin zowel van het Duitse bezettingsregime, als van de collaboratiebewegingen, afstand werd genomen en elke samenwerking werd verboden.

Fragment: Jan Carpentier vertelt hoe de vooroorlogse anticommunistische propaganda levendig bleef.

 

Fragment: Leo Tollenaere over de anticommunistische campagnes.

 

Sommige vrijwilligers kregen nochtans verrassende antwoorden te horen toen ze hun melding aan hun geestelijke raadsman gingen meedelen.

Fragment: Jan Carpentier kreeg van kanunnik Dubois een wel zeer bizarre reactie op het nieuws van zijn melding…

 

Het zou nochtans van vergaande vereenvoudiging getuigen om de inzet van Vlaamse katholieke jongeren aan het Oostfront enkel aan de oproepen van geestelijke leiders toe te schrijven. De anticommunistische campagnes van voor de oorlog hebben slechts een minderheid van de katholieke jongeren in Vlaanderen gemotiveerd om zich voor het Oostfront te engageren. Aan de basis van de melding lag meestal een complex van redenen, waarin zowel politieke, godsdienstige, sociaal-economische als familiale en psychologische motieven doorslaggevend konden zijn. Het katholieke antibolsjewistische motief was als het ware soms een vlag die een hele lading van andere motieven kon dekken. Men ontkomt soms niet aan de indruk dat sommige gewezen oostfronters de kerkelijke anticommunistische campagnes van voor de oorlog dankbaar hebben aangegrepen om hun eigen verantwoording van zich af te schuiven, of alleszins te minimaliseren.

Fragment: Jef Francois over de motieven van de Legioensoldaten.

 

Er blijft nochtans de bittere vaststelling van vele Vlaamse katholieke jongeren die zich voor het Oostfront hadden gemeld, bij hun terugkeer voor gesloten priesterdeuren stonden. Tevens mochten ze het kerkgebouw niet betreden noch de communietafel benaderen zo zijn het Waffen-SS uniform droegen. Maar nog veel erger in hun ogen was de weigering van de geestelijkheid zielenmissen op te dragen voor hun gesneuvelde kameraden zo zij die in uniform wilden bijwonen.

De kerkelijke overheid in ons land had weliswaar niet verboden te bidden voor de ziel van een om het even welke afgestorvenen, privé-missen op te dragen of openbare lijkdiensten toe te staan. Maar de geestelijkheid diende volgens de richtlijnen van kardinaal van Roey erediensten te weigeren zo de kans bestond dat deze voor politieke of profane doeleinden zou worden misbruikt, of tot politiek beogen. De kerk wilde in geen geval de indruk wekken dat zijn de collaboratiebewegingen goedkeurde, of zelfs maar erkende. In de praktijk kwam dit er op neer dat lijkdiensten en zielenmissen meestal werden geweigerd zo zij zelfs maar werden bijgewoond door leden van collaboratiebewegingen in uniform. Al deze weigeringen van de kerk, alsmede haar houding en stilzwijgen na de oorlog tijdens de repressieperiode heeft menig gewezen Oostfronter definitief afstand van de kerk doen nemen.

 

c. Verhouding vrijwilligers en de Belgische staat

De vrijwilligers waren de mening toegedaan dat zij door hun melding en dienstname als soldaat bij het Vlaams Legioen destijds geen inbreuk maakten op de Belgische wetten. De volgende vier verschoningsgronden worden aangevoerd in Vlaanderen in uniform 1940-1945, deel 7 (Jan Vincx):
1. De onvoorwaardelijke capitulatie van het Belgisch leger in 1940. Hierdoor werd het leger ontbonden en ieder ontslagen van zijn weerplicht.
2. De Sovjet-Unie was geen bondgenoot van België, daar het op 13 december 1939 uit de Volkenbond te Genève werd gestoten wegens haar inval in Finland.
3. Welke was de wettige regering? Deze, die hier het land bestuurde, of de eind 1940 in Londen gevormde regering in ballingschap, zonder aanstelling van de Belgische koning, die in België verbleef?
4. Het Vlaams Legioen zou uitsluitend worden ingezet tegen de Sovjet-Unie, en niet tegen Frankrijk of Engeland.


6. Richtlinien für die Legion Flandern

In het voorgaande werd reeds een toespeling gemaakt op de overeenkomst, die op 2 augustus ’41, tussen Staf De Clercq en SS-Hauptsturmführer Leib, verantwoordelijke van de SS voor de werving in Vlaanderen, werd gesloten. In die geheime overeenkomst, die als titel Richtlinien für die Legion Flandern droeg en vier dagen voor het vertrek van het eerste contingent vrijwilligers van het Vlaams Legioen was gesloten, waren een aantal toegevingen opgenomen. Vooraf dient gesteld dat deze overeenkomst tussen De Clercq en Leib nooit werd openbaar gemaakt; noch voor, maar ook niet na het vertrek van 6 augustus ’41. Bij het vertrek van het eerste contingent werden door De Clercq aan de vertrekkende vrijwilligers een aantal beloften gedaan, maar van een contract was er hoegenaamd geen sprake geweest. Tenminste niet tegenover hen. Bepaalde VNV-politici, zoals Reimond Tollenaere, Jef François, Frans Daels,… waren er echter wel het bestaan van een dergelijke overeenkomst op de hoogte. De overeenkomst tussen De Clercq en Leib werd ook nooit publiek gemaakt. De opgenomen voorwaarden verschenen dus bijvoorbeeld nooit in Volk en Staat, en dat is in tegenstelling tot de vele beloften die De Clercq en Tollenaere in deze krant over het Legioen deden. Er werd dus eigenlijk dubbel spel gespeeld, zowel door de Duitsers als door De Clercq.

Laten we eerst eens de overeenkomst tussen De Clercq en SS-Hauptsturmführer Leib bekijken.

 

De overeenkomst tussen Staf De Clercq en SS-Hauptsturmführer Leib, verantwoordelijke van de SS voor de werving in Vlaanderen, die op 2 augustus ’41 werd gesloten:

 

Vervolgens kan men bij een aantal punten uit deze overeenkomst enkele bedenkingen maken, of zelfs inbreuken vaststellen:

Punt 1.
De commando- en voertaal waren en bleven Duits.
Er kwam nooit een Vlaamse bevelhebber. Wat betreft Vlaamse officieren hadden zich negen reserve-officieren en twee beroepsofficieren uit het gedemobiliseerde Belgisch leger gemeld. Deze waren verplicht een frontstage als gewoon soldaat te doen. Daarna werden zij naar officieren- en onderofficierenscholen gestuurd om zodoende hun oude dienstrang terug op te nemen. Daarnaast hadden zich eveneens een aantal militieofficieren gemeld, maar deze waren niet geschikt om een militaire eenheid te leiden.
Ook hadden zich in het krijgsgevangenkamp te Luckenwalde een vijftigtal officieren gemeld voor het Vlaams Legioen, doch deze werden eenvoudigweg genegeerd door de Duitsers.

Punt 3.
Er kwam een adelaar op de mouw en een leeuwenschildje op de onderarm. Wat betreft de kraagspiegel, en de het opschrift op de Ärmelband verwijzen we naar een verder gedeelte van de uiteenzetting. We kunnen nu echter al zeggen dat uiteindelijk voor de SS-rune kraagspiegel werd gekozen.

Punt 4.
De getrouwheidsbelofte aan Vlaanderen, die De Clercq de vrijwilligers bij het vertrek van het eerste contingent op 6 augustus 1941 had beloofd, bleef in het contract tussen De Clercq en SS-Hauptsturmführer Leib van 2 augustus ‘41 achterwege.

Punt 8.
Het Vlaams Legioen werd na zijn opleiding onmiddellijk ingezet als strijdende eenheid aan het front. De bepaling in de overeenkomst tussen De Clercq en SS-Hauptsturmführer Leib zei letterlijk dat het Legioen naar gelang de verreiste ging worden ingezet. Het ging dus niet noodzakelijk om een bezettingsleger. Hoewel Reimond Tollenaere op 19 juli 1941 in Volk en Staat echter reeds had beloofd dat het Legioen louter bezettingsopdrachten ging uitvoeren. Dit onderscheid was volgens wervende VNV-politici een wezenlijk verschil met de Vlaamse vrijwilligers die voor de Waffen-SS dienst  namen.

Fragment: Jef François over het Vlaams Legioen als bezettingsleger of als strijdende eenheid.

 

Nu mag de mogelijkheid niet worden uitgesloten dat R. Tollenaere er wel degelijk van op de hoogte was dat het Legioen op het front zou worden ingezet, maar dat hij bewust voor een bezettingsleger heeft geworven, wetende dat hij daar meer vrijwilligers mee zou aantrekken. En meer vrijwilligers was een argument van gewicht in de strijd tegen de Algemene SS-Vlaanderen om het politiek monopolie in Vlaanderen. Maar Tollenaere koesterde wellicht ook ambities van persoonlijke aard.

Punt 11.
We hebben al stil gestaan bij het feit dat op 20 juli 1941 in Volk en Staat werd aangekondigd dat een Vlaams veldhospitaal zou worden opgericht, dat onder de leiding van Prof. Frans Daels zou staan. Vooral het aangekondigde vertrek van Prof. Daels heeft menige jongeren naar het Legioen doen overstappen. Het propagandistische effect is er dus geweest, maar Daels is nooit vertrokken.
Reimond Tollenaere en Jef François zijn op 19 augustus ’41 in Berlijn vruchteloos gaan pleiten bij Berger van het SS-Hauptamt voor een eigen afzonderlijke Vlaamse geneeskundige dienst. Zij kwamen echter van een kale reis terug, want vanuit militair oogpunt was dat onzin.

Fragment: Jef François en Reimond Tollenaere zijn op 19 augustus ’41 vruchteloos bij Berger gaan pleiten voor een afzonderlijke Vlaamse geneeskundige dienst.

 

Met de eerste lichting van het Vlaams Legioen waren echter wel vier dokters meegereisd: de dokters Soenen, Vanderlinden, Claeys en Michel. Daar er van een Vlaamse geneeskundige dienst zelfs geen sprake was, zijn de dokters Soenen, Vanderlinden en Claeys dan maar naar Vlaanderen teruggekeerd met een demobilisatiebevel. Dokter Michel volgde enkele maanden later. In één van zijn laatste brieven aan Staf De Clercq sprak Reimond Tollenaere zijn lof uit over Dr. Michel. Het was, aldus Tollenaere, een prachtkerel die gedienstig was als niet één. Tollenaere voegde er nog aan toe dat Michel vroeger kapitein was in het Belgisch leger, en daarom dus eigenlijk Hauptsturmführer zou moeten zijn. In feite was hij, nog steeds volgens Tollenaere, Obersturmführer maar met de wedde van een soldaat. Een Duitse SS-Untersturmführer was zijn chef.

Punt 14.
Ondanks het herhaaldelijk aandringen van Tollenaere en François kwam van een Vlaamse aalmoezenier niets in huis. Tevens stond de SS niet echt gunstig tegenover geloofsbelijdenis. Er had zich tijdens de wervingsperoide echter wel een kandidaat-aalmoezenier aangeboden, namelijk Maurits Geerardijn. Geerardijn was na de Eerste Wereldoorlog naar Nederland uitgeweken omdat hij door de toenmalige bisschop van Brugge, wegens Vlaams-nationale sympathieën uit zijn ambt was ontheven. Volgens Jef François is hij uiteindelijk niet gegaan omdat hij geen toestemming kreeg van de geestelijke overheid.

Fragment: Jef François over de melding van Maurits Geerardijn als kandidaat-aalmoezenier van het Vlaams Legioen.

 

Tijdens de wervingsacties voor het Vlaams Legioen meldde Maurits Geerardyn als aalmoezenier voor het Vlaams Legioen. Hij zou echter nooit vertrekken.

Tijdens de wervingsacties voor het Vlaams Legioen meldde Maurits Geerardyn als aalmoezenier voor het Vlaams Legioen. Hij zou echter nooit vertrekken.

Het Waals Legioen heeft weliswaar drie aalmoezeniers gehad, maar geen enkele onder hen had daartoe de toestemming van de Belgische kerkelijke overheid gekregen.

 


7. Aankomst in Debica

De nagenoeg 400 jonge Vlaamse vrijwilligers, die de op 6 augustus met feestelijke muziek vanuit Brussel vertrokken, kwamen na een wel zeer lange treinreis in het opleidingskamp te Debica terecht. Hun enthousiasme kreeg er een zeer zware deuk. Een hele reeks ontgoochelingen lag er op hen te wachten.
Naast het in het kamp te Debica gelegen Nederlands vrijwilligerslegioen, troffen de Vlaamse rekruten er eveneens hun Vlaamse collega’s van het Waffen-SS vrijwilligersregiment ‘Nordwest’ aan, die al sinds drie maanden waren ingelijfd. Dezen waren op 10 juli ’41 vanuit het opleidingskamp Langenhorn te Hamburg overgeplaatst, en kwamen na een tussenstop in het opleidingskamp Radom -net zoals Debica gelegen in het Generaal-Gouvernement (huidig Polen)- op 3 augustus in Debica aan. Het bataljon Vlaamse Waffen-SS’ers van de ‘Nordwest’ vernam er bij de aankomst van de vrijwilligers van het Vlaams Legioen dat zij in één eenheid zouden worden ingelijfd met de nieuwe rekruten, en er het lager kader zouden vormen. Dit veroorzaakte een storm van protest en na enkele dagen opleiding waren al meermaals hoogoplopende discussies tot stand gekomen tussen enerzijds de Vlaamse vrijwilligers van de ‘Nordwest’ -de eigenlijke Waffen-SS’ers- en anderzijds de vrijwilligers van het Vlaams Legioen. De Vlamingen van de Standarte ‘Nordwest’ weigerden naar het volgens hen minderwaardige Legioen over te stappen, en wensten als Waffen-SS’ers hun SS-rune niet door het zonnerad te vervangen. Omgekeerd was er voor vele vrijwilligers van het Vlaams Legioen, die geen echte Waffen-SS’ers wilden worden, geen sprake van dat zij zouden worden ingelijfd bij de Standarte ‘Nordwest’. Dezen hielden vast aan het hun beloofde Vlaams Legioen, met eigen Vlaamse officieren en Vlaamse commandotaal. Van een Vlaams Legioen had SS-Standartenführer Reich echter nog nooit gehoord. Reich, die afhing van het SS-Führungshauptamt, was blijkbaar niet op de hoogte van de afspraken die betreffende het Legioen waren gemaakt, noch van de plannen van het SS-Hauptamt van Gottlob Berger.
Reimond Tollenaere en Jef François waren niet samen met de legioensoldaten naar Polen vertrokken. Ze waren eerst nog naar Berlijn geweest alvorens naar Debica door te reizen en daar op 23 augustus ’41 toe te komen. Bij hun aankomst te Debica, werden ze bestormd door de Legioenvrijwilligers. Aldus Jef François lag het merdendeel van de problemen niet bij de Duitsers, maar bij de Vlaamse Waffen-SS’ers. De vrijwilligers van het Vlaams Legioen werden door de Vlaamse Waffen-SS’ers als minderwaardig gevonden.
Om de knoop op eenvoudige wijze door te hakken, verzamelde Reich alle Vlamingen van de ‘Nordwest’ en van het Vlaams Legioen, en liet iedereen na een korte uiteenzetting de keuze:
Die SS wird motorisiert und unter Deutsche Führung an der Front eingesetzt. Die Legion wird bespannt und hinter der Front verwendet, als Besatzungstruppen.
Diejenigen der SS, die zur Legion wollen gehören und diejenigen der Legion, die bei der Legion bleiben wollen: links. Diejenigen der SS dei bei der SS bleiben wollen und diejenigen der Legion die zur SS wollen: rechts.

Fragment: Jef François over zijn aankomst met R. Tollenaere te Debica en de scheiding door Reich.

 

In een brief van Reimond Tollenaere aan Staf De Clercq van 25 augustus ’41 legt Tollenaere aan de VNV leider uit hoe alles na tussenkomst van Reich en bemiddeling van Tollenaere voorlopig werd opgelost:

1. 180 man van het Legioen hebben zich vrijwillig gemeld voor de Standarte ‘Nordwest’.
2. De rest, ongeveer 210 (zieken afgetrokken), blijven in een zogenaamd Marschbataljon, dat zal dienen als vervanging en depot voor de eigenlijke Standarte ‘Nordwest’.
3. Standarte ‘Nordwest’ + Marschbataljon vormen het eerste bataljon onder de benaming ‘Vlaams Legioen’. Het kenteken op de mouw is de leeuw. Op de spiegel komt de SS-rune. Ik heb dit laatste met de SS-rune toegegeven omdat:
– alle mannen (op een paar uitzonderingen na, o.m. Balcaen uit Nieuwpoort) ermee akkoord waren;
– er geen onderscheid zou bestaan tussen Standarte en Marschbataljon;
4. Standarte ‘Nordwest’ zou einde oktober ingezet worden. Het Marschbataljon komt nadien.
5. Een Kommandeur voor het Marschbataljon is er tot nog toe niet. De naam Bohez, intussen tot majoor bevorderd, wordt genoemd. In afwachting dat iemand komt, beveelt nu Joyeux (uit Alg. SS-Vl.)
6. Veel is hier bedorven geworden door de officieren, die met het Legioen meegekomen zijn. We hebben daarom Dils en Servais, alsook De Tandt laten liquideren. Ze hebben hier voor de mannen niets gedaan en de twee eersten zijn franskiljons. (Dils hing een Frans visitekaartje aan zijn deur en liet zich vanaf de eerste dag reeds met het uniform van majoor door Van Immerseel (uit Alg. SS-Vl.) schilderen. Dils heeft zelfs de mannen tegen ons opgehitst hun zeggende dat wij nooit gingen afkomen.

Waarom hebben wij deze oplossing als de beste aangezien?

1. De circa 400 man van het ganse Legioen waren als zelfstandige eenheid militair niet te gebruiken: geen bataljon, geen regiment, dus geen gevechtseenheid. Nu bleef de volgende keus: ofwel elkeen aanzetten naar de ‘Nordwest’ te gaan en de anderen te laten naar huis gaan en aldus het Legioen liquideren met de schandelijke politieke gevolgen die er aan vastzitten ofwel aansluiten bij een bepaalde eenheid vermits het toch reeds op voorhand vaststond dat alles afhing van de Waffen-SS. Die eenheid is dan ‘Nordwest’. Ik heb het laatste gekozen, daarmee wordt toch in principe het contract nageleefd.
2. Een grote, wellicht de grootste fout is ook gemaakt geworden door Leib. Van het contract dat Leib met ons afgesloten heeft, wist men hier tot aan de komst van de Vlaamse officieren niets.

Het contract is militair gezien onzin.
De Standartenführer Reich, die een flinke man is, was woedend dat Leib hem niet geroepen had om samen met ons in Vlaanderen de zaak te bespreken. Het is duidelijk dat Leib alle mogelijke beloften gedaan heeft teneinde ‘zijn’ Legioen er door te halen. Hoofdzaak bij Leib was zijn getal hebben. Alles was daarvoor goed. De Standartenführer sprak van Leib in het concentratiekamp te doen steken.
Nu vertrekken Suys, François en ik morgen naar Berlijn om daar nog enige zaken te regelen. Onder meer ook de zaak van de aalmoezenier. Van daar zouden wij naar Lauenburg gaan om de officierenopleiding te hebben. Ge zoudt echter zeker bij de Militär-Verwaltung moeten rapporteren over de toestand. Ook aandringen op de komst van de aalmoezenier want vele van onze mannen vragen daarom. Ook de kwestie van de Kommandeur zullen wij te Berlijn bespreken. Eventueel komen wij als het nodig is nog naar Brussel. Zie daar dus een tweede verslag.
Ik heb vandaag samen met de Standartenführer op het oefenplein tot de mannen gesproken en hun de zaak uiteengezet. Nu we nadien met de manschappen gesproken hebben van man tot man zijn 99% er mee akkoord en vinden het de beste oplossing. Degenen die niet akkoord zijn, hebben wij naar huis laten gaan. Tot nader bericht beste groeten aan de kameraden.

Volgens Reimond Tollenaere hebben zich die dag, 25 augustus ’41, dus 180 legioenvrijwilligers dus opgegeven dat ze zich voor inzet aan het front wilden engageren. Bijgevolg werden ze bij de ‘Nordwest’ ingedeeld. De overige 210 legioenvrijwilligers, die enkel als bezettingstroepen wilden worden ingezet, werden door Reich in een Marschbataljon ingedeeld. Het Marschbataljon fungeerde als reserve voor de Standarte ‘Nordwest’ en het personeel er van zou samen met het Nederlands vrijwilligerslegioen worden opgeleid. Op te merken valt, dat op die manier binnen de Waffen-SS een Dietse eenheid werd opgericht. Deze door Reich voorgestelde oplossing was echter politiek niet houdbaar. Het spreekt namelijk voor zich dat een Dietse eenheid niet naar de wens van Himmler was, en aanleiding ging geven tot nog een herorganisatie.
Op 24 september ’41 werd de SS-Freiwilligen Standarte ‘Nordwest’ dan ook op bevel van het SS-hoofdkwartier opgegeven, en tot een SS-Freiwilligen Legion ‘Niederlande’ en een SS-Freiwilligen Legion ‘Flandern’ omgevormd. Op deze manier ontstond het Vlaams Legioen een tweede keer!

Mouwband van het ‘Frw. Legion Flandern’ in manschappen RZM uitvoering en twee bijhorende Duitse makelij leeuwenschildjes.

Mouwband van het ‘Frw. Legion Flandern’ in manschappen RZM uitvoering en twee bijhorende Duitse makelij leeuwenschildjes.

 


8. Klachten binnen de eigen rangen

Om de wrok bij de VNV-vrijwilligers in het Legioen en de groeiende onrust in de VNV kaders in Vlaanderen te sussen brachten De Clercq en Delvo van de Raad van Leiding van het VNV in oktober ’41 een kort bezoek aan het Legioen dat al eind augustus van Debica naar het opleidingskamp te Arys in Oost-Pruisen was overgeplaatst.

Fragment: Jef François over het bezoek van Staf De Clercq te Arys.

 

Toen De Clercq midden oktober van Arys naar Vlaanderen terugkeerde, deed hij tegenover de VNV krant Volk en Staat alsof in het Vlaams Legioen alles opperbest was. “Ik ben zeer tevreden”, zei de VNV-leider. Wat het Legioen betrof, waren alle problemen van de baan. Maar volgens professor Daels lieten niet minder dan negentig vrijwilligers die kort daarop, eind oktober ’41, het Legioen vaarwel zegden een totaal ander geluid horen. De ene na de andere klaagde. Tevens waren ze er niet over te spreken dat ze zelfs geen kans hadden gekregen De Clercq tijdens zijn bezoek aan Arys zelfs maar te benaderen om hem hun grieven voor te leggen. Ze beschouwden het Vlaams Legioen als oneerlijke ronselaarij voor de SS. Vele vrijwilligers hadden volgens Daels de eerste gelegenheid gezocht om naar huis terug te keren.

In de herfst van ’41 waren de wantoestanden in het Vlaams Legioen zowat een publiek geheim in de VNV-rangen. In de VNV-pers werd daarentegen met geen woord over de problemen en de niet gehouden beloften gerept. De werving ging onverminderd voort. De VNV-leiding liet de opeenvolgende lichtingen Vlaamse Oostfronters alsmaar in de waan dat er in het Legioen geen vuiltje aan de lucht was. Tegenover de telkens nieuwe lichtingen was dit niets minder dan bedrog.

Fragment: Frans Vierendeels vertelt dat de VNV-leiding de lichtingen van het Vlaams Legioen niet heeft ingelicht over de spanningen en problemen.

 

Persfoto genomen tijdens het vertrek van een contingent Vlaamse vrijwilligers voor het Vlaams Legioen (Antwerpen, 1 juli 1942).

Persfoto genomen tijdens het vertrek van een contingent Vlaamse vrijwilligers voor het Vlaams Legioen (Antwerpen, 1 juli 1942).

Ondanks de vele klachten en de oppositie binnen de eigen rangen, bleef de partijleiding van het VNV halsstarrig vasthouden aan de opbodpolitiek tegen de Algemene SS-Vlaanderen om de alleenheerschappij op de Algemene SS te veroveren. Met andere woorden: om het in Vlaanderen te halen, was het VNV er toe bereid vele van zijn beste krachten aan het Oostfront op te offeren. Kortom, de Vlaams-nationale Oostfronterij diende in de eerste plaats om de politieke ambities van de VNV-leiding, en was goed op weg een even grote tragedie te worden als de collaboratie van deze partij.

Fragment: Oswald Van Ooteghem vertelt dat de gewone soldaten niks afwisten van het getouwtrek achter de schermen.

 

De meerderheid van de Vlaamse Legioensoldaten legden zich na verloop van tijd bij de feiten neer. Tijdens de keiharde opleiding in het kamp te Arys in Polen, als later in de kampen te Graz in Oostenrijk en Milowits in voormalig Tsjecho-Slowakije, hadden ze trouwens weinig tijd om te redetwisten. Door Duitse instructeurs werden ze immers volgens de Pruisische methode gedrild tot ze er bij neervielen. De militaire tucht kende geen grenzen; politieke onbetrouwbaarheid, homosexualiteit of kameradendiefstal (verhoudingen met Duitse vrouwen wiens man aan het front was), werden streng gestraft.

Fragment: een propagandafilm over de opleiding van Vlaamse Legioensoldaten.

 


9. Naar het front

Op 4 november 1941 ontving het Legioen een marsbevel om naar het front bij Leningrad-Novgorod te trekken. Met enkele aftandse vrachtwagens moesten de soldaten, met de invallende winter voor de deur, de 2300 kilometer naar het front afleggen. Bovendien konden nauwelijks acht vrijwilligers een vrachtwagen besturen. In één week tijd moesten 140 vrachtwagenbestuurders worden opgeleid. Willens nillens vertrokken de 1010 manschappen, 70 onderofficieren en 25 officieren op 10 november naar het Oostfront. Met temperaturen tot 50° onder nul bevroor dagelijks het nochtans van antivries voorziene koelwater. De vrachtwagens startten pas nadat de olie met een houtvuur onder de motor werd ontdooid. Na een dagenlange tocht bereikte het Vlaams Legioen de streek van Tossno, ten zuiden van Leningrad. Naast Moskou en de olievelden in de Kaukasus was Leningrad één van de drie objectieven van de Duitse veldtocht in de Sovjet-Unie. Leningrad telde daarenboven tientallen ijzer-en staalfabrieken die voor de Russische oorlogsindustrie van vitaal belang waren. Na aanvankelijke successen liep het Duitse offensief in de winter van ’41 voor de poorten van Moskou en Leningrad vast. Leningrad werd jarenlang belegerd maar niet veroverd. Negenhonderd dagen zou de belegering duren, waarbij niet minder dan 600 000 doden van honger en ontbering en van oorlogsgeweld om het leven kwamen.
Het Vlaams Legioen werd aanvankelijk niet rechtstreeks in de strijd om Leningrad ingezet. De Duitse legerleiding beschouwde de Vlaamse vrijwilligers immers als onvoldoende opgeleid en besloot ze met de 2.SS-Infanterie Brigade als bezettingsleger achter het front in te zetten. Daar kwam het Legioen tegenover de Russische partizanengroepen te staan die de Duitse bevoorradingscolonnes bestookten. Voor het eerst maakten de Vlamingen kennis met de genadeloze strijd die Duitsers en partizanen voerden, en spoedig vielen de eerste doden van het Vlaams Legioen: Frans Claes uit Kalmthout, Theo Desmet uit Grembergen, Juul Hemer uit Luik, Marcel Pede uit Okegem, Jozef Timmermans uit Waterschei en Ward Benoni Snel uit Denderleeuw.

Fragment: Karel Verlinden over de inzet tegen partizanen en de eerste doden van het Vlaams Legioen.

 

Na een eerste korte inzet tegen de Russische partizanen, werd het Vlaams Legioen midden december ’41 uit de streek van Leningrad teruggetrokken, en in Letland op winterkwartier ondergebracht.

Fragment: Jef François over het korte winterkwartier te Letland en het daaropvolgende vertrek naar het front.

 

Kort daarna werd het Vlaams Legioen wel degelijk aan het front ingezet, namelijk in het moerassig Wolchow-gebied. Daar poogde het Tweede Russische Leger de Duitse omsingeling rond Leningrad te doorbreken. Een versterkte compagnie Vlaamse Legioensoldaten onder leiding van de Duitse SS-Obersturmführer Breymann moest de gaten vullen die door het Russische offensief in de Duitse linies waren geslagen. Van hieruit schreef R. Tollenaere op 2 januari ’42 zijn laatste brief aan Staf De Clercq waarin hij vertelde dat hij met zijn compagnie zou worden ingezet en dat hij zich nu eindelijk kan laten gelden. Op 19 januari 1942 werd de Vlaamse Kampfgruppe Breymann in de strijd geworpen. De Vlamingen kregen het bevel het dorpje Kopzy, gelegen op de weg Novgorod-Tjoedovo, op de Russen te heroveren. Door het gebrek aan frontervaring, van zowel de manschappen als de Duitse officieren, leed de Kampfgruppe Breymann zware verliezen. Van de 120 Vlaamse soldaten bleven er 24 over. Tijdens de gevechten zocht R. Tollenaere op 22 januari ’42 samen met drie andere soldaten bescherming in een blokhut. Eén van de justeerschoten, die werd afgevuurd door de bevriende artillerie kwam op hen terecht. De blokhut spatte uiteen en de vier manschappen waren op slag dood.

Fragment: de gevechten bij Kopzy door de Kampfgruppe Breymann.

 

Fragment: Leo Tollenaere vertelt hoe Reimond Tollenaere bij Kopzy sneuvelde.

 

Bij nader inzien bleek dat de richtschoten niet konden uitgaan van Duitse artillerie aangezien die er niet was, maar wel van de Spaanse artillerie die daar in de beurt was opgesteld. Aan het Oostfront had Franco ook een Spaans Legioen, de zogeheten Division Azul – of Blauwe Divisie – ingezet. Het omkomen van Reimond  Tollenaere was voor het VNV het startsein van een ware heldencultus aan de gevallen Kommandant-Generaal van de DM/ZB. Opvallend, maar wel te begrijpen daarbij, was dat de juist toedracht van Tollenaeres dood, namelijk een foutieve inslag van de eigen artillerie, nauwelijks een woord werd gerept. Het werd zo voorgesteld alsof Tollenaere aan het hoofd van zijn troepen door kogels van de bolsjewistische vijand was gesneuveld. In de Vlaamse kranten werd de naam van Tollenaere voortaan in één woord genoemd met die van de gesneuvelde Vlaamse voorvechters uit de Eerste Wereldoorlog: de gebroeders Van Raemdonck, Joe English, Juul De Winde, en anderen. Tollenaere werd verheven tot het symbool van Vlaams bloed aan het Oostfront. Aan trouwe leden van de DM/ZB werd voortaan een Tollenaere Trouwkenteken uitgereikt, en in mei ’42 hield de DM/ZB te Brussel een massale Tollenaeremars.

DSC01701

Reimond Tollenaere Trouwkenteken in zilver en brons

Kortom, Tollenaere werd het uitgangbord waarmee het VNV nog meer vrijwilligers voor het Vlaams Legioen hoopte te verwerven, aldus haar positie in de strijd om de alleenheerschappij in Vlaanderen te versterken. In het blad De Nationaalsocialist verklaarde Staf De Clercq op 28 februari ’42:

“De kameraden die in het oosten gevallen zijn dienen vervangen te worden. Vlaanderen zal trouwens een grote krachtinspanning doen om nog voor de lente een tweede bataljon bij het Vlaams Legioen in te zetten. Het voorbeeld van onze onvergetelijke vriend Reimond Tollenaere, beziele de knapen van Vlaanderen.”

Fragment: na de dood van zijn broer, Reimond Tollenaere, vertrok Leo Tollenaere zelf naar het Oostfront.

 

10. De gevechten bij Wesky-Semptitzy, de Wolchow-moerassen en Alexandrovka-Poesjkin

R. Tollenaere was slechts één van de vele Vlamingen die tijdens de maandenlange slag om het Wolchowgebied het leven liet. Onophoudelijk bleef het Tweede Russische Leger immers op de Duitse en ook Vlaamse stellingen stormlopen in de hoop de doorbraak naar Leningrad te forceren en de omsingelde stad te ontzetten. De Vlamingen onderscheidden zich in die mate dat ze op 10 februari ’42 in de berichten van de Wehrmacht werden genoemd:
“Aan het Oostfront leed de vijand in het verloop van aanhoudende gevechten, zware, bloedige verliezen. Eigen aanvalspogingen brachten plaatselijk resultaten op. Zestien vijandelijke pantsers werden vernietigd. Voor Leningrad bleven nieuwe, door sterke krachten gevoerde uitbraakpogingen zonder gevolg. Legerartillerie beschoot doelen die voor de oorlog van belang waren bij Kronstadt, met goede resultaten. Bij de succesrijke afweer van de hevigste massale aanvallen van de vijand hebben de 25. gemotoriseerde Württembergse Infanteriedivisie en het SS-Legioen Vlaanderen zich bijzonder onderscheiden.”

Fragment: tijdens de gevechten in het Wolchow-gebied werden begin 1942 heel wat Sovjet-soldaten gevangen genomen.

 

Begin maart 1942 strandde het Russische offensief in de Wolchow-moerassen. De Duitse legeroverheid besloot de vastgelopen Russische aanvalsspits onschadelijk te maken door hen ein zu kesseln. In het kader van deze operatie kreeg het Vlaams Legioen de opdracht de stellingen van twee Russische regimenten langs de weg van Wesky naar Semptitzy op te rollen. Nochtans hadden de Vlamingen op dat moment reeds zware verliezen geleden, maar SS-Sturmbannführer Lippert, de Duitse bevelhebber van het Vlaams Legioen, dikte de getalsterkte van zijn eenheid aan om in het kader van de geplande operatie van zijn oversten toch maar een behoorlijke opdracht te krijgen.

Fragment: Jef François vertelt over de gevechten bij Wesky-Semptitzy.

 

Welgeteld 108 Legioensoldaten bleven er over toen een volledig leeggebloed Vlaams Legioen na een dagenlange strijd in de metershoge sneeuw van het front werd teruggetrokken. Honderden Vlamingen sneuvelden, werden gewond, of door bevriezing uitgeschakeld. Voor de moed die het Vlaams Legioen tijdens de inname van niet meer dan vijfentwintig vijandelijke bunkers had getoond, kreeg het op 4 maart ’42 een tweede eervolle vermelding in het Duits Wehrmachtbericht. Maar de Duitse eretekens, zoals het EK I en EK II, die na afloop van de strijd werden uitgedeeld, gingen meestal naar de Duitse officieren en onderofficieren. Zo werden aan de 4. Kie van het Vlaams Legioen twaalf IJzeren Kruisen Eerste Klas uitgedeeld. Elf daarvan gingen naar Duitsers. Slechts één werd aan de Vlaming Juul Geurts uitgereikt.

Fragment: na de gevechten bij Wesky-Semptitzy was Jef François getuige van het begraven van de gesneuvelden.

 

Fragment: Karel Verlinden vertelt hoe de gesneuvelden werden begraven.

 

Fragment: Piet Vleminckx over de gevechten aan het Wolchowfront.

 

Fragment: Propagandafilmpje over de toestand in de Wolchow-moerassen, na de dooi van ’42.

 

De zware verliezen van het Vlaams Legioen beletten de Duitse legerleiding niet de nog valide Vlamingen in te zetten om nog op talrijke plaatsen aan het Duitse omsingelingsfront aan de Wolchow de gaten te dichten. Om de eigen manschappen te sparen, waren de Duitse generaals niet vies om niet-Duitse vrijwilligerseenheden als het ware op te gebruiken in zogeheten Fuerwehrauftragen, die door de Vlamingen pompiersopdrachten werden genoemd.

Einde juni 1942 werden de laatste resten van de omsingelde Sovjeteenheden opgerold. Zowel aan Duitse als aan Russische zijde hadden duizenden doden de moerassen en bossen van de Wolchow tot een waar lijkenveld herschapen, waar zwermen insecten en een verschrikkelijke, alles doordringende stank ontstonden. Duizenden Russen werden krijgsgevangen gemaakt, onder hen de bevelhebber van het Tweede Russische Leger, generaal Vlassov, die later een door de Duitsers opgericht Russisch Bevrijdingsleger zou bevelen. In het Wehrmachtbericht van 29 juni ’42 was er sprake van de strijd die Spaanse, Nederlandse en Vlaamse vrijwilligers hadden gevoerd in februari aan het Wolchow-front. Het bericht werd triomfantelijk overgenomen in de collaboratiepers:
“Opnieuw werd in het legerbericht van 29 juni gewag gemaakt van de daden van de Vlaamse vrijwilligersformaties. Zij hebben zich buitengewoon onderscheiden in de slag aan de Wolchow. Vol trots ziet het Vlaamse volk neer op zijn zonen, die in het Oosten, Europa van het bolsjewisme redden.”

Begin juli ’42 werd wat er nog overbleef van het Vlaams Legioen, dat was op dat ogenblik een kleine 130 manschappen, van het front teruggetrokken. Op dat ogenblik waren tientallen uitgeschakeld door moeraskoorts, maag- en darmontstekingen en etterende wonden aan benen en voeten. Na in het totaal zes maanden ononderbroken frontinzet, in de meest barre omstandigheden werd het Vlaams Legioen voor de eerste maal met rust gestuurd. Na enkele weken rust werd het Vlaams Legioen aangevuld met verse rekruten uit het opleidingskamp van Graz in Oostenrijk, en  op 21 juli 1942 onder leiding van een  nieuwe Kommandeur, namelijk SS-Hauptsturmführer Konrad Schellong, weer voor een nieuwe inzet naar het omsingelingsfront van Leningrad overgeplaatst. In de tweede helft van augustus 1942 werd het Legioen naar de streek van Alexandrovka en Poesjkin overgeplaatst. In een uitgebreid loopgravennetwerk, dat diep in de vijandelijke linies door drong. Daar vochten de Vlamingen maandenlang in een zenuwslopende stellingoorlog, die voornamelijk ‘s nachts werd gevoerd, zonder dat ze werden afgelost, en zonder dat ze zich konden wassen of van kleren verversen.

Fragment: Adolf Boterberg vertelt over de gevechten bij Leningrad.

 

11. De tegenstelling VNV – Algemene SS-Vlaanderen

Ook op het zogeheten thuisfront waren ondertussen grote problemen gerezen. Medio ’42 had het VNV nog nauwelijks controle op het Vlaams Legioen. In tegenstelling tot het Waals Legioen, dat door Franstalige Belgische officieren werd bevolen, bleef de leiding van het Vlaams Legioen volledig in Duitse handen. Niettemin zette het VNV de werving voor het Oostfront onverstoord voort; en met reden. Eind ’41 was er namelijk naast de Algemene SS-Vlaanderen een tweede concurrent op het binnenlandse politiek vlak verschenen, namelijk de DeVlag. Onder steun van de SS evolueerde deze van een aanvankelijk louter culturele beweging tot een geduchte politieke tegenstrever van het VNV. Het vertrek van een nieuwe contingent Vlaamse vrijwilligers op 29 augustus ’42 was voor de DeVlag een eerste hoogtepunt in haar anti-VNV campagne. Van de SS had de DeVlag de opdracht gekregen om de massa te leveren, en zo te bewijzen dat ook zijn in staat was om volk op straat te brengen. Op vijf dagen tijd waren duizenden leden en sympathisanten opgetrommeld om bij het vertrek aanwezig te zijn. VNV’ers waren gelokt met de mededeling dat Staf De Clercq het woord zou voeren. De Clercq weigerde echter bij het vertrek op het podium te verschijnen  naast de DeVlag leider, Jef Van De Wiele, die volgens De Clercq: “straffeloos het VNV en haar Leider belasterde en door het slijk haalde”.

Fragment: het vertrek van een contingent Vlaamse vrijwilligers van op de Grote Markt te Brussel op 29 augustus ’42./em>

 

De DeVlag had haar slag thuis gehaald: de werving voor het Legioen was niet langer een VNV-monopolie. Het Vlaams Legioen werd voortaan een twistappel in de bittere strijd tussen het VNV en de DeVlag om de politieke alleenheerschappij in Vlaanderen. Die tweestrijd had aanvankelijk slechts zeer geringe repercussies bij de Vlaamse vrijwilligers. Wellicht was dat te wijten aan de geringe politieke gebondenheid van de Vlaamse vrijwilligers: twee derden onder hen was trouwens noch bij het VNV, noch bij de DeVlag, noch bij de Algemene SS-Vlaanderen aangesloten.

Fragment: Karel Verlinden over het feit dat onder de vrijwilligers nauwelijks over politiek werd gepraat.

 

Op de uitdagingen van de DeVlag reageerde VNV-leider Staf De Clercq in september ’42 met een ware oorlogsverklaring:

“De tijd der lankmoedigheid is voorbij. We zijn bereid het uit te vechten. Het VNV is de enige Nationaalsocialistische beweging in Vlaanderen.”
Aan het Duits militair bestuur vroeg De Clercq een standpunt in te nemen. Om zijn argumenten kracht bij te zetten, overhandigde De Clercq aan de Militärverwaltungschef Reeder een klachtendossier over het Vlaams Legioen, dat tevens een ondubbelzinnige aanklacht vormde tegen de praktijken van de DeVlag en de Algemene SS-Vlaanderen:
“Het materiaal dat wij verzameld hebben, zal ten overvloede bewijzen hoe alles in het werk is gesteld geweest, aan- en achter het front, om de Vlamingen te honen en te vernederen; om de Beweging en haar Leider er van het meeste misprijzen te behandelen, te lasteren en te beledigen. In geen geval kan deze bundel bekend gemaakt worden in Vlaamse middens. De verontwaardiging zou zo enorm groot zijn dat de verhoudingen tussen het Rijk en het nieuwe Vlaanderen er op onnoemelijke wijze zouden door geschaad worden.”
En inderdaad, de inhoud van deze klachtenbundel van De Clercq loog er niet om. Zowel bij de werving in Vlaanderen, als in de Duitse opleidingskampen waren misbruiken en wantoestanden schering en inslag, en werd het VNV op alle mogelijke manieren door de DeVlag en de SS gedwarsboomd, gekleineerd en belachelijk gemaakt.

Het door De Clercq gekoesterde droombeeld van van het Vlaams Legioen het toekomstig Vlaams leger te maken, bleek een nachtmerrie te zijn geworden. Als onderdeel van de Waffen-SS bleef het Legioen volledig aan de controle van het VNV onttrokken. De honderden door het VNV gerontselde vrijwilligers die sedert november ’41 aan het Oostfront stonden ener sneuvelden, bleven door hun eed aan de SS gebonden, dat als enig doel had Vlaanderen als een gouw in het Groot-Germaanse Rijk in te lijven.
Het was een verbitterde en een ontgoochelde VNV-leider die kort nadien op 22 oktober ’42 in een Gents ziekenhuis aan een leveraandoening overleed. Oostfronter Verlinden had De Clercq in juni ’42 nog bezocht, zoals ook Bert Moreels samen met een andere Oostfronter.

Fragment: Karel Verlinden had Staf De Clercq in juni ’42, enkele maanden voor zijn overlijden, nog bezocht.

 

Fragment: Bert Moreels over zijn laatste bezoek aan Staf De Clercq, Leider van het VNV.

 

12. De gevechten bij Krasny-Bor

Nog voor de Russische overwinning te Stalingrad op 2 februari 1943 hadden de Sovjetrussische bevelhebbers aan het Wolchow- en aan het Leningradfront de opdracht gekregen zich gereed te maken voor een krachtig Sovjetoffensief dat zich van de Kaukasus tot Leningrad ontwikkelde. In januari ’43 poogden de Russen voor een tweede maal Leningrad te ontzetten. Niet minder dan drie Russische infanteriedivisies beukten daarbij ter hoogte van Krasny-Bor op de stellingen van de Spaanse Blauwe Divisie in. De Spanjaarden werden totaal overrompeld en verloren op drie dagen tijd 3200 manschappen. Op 20 maart ’43 kreeg het Vlaams Legioen, dat sinds enkele weken voordien in reserve achter de Spanjaarden was gelegen, het bevel de Spaanse stellingen met een stormloop op de Russen te heroveren. De Vlamingen slaagden in hun opdracht, maar van de 500 ingezette soldaten overleefden slechts een veertigtal de stormloop.

Fragment: Piet Vleminckx over de gevechten bij Krasny-Bor: in zijn compagnie bleven nog één officier en 5 manschappen over.

 

Fragment: Adolf Boterberg over de gevechten bij Krasny-Bor.

 

13. Het einde van het Vlaams Legioen

Nadat het Vlaams Legioen in de strijd te Krasny-Bor zware verliezen had geleden, werd het op 14 april ’43 voorgoed van het Leningrad-front weggehaald, en voor opfrissing naar het kamp te Debica in Polen overgebracht. Daar werden eind april ’43 de eerste verlofbrieven uitgedeeld. Sommige Vlaamse vrijwilligers keerden voor het eerst in zeventien maanden naar huis terug. Bij hun terugkeer uit verlof stond hen een grote verassing te wachten: het Vlaams Legioen bestond niet meer.