•  
  •  

Verdinaso

Een synopsis…

Index:


1. Inleiding

Le grand mal de la Flandre est de ne pas avoir d’aristocrates, lezen we in de na-oorlogse dagboeknotities (1920) van Joris van Severen, de latere leider van het Verdinaso (Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen). Hierbij ging het om een uitspraak van de Waalse officier Dufour aan ‘sublieme deserteur’ Karel de Schaepdrijver, met wie Van Severen aan het IJzerfront bevriend was. Uit zijn dagboeken en brieven weten we hoe hij vier jaar lang de hele IJzertragedie meemaakte, en verweesd, onteerd, gekwetst en verbolgen uit de oorlog kwam.
Het toen hoofdzakelijke cultuurflamigantisme van de Vlaamse Beweging (waarbij het hoogste doel de ontwikkeling was van de eigen volkscultuur), de schrijnende politieke onmondigheid van de talrijke Vlaamse boerenjongens in soldatenplunje tijdens de Grote Oorlog, de -aanvankelijk- als bevrijding aanvoelende bolsjewistische machtsgreep in Rusland (die de jonge Van Severen dreef tot een zeker emotioneel bolsjewisme verbonden met Vlaams-nationale motieven), en het uitblijven van de inwilliging van de Vlaamse eisen na de wapenstilstand van 1918 hebben een onmisbare invloed gehad op de levens- en maatschappijleer van Joris van Severen. De aanzetten tot de oprichting van het Verdinaso vinden we hierom met andere woorden al terug in zijn oorlogsdagboek.

In deze bespreking willen we het Verdinaso van Joris van Severen vooral kaderen en typeren in de jaren van het interbellum. Tezelfdertijd willen we dit alles tevens in het licht van de evolutie van Van Severens ideologie plaatsen en dusdanig een degelijk genuanceerd beeld onder ogen brengen, dit in tegenstelling tot bepaalde online te raadplegen bronnen die bij het Verdinaso en Joris van Severen het beeld van Van Severen schetsen als nationalist, potentiële collaborateur en ordinaire fascist. De nuancering in deze bronnen is soms als dusdanig afwezig, waardoor de drie voorgaande typeringen zelfs haast als synoniemen worden gebruikt.
In het volgende pogen we een ideologisch-biografische schets van Joris van Severen en zijn Verdinaso weer te geven, en tevens de evolutie van bepaalde begrippen uit zijn ideologische discours in deze biografische context te verwerken. Wat dat laatste betreft zijn we ons bewust dat hierbij van verschillende invalshoeken gebruik moet worden gemaakt, namelijk van zowel de psychologische ontwikkeling van de persoon Joris van Severen, als van de vaststelling dat zijn ideeën wortelden in de algemene intellectuele context van de beginnende twintigste eeuw en exemplarisch waren voor één bepaalde mentaliteit tijdens het interbellum, die haar wortels had in zowel het fin-de-siècle, als in de psychische schok van de Eerste Wereldoorlog, de Russische Revolutie van 1917, de economische crisis van 1929 en volgende jaren, de aftakeling van de parlementaire democratie en de opkomst van autoritaire regimes in Europa. (Naast de Sovjet-Unie in de eerste plaats het fascisme in Italië vanaf 1922). Zoals Romain Vanlandschoot in navolging van J. Kok al citeerde, is het uitspitten van een volledige levensloop geen sinecure. De beschrijving van die levensloop heeft namelijk behoefte aan een evenwichtig verband tussen het alledaagse gedrag van de gebiografeerde en de grote maatschappelijke samenhangen. Dit laatste is onmogelijk wanneer men verzaakt aan het objectief in beeld brengen van die permanente wisselwerking tussen de beïnvloeding door de omgeving en de beïnvloeding van de omgeving.

Na de Eerste Wereldoorlog werkten de frustraties van de niet vervulde Vlaamse eisen in de richting van een verstrakt Vlaams staatsnationalisme. Aangezien (politiek) nationalisme slechts een principe is en geen ideologie, vertelt dit nationalisme niets over hoe de samenleving dient te worden georganiseerd. De in wezen democratische en pluralistische Frontpartij werd om deze reden op korte tijd met tal van tegenstellingen geconfronteerd, en binnen de partij tekenden verschillende strekkingen zich af. Door middel van het Verdinaso poogde Joris van Severen een einde te stellen aan deze onmacht van de versnipperde Vlaams-nationalistische groepen en een volledige staats- en maatschappijhervorming door te drukken: het nationaal-solidarisme, met zijn corporatieve ordening van de samenleving. Van Severen hield in zijn invulling van het corporatisme uiteindelijk zowat het midden tussen de klassieke conservatief-katholieke interpretatie, gepromoot in de encycliek Quadragesimo Anno uit 1931, en de Italiaans fascistische interpretatie.
Het Verdinaso mag dan wel in de jaren dertig zijn opgericht, zoals al aangehaald kunnen we de aanzetten daartoe al in het oorlogsdagboek van Joris van Severen terugvinden: zowel de methode (evolutie van binnen uit, groeien van de nieuwe geest tot hij door de kracht der waarheid stilaan de kwade machten overrompelt), als het kernprogramma, en het (leninistische) model van de kaderpartij. Onder dit laatste verstaat men de politiek bewuste keurploeg (minderheid) die de onbewuste massa zal leiden naar democratie. In het volgende zal ook blijken dat het hier in deze bewoording bij Van Severen niet ging om parlementair-democratische overtuiging in conventionele zin, maar om het typische socialistisch linkse onderscheid tussen democratie als sociaal-economisch concept (sociale gelijkheid) en democratie als politiek begrip. Omstreeks 1920 zal Van Severen nog noteren dat voor de verwezenlijking van die democratie dictatuur nodig is om het ter waarheid te brengen, de dictatuur der geestespartij. Men kan enigszins verbaast zijn dergelijk ‘links’ gedachtegoed bij de latere Dinaso-leider aan te treffen, maar zoals later volgt kan men eenvoudigweg niet voorbijgaan aan deze fase in de ideologische ontwikkeling van Joris van Severen: de latere Van Severen ging ‘getekend’ blijven door zijn aanvankelijke bewondering voor een aantal ideeën en verwezenlijkingen van de radicale linkerzijde.

Tussen zijn ontstaan in 1931 en het feitelijke einde in 1940 stond het Verdinaso niet stil, maar evolueerde het zowel inhoudelijk als uiterlijk.
Een eerste belangrijke verandering was het in 1934 vervangen van het flamigantisme en de Groot-Nederlandse idee (alle Nederlandstaligen in één staat) door een ‘Belgische koers’ en de ‘Heel-Nederlandse’ gedachte (de ‘Bourgondische Nederlanden’ of de latere Benelux). Deze koerswijziging, de nieuwe marsrichting genoemd, zou Van Severen de banbliksems van de Vlaamse Beweging opleveren en het verwijt dat hij volksnationalisme inruilde voor een eerder belgicistische voluntaristisch-civiele rijksgedachte (staatsnationalisme).
De tweede belangrijke wijziging was het drastisch milderen van het agressieve, militaristische vertoon van de beginjaren tot een meer gematigde, haast burgerlijke stijl tegen het einde van de jaren dertig. Zoals Stijn Geudens hierbij terecht formuleerde kan men hierom het Verdinaso, meer nog dan een politiek initiatief in de enge zin van het woord, terecht een project van volksverheffing noemen, zo typisch voor de tijd van het interbellum. Centraal daarbij stonden de katholieke leer, en de ideeën over orde en discipline zoals Joris van Severen die in zijn collegetijd bij de jezuïeten had leren kennen. Tekenend is ook dat Van Severen, net als de Heilige Benedictus, een Leefregel opstelde. Het maakte het Verdinaso haast een geestelijke orde. Deze ordegedachte en de daarin verwezenlijkte permanente vorming is de reden waarom Joris van Severen, naast zijn charismatische persoonlijkheid, ook na zijn dood zo’n grote invloed op zijn vroegere medestanders bleef hebben. Van Severen was in die context een opvoeder, een vormer, en een bouwer. Hij omschreef zijn taak in 1934 als volgt: “Mijn taak, mijn ambacht (métier): mensen vormen, die in’t leven als krachten van schoonheid, edelmoedigheid en goedheid willen werken.” Ze vormden de volkse en tevens adellijke gestalte aan het Dinaso die in 1936 de enige aristocratische revolutie van deze tijd werd genoemd. Het blad Hier Dinaso! (HD) omschreef de beweging in hetzelfde jaar als volgt: “Het Dinaso is een strijd van het politieke verstand, de orde, en de aristocratische levenshouding (de voornaamheid) tegen de domheid, de wanorde, en den bourgeoisgeest die de incarnatie is van den geldgeest” (HD, 11.4.1936).

Naast de hierboven vermelde inhoudelijke en uiterlijke evolutie van het Verdinaso, wensen we tot slot van deze inleiding te benadrukken dat Joris van Severen tijdens de Tweede Wereldoorlog nooit heeft gecollaboreerd. Dit om de eenvoudige reden dat hij al op de eerste oorlogsdag als ‘staatsgevaarlijk’ element werd opgepakt, en nadien naar Frankrijk werd gevoerd, waar hij tien dagen na zijn arrestatie samen met twintig medegevangenen werd vermoord. Over de vraag waarom de ‘belgicist’ Van Severen op de verdachtenlijst stond, bestaat nog steeds onduidelijkheid. De dood van Joris van Severen betekende het feitelijke einde van het Verdinaso. Een deel van de beweging werd in het eerste bezettingsjaar opgeslokt door het VNV, en kwam in de collaboratie terecht. Andere Verdinaso-aanhangers -onder wie niet de minsten- engageerden zich dan weer in het verzet. Aangezien Van Severen in de periode voor het uitbreken van de oorlog Hitler geregeld zwaar op de korrel nam, en dit in Berlijn ongetwijfeld geweten was, is het niet ondenkbaar dat, mocht van Severen niet vermoord zijn, hij uiteindelijk (als gevangene) in een Duits concentratiekamp zou zijn terechtgekomen.
Bij de bevrijding, in 1944, wees een circulaire van Maurice Verbaet, Minister van Justitie, er in het kader van de juridische repressie op dat lidmaatschap van het Verdinaso geen strafbaar feit was.

2. Tijdens het Interbellum: van Frontbeweging over Vlaamsch Front tot Dinaso-geest

Hoewel het de hoofdbedoeling van dit artikel is een beeld te schetsen hoe het Verdinaso in de collaboratie is verzeild geraakt, willen we eerst een flinke stap terug in de tijd gaan en de omstandigheden schetsten hoe Joris van Severen er toe gekomen is zijn beweging op te richten en de merkwaardige evolutie die het in het interbellum heeft gekend.

a. Na het IJzerfront het Vlaamsche Front

 (1) Situatie na de wapenstilstand van 1918

Op 11 november 1918 werd een punt gezet achter een loopgravenoorlog die vier jaar lang had aangesleept. Na het einde van de oorlog was voor flamingantisme geen plaats meer, en vele activisten, die gehoopt hadden met behulp van Duitsland de Vlaamse eisen door te drukken, zaten in de gevangenis of waren uitgeweken. Door de patriottische roes die na de wapenstilstand onder de bevolking leefde, en door de vereenzelving met het activisme, was de Frontbeweging eveneens lamgeslagen. Deze Frontbeweging had gedurende de oorlog actief verzet gevoerd tegen de vernedering van Vlaams sprekende frontsoldaten. Joris van Severen, die in 1914 werd opgeroepen, was tijdens de oorlog bevorderd tot officier, maar omwille van zijn Vlaams gezindheid tijdens de oorlog gedegradeerd tot onderofficier. Van Severen speelde geen dermate rol in de Frontbeweging, maar hij radicaliseerde wel. Geschokt door de oorlogsgruwel begroette de conservatief katholieke Van Severen in 1917 de Russische Revolutie. Historicus Luc Pauwels, die de evolutie van Joris van Severens ideologie onderzocht, ziet dit via een antimilitaristisch engagement vanaf eind 1916 verschuiven naar een zekere links-revolutionaire ideologie. Hierbij ging het niet om een doordacht Marxisme, maar om een zeker emotioneel-bolsjewisme verbonden met Vlaams-nationale motieven.

 Na de wapenstilstand bereidden de overwinnaars een vredesverdrag voor en werd dit Duitsland opgedrongen. Pas na grote buitenlandse druk, de bezetting van de Rijnstreek, hongerblokkades van Duitse havens door de geallieerden en de vrees voor een nieuwe oorlog, maar ditmaal op Duits grondgebied, ondertekende de Duitse regering op 22 juni 1919 het haar opgelegde verdrag van Versailles. In de ogen van de Duitsers ging het hier echter om een Diktaatfrieden. Onderofficier Van Severen gaf Duitsland gelijk als het aanvankelijk weigerde de sjacheraarsvrede van Versailles te onderteken. Ook in zijn ogen was deze een capitulatie voor ’t walgelijkste imperialisme dat bestond. De weergegeven citaten lezen we in de bewaard gebleven (oorlogs)dagboeken en brieven van Van Severen. Ondertusesn was Van Severen kritisch tegen alle vormen van vaderlandsliefde aangezien deze volgens hem aan de basis van oorlogen lagen. Pas nu konden alle frontsoldaten die de vierjarige broedermoord hadden overleefd worden gedemobiliseerd en het nieuwe leven beginnen. Doorheen het schrijnende besef aan onmenselijkheid van het oorlogsgebeuren -resulterend in de vaste wil tot nooit meer oorlog– bleef overal in Europa toch iets van de oude frontgeest bewaard. Herinneringen aan het samen doorgemaakte leed waren tevens herinneringen aan ervaren edelmoedigheid en heldhaftigheid, aan offerbereidheid, dienende inzet en grootmenselijke daadkracht, die velen samenbond in een hechte gemeenschap.

(2) Eerste naoorlogse verkiezingen in 1919

Bij de eerste naoorlogse verkiezingen in 1919 werd in België het algemeen enkelvoudig mannenkiesrecht ingevoerd. De vrouwen zouden hun parlementair kiesrecht pas in 1948 toegekend krijgen. (Uit vrees dat de vrouwelijkse sekse fervent katholiek zou stemmen, hadden socialisten vrouwenkiesrecht telkens weer weten tegen te houden). De Vlaams-gezinde oudstrijders riepen in 1919 het Vlaamsche Front of de Frontpartij in het leven. De groepering sloot nauw aan bij de vroegere Frontbeweging en had als voornaamste eis zelfbestuur voor Vlaanderen. Onderzoek naar de stichingsgeschiedenis van de Frontbeweging toont aan dat heel wat prominenten direct na de oorlog in een revolutionaire stemming verkeerden, en meenden de gebeurtenissen naar hun hand te kunnen zetten. Het Vlaamsche Front zag zichzelf meer als een tijdelijk en voorlopig samen strijden dan als een nieuwe partij. De formule van de Frontpartij verzamelde diverse, zelf ver uiteenlopende elementen op basis van godsvrede. Dat wil zeggen dat iedereen in de partij verbonden was om het doel: de zelfstandigheid van Vlaanderen na te streven, maar vrij bleef ten opzichte van andere domeinen, vooral de sociale en economische, en ook het godsdienstige. Er was bijgevolg geen eenheid in de opvattingen. Zelfs nopens het hoofddoel, het zelfbestuur van Vlaanderen, waren verschillende strekkingen aan te wijzen. Hoe ver moest dit zelfbestuur gaan? Wat betekende de zelfstandigheid van Vlaanderen: gematigd zelfbestuur, federalisme, afscheiding van België of tenslotte het samenvoegen van Vlaanderen met Nederland? Het godsvredestandpunt moest samenwerking van gelovigen en vrijzinnigen mogelijk maken en dit vormde voor veel katholieke Vlamingen een struikelblok. Wegens het gebrek aan een landelijke leiding en een consensus wat betreft de volgen methode slaagde men er niet in een zekere eenheid te bewerkstelligen.

b. Periode 1919-1924: “In het Vlaamsche volk moet den wil naar democratie, internationalisme, antimilitarisme gezaaid worden” (Joris van Severen)

(1) Door de kracht der waarheid

Joris van Severen was in 1919 van mening dat het Vlaamsche Front de voortzetting betekende van de Frontbeweging. Hij zag het als een revolutionaire beweging die desnoods met geweld al het oude, ziekelijke, uitstervende moest opruimen. Met het oude bedoelde Van Severen ongetwijfeld ook België, dat voor hem niet snel genoeg kon verdwijnen. “Voor Vlaanderen is er maar één oplossing: de machtsoplossing, en al de rest is pezeweverij om kleine kinders en dwaze lummels in slaap te wiegen, en al wie, Vlaming, de volledige autonomie voor Vlaanderen niet wil, is een dwazerik of een volksverrader.” Op dat moment heeft Van Severen nog steeds geen afstand genomen van het bolsjewisme, en was hij nog steeds gefascineerd door de gebeurtenissen in Rusland.

 In 1921 was Van Severen verkozen als volksvertegenwoordiger voor het Vlaamsche Front in het arrondissement Roeselare-Tielt. Van zijn onvoorwaardelijke revolutionairschap had hij ondertussen enigszins afscheid genomen. In de politiek was er immers in de eerste plaats wijsheid nodig. Eerder dat jaar was hij gestart met het tijdschrift Ter Waarheid, waar hij de vernieuwing die hij zo betrachtte, gestalte probeerde te geven. Het blad was een exponent van een tijd met enorm hoge verwachtingen en het knoopte volledig aan bij de idealistische levensbeschouwing die kort na de oorlog zo sterk opleefde. Het tijdschrift wilde het Vlaams-nationalisme verdedigen en het had een katholieke basis. Men streed tegen imperialisme, geldmisbruik, pseudo-vaderlandsliefde, persdwang, militarisme en alle kwakzalverij. Van Severen droomde ervan een synthese te bouwen van de Europese-Germaanse-Latijnse-Russische geest. In het blad riep hij op tot apostolaat door kunst en het verkondigen van de waarheid, de leer van Christus. Uit de plicht tot waarheid leidt hij af wat volgt: “Ieder volk heeft niet alleen het recht, maar ook den duren plicht zich-zelf te zijn.” De weg daartoe kan enkel over zelfstandigheid lopen. Gevolg: “Ter dood dus aan alle imperialisme en zijn trawanten.”(Onder meer geldmisbruik, militarisme en pseudo-vaderlandsliefde). De opsteller breekt een lans voor de klasseloze maatschappij, maar dan wel in christelijke zin: “Alle volkeren moeten zich verenigen in een algemene volkerengemeenschap, waar mensen-eenheid in volkerenverscheidenheid tot hoogste harmonie worde opgebouwd in waarheid en recht. Dus gaat de strijd onverbiddelijk tegen alles wat die orde in de weg staat.” Onder de medewerkers van Ter Waarheid bevonden zich kapelaan Cyriel Verschaeve (met wie Joris van Severen al sinds het IJzerfront mee bevriend was), Wies Moens, Frans Naudts, Achilles Mussche en Huib Hoste.

Ter Waarheid lag grotendeels in de lijn het naoorlogse klimaat van internationalisme, antimilitarisme en democratie. De teelaarde van heel wat avant-gardetijdschriften -De Nieuwe Wereldorde, Ruimte, Het Overzicht,… Van Severen zelf zocht in die naoorlogse roes nog volop naar een evenwicht tussen nationalisme en internationalisme. Hij onderging hierbij invloed van een aantal Franse schrijvers en ideologen: Georges Valois, Maurice Barrès, Henri Barbusse en Paul Valéry. Een aantal avant-gardisten begon in de loop van de jaren ’20 in te zien dat ze met hun luchtkastelen en dromen van universele vrede en broederlijkheid windmolens najoegen of het moest wereldvreemdheid zijn. Van Severen zag dat al in 1922 duidelijk in en richtte zich van dan af op een aantal historische modellen en kwam bij de ‘alles ordenende en beheersende Rooms-Katholieke Waarheid’, zoals ze het Europese avondland doordesemd had. Het eerste nummer van Ter Waarheid van 1923 opende met een bericht “Aan onze Lezers”: “Ter Waarheid wordt van nu af aan, klaar en definitief een katholiek tijdschrift. Dit wil zeggen dat voor Ter Waarheid de Rooms-Katholieke wereldbeschouwing en de Rooms-Katholieke levensleer de eenig en absoluut ware zijn.” Van Severens medewerker Achiel Mussche kon dit niet velen en hield het hierop voor bekeken. Ook Wies Moens beëindigde in datzelfde jaar zijn medewerking door met zijn eigen tijdschrift van wal te steken. Even later, in het januarinummer van 1924, nam Van Severen in het proces van zijn geestelijke volwassenwording definitief afscheid van zijn sympathie voor het marxisme en het bolsjewisme. Nadien evolueerde hij tot een rabiaat antimarxist en solidarist.

(2) Door de dictatuur der geestespartij

 Vanaf 1916 werd Van Severens ideologie via het antimilitarisme uitgesproken links-revolutionair. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was het bolsjewisme in de geschriften en dagboeknotities van Van Severen meer en meer geëvolueerd naar een concept voor binnenlands gebruik en hierbij verbond hij het ook meer en meer met Vlaams-nationale motieven.

Binnen de Frontpartij was Joris van Severen allerminst écht parlementair democraat geworden. Na het Frontcongres van 11 april 1920 noteerde hij: “Dit is mijn indruk: er bestaan in’t Vlaamsche Front twee richtingen, vertegenwoordigd door twee groepen, 1. de revolutionaire, 2. de parlementaire (…) Over de noodzakelijkheid van een Revolutionaire Raad is beslist. Een grote, de grote meerderheid akkoord, maar wat ze, liever: wat een groot deel van die meerderheid maar niet kan inzien, is’t onvermijdelijke gevolg van hun overtuiging, namelijk een daaraan beantwoordende inrichting die natuurlijk gans anders zal zijn dan de de inrichting van een groep aan parlementarisme alleen doende mensen. Zo nemen ze ’t democratisch S.U.-stelsel aan als basis voor hun hogere leiding!” Deze laatste zin in modern Nederlands: ze moeten het democratisch sovjetstelsel aannemen als besturingssysteem. We moeten er niet aan twijfelen dat Joris van Severen zelf tot die revolutionairen behoorde. In diezelfde notitie betreurde hij dat men zijn collega, de frontofficier Cesar Couvreur niet is gevolgd: “Spijtig dat we toen niet deden stemmen over een motie van Cesar: ’t Vlaamsche Front is een verbond van revolutionaire flamiganten dat alleen maar toevallig aan parlementarisme doet.

 Eens Joris van Severen verkozen is tot volksvertegenwoordiger lijkt hij een pragmatisch democraat te zijn geworden, maar één met een links-revolutionaire agenda. In april 1921 wordt het sociale standpunt van het Vlaamse Front in het tijdschrift Ter Waarheid vereenzelvigd met democratie: “Van af nu aan, moet dus in het Vlaamsche volk den wil naar democratie, internationalisme, antimilitarisme gezaaid worden”, en in de editie van augustus-september: “Dit wil nu niet zeggen dat het Vlaamsche Front geen sociaal standpunt inneemt. Buiten een gezonde democratie denkt het zich geen zelfstandig Vlaanderen in.” Voor de verwezenlijking daarvan is volgens een dagboeknotie van Van Severen uit februari 1920 dictatuur nodig om het ter waarheid te brengen, de dictatuur der geestespartij:
Democratie de toversleutel maar: voor de doorsnee-proletariër: materiële lotsverbetering, dat is zijn droom en zijn marxisme. Hetzelfde dus als het parvenu-achtige carrière-maken van de bourgeois. Basis zijn massamacht. Egoïstische bestaansdrang.
Motto der massa: ôte-toi de là que je m’y mette.
De massapsyche is van onzuiver gehalte, mag dus niet leiden.
Algemeen stemrecht; potsierlijke toepassing van het rechtvaardigheidsbeginsel.
Onze oplossing: dictatuur der geestespartij.
Met houdt toch uiteen: plebejisme en democratie.
Paradox: de flaminganten moeten hun volk dwingen vrij te zijn.
Hoe zal de geestespartij haar werk beginnen? Noodgedwongen door parlement. De logge massa is tot revolutie niet te bewegen. (…) Alleen communistische maatschappij waar ieder gezond mens, ’t zij lichamelijk, ’t zij geestelijk werkt verricht.”
In deze bewoordingen ging het bij Van Severen niet om parlementair democratische overtuiging in conventionele zin, maar om het typisch socialistisch linkse onderscheid tussen democratie als sociaal-economisch concept (sociale gelijkheid) en democratie als politiek begrip. Deze redenering waarbij men democratie als sociaal-economisch gelijkheidsregime opvat dat slechts kan worden gerealiseerd door een ‘tijdelijke’ dictatuur van een verlichte voorhoede (‘de geestespartij’), is een zuiver leninistisch concept. Parlementaire actie is daarbij absoluut bijkomstig: “Noodgedwongen door parlement”, als het uur van de revolutie nog niet geslagen is. Men kan enigszins verbaasd zijn dergelijk ‘links’ gedachtegoed bij de latere Dinaso-leider aan te treffen daar men dit a priori niet verwacht. Pauwels en Spinoy concluderen dat men eenvoudigweg niet kan voorbijgaan aan deze fase in de ideologische ontwikkeling van Joris van Severen: de latere Van Severen ging ‘getekend’ blijven door zijn aanvankelijke bewondering voor een aantal ideeën en verwezenlijkingen van de radicale linkerzijde. Dit verklaart volgens Pauwels waarom het latere Verdinaso, Van Severens persoonlijke schepping, -hoe ‘karikaturaal’ soms ook- naar ideologie en fraseologie, organisatie en esthetiek een aantal kenmerken van radicaal links overneemt. Wanneer men dez conclusie karikaturaal doortrekt, dan kan men volgens Pauwels stellen dat het Verdinaso een ‘fascistisch verklede, leninistische kaderpartij, met een ultramontaanse, conservatieve ideologie’ zal worden. Dit laatste is natuurlijk niet letterlijk te nemen.

In zijn studie poneert Luc Pauwels de stelling dat Van Severen zich ontwikkelde van een voorstander van dictatuur in ‘linkse’ zin, naar een voorstander van een ‘rechts’ autoritair regime. Een tussenstation van parlementair-democratische overtuiging, in de huidige conventionele zin, is er niet of nauwelijks geweest. In 1922 plooide Joris van Severen terug naar een ultramontaans katholicisme. Het betekende een afscheid van een aantal van zijn oprechte, maar oppervlakkige modieus-linkse ideeën, het einde van een gespletenheid die bij een emotioneel rusteloze persoon als Joris van Severen niet kon blijven duren. Dit werd zoals hierboven in Ter Waarheid in  het eerste nummer van 1923 bericht. Van Severen willde ook zijn invloed aanwenden om nu ook van de pluralistische Frontpartij een conservatief-katholieke partij te maken. Dit betekende dat hij wenste af te stappen van het uitgangsprincipe van godsvrede.

c. Periode 1925-1931: “Verweerkorpsen, gewapende verweerkorpsen, dat moeten de Vlamingen stichten. Al de rest is prul” (Cyriel Verschave)

(1) Oprichting van het Katholiek Vlaams Nationaal Verbond (KVNV) in West-Vlaanderen (1925)

Waar vaak wordt gezegd dat Joris van Severen in zijn parlementaire periode de eenheid onder de Vlaams nationalisten verstoorde, blijkt dat er geen eenheid bestond. Vanuit zijn standpunt probeerde hij integendeel actie te voeren om tot een eenheid van programma en organisatie te komen. Zoals hierboven vermeld, slaagde Van Severen er in 1923 in West-Vlaanderen in het godsvredestandpunt te doen verlaten en een organisatie op katholieke basis uit te bouwen. Hiermee wilde hij voor alles duidelijkheid scheppen en het rooms-katholicisme onverbrekelijk met het Vlaams-nationalisme verbinden. Zijn ideeën gaf hij concreet gestalte in het Katholiek Vlaams Nationaal Verbond (KVNV), dat in het voorjaar van 1925 werd opgericht. Hiermee wilde hij niet enkel een nieuw politiek statuut voor Vlaanderen nastreven, doch ook een nieuwe culturele, sociale en economische orde gebaseerd op de katholieke solidariteitsleer, het solidarisme. De vraag was alleen of de basis die hij voorstelde door anderen zou worden aanvaard. Bij de aanvang werd hij echter in zekere mate gevolgd: Limburg en Aalst volgden het voorbeeld. Uiteindelijk zou blijken dat dit niet overal in de rest van Vlaanderen het geval zou zijn.

(2) Inmiddels in de kantlijn van alle ontwikkelingen binnen de Frontbeweging

 Kort na de overwinningsroes volgend op de wapenstilstand van 1918, en het wegebben van de ‘euforie van de vrede’, realiseerde de Franstalige burgerij zich dat het niet zonder kleerscheuren uit de oorlog was gekomen. Door het enkelvoudig stemrecht en een mogelijke evenredige vertegenwoordiging voor beide taalgemeenschappen zagen zij hun directe belangen geschaad. De droom naar het herstellen en wreken van het aangedane onrecht vertaalde zich in annexionistische eisen en in het streven naar een meer autoritair gezag. Het betekende een teruggrijpen naar de ‘euforie van de frontgeest’ en het voorbeeld van Mussolini in Italië werkte hierbij aanstekelijk. Mussolini had in hun ogen orde en rust gebracht in zijn land, en Italië had bovendien weer enige nationale fierheid gekregen. Op initiatief van een aantal ontgoochelde oud-strijders ontstond in 1922 La Légion Nationale. Onder impuls van Paul Hoornaert werd de beweging een paramilitaire formatie met duidelijke, uitgesproken fascistische allures. In december 1925 keurde men in La Légion Nationale,  het tijdschrift van het Legioen, de fascistische doctrine goed, voor zover zij universeel is, en toepasselijk op alle beschaafde naties. De légionnairs droegen een pseudo-militair uniform en waren bewapend met een knuppel. Naast La Légion Nationale opereerden midden jaren ’20 ook een aantal kleinere groepen zoals Le Faiseau Belge, die “alle Vlaamse manifestaties van de straat wilde vagen”. Als reactie op de milities van de Belgische nationalisten richtte de Belgische Werklieden Partij in 1926 zijn Arbeidersverweer, ook wel Rood Verweer genoemd, op. Bij de Vlaams-nationalisten was van een eigen verweer op dat moment nog geen sprake doch, daar zou spoedig verandering in komen.

(3) Joris van Severen pleit voor de oprichting van Vlaamse Legioenen (1926)

Na de oprichting van het KVNV in West-Vlaanderen in 1925 en haar streven naar een nieuwe orde gebaseerd op de katholieke solidariteitsleer, introduceerde Joris van Severen vanaf 1926 voor de vorming van een heldhaftige geest binnen het Vlaams-nationalisme. In De West-Vlaming pleitte hij voor de vorming van Vlaamse legioenen “die bezield moesten worden van een heldhaftige – geen militaire – geest”. Voor Van Severen was het eerste doel van dit verbond van legioenen de omverwerping van de gecentraliseerde anti-Vlaamse staat België en de vestiging van een Vlaamse staat. “Deze legioenen worden intussen een macht die door haar tuchtvolle verschijning op onze manifestaties meer ontzag voor de Vlaams-nationale wil zal inboezemen dan 10 zetels in het Belgisch parlement”, aldus Van Severen in mei 1926. In De West-Vlaming van december 1926 zou hij nog verder verduidelijken wat hij met deze legioenen bedoelde: “Die ploegen,bestaande uit een leider met 10, 20, 100 kameraden, dienen uiteraard gevormd in zoveel mogelijk steden en dorpen en dienen onderling verbonden in een tuchtvol verbond: het Verbond der Vlaamse Nationalisten, wat geen babbelaarsvereniging mag worden”. Ook Cyriel Verschaeve dacht er op dat moment net zo over als Van Severen, en deze drukte het in een brief aan Dirk Vansina nog krachtiger uit: “Verweerkorpsen, gewapende verweerkorpsen, dat moeten de Vlamingen stichten. Al de rest is prul”. Wat zij beschreven was binnen de Vlaamse Beweging totaal nieuw. Buiten enkele losse, ongeorganiseerde en studentikoze groepen Vlaamse Wachten bestond er niets wat beantwoorde aan dit beeld. Van Severen speelde echter al veel langer met de idee van een militie. Al in 1922 maakte hij aan frontkameraad Herman De Guchtenaere kenbaar welke indruk de lectuur van Georges Valois (een vroegere medewerken van Charles Maurras) en zijn ‘blauwhemden’. Met de les die Van Severen zijn lezers elke week in ‘De West-Vlaming’ voorhield, zou hij stilaan een evolutie op gang brengen die nog moeilijk te stoppen zou zijn.

(4) De oprichting en ondergang van het Algemeen Vlaams Nationaal Verbond (AVNV): laatste poging tot concentratie van de Vlaams-nationale fracties binnen de Frontpartij (1928)

De relaties tussen de verschillende Vlaams-nationale fracties verbeterden er ondertussen allerminst op. In een zoveelste poging om het Vlaams-Nationalisme opnieuw te bundelen werd in mei 1928 overgegaan tot de stichting van het Algemeen Vlaams Nationaal Verbond (AVNV). Binnen deze organisatie leken de opvattingen van Van Severen te zegevieren: aan de leiding werden vergaande volmachten toegekend en de organische staatsidee en het solidarisme werden aanvaard. Binnen de leiding van het AVNV onstonden spoedig echter spanningen over de inhoud van de Groot-Nederlandse idee en het solidarisme. Hoe langer hoe minder viel er nauwelijks nog land te bezeilen met Van Severen: hij aanvaardde geen democratische stemming, duldde geen tegenspraak, en veegde zijn broek aan allerhande door de partij uitgevaardigde richtlijnen. Hij weigerde het federalistische standpunt van het AVNV bij te treden. Verontwaardigd liet Van Severen weten: “Denkt ge misschien dat we uit de oorlog gekomen zijn om ons in te spannen voor het ideaaltje van federalisme en om te gaan praten, burgerlijk.. in een Belgisch parlement?! Indien we ons leven niet wijden aan het totale afbreken van de oude, rotte rommel, aan de volledige opbouw der echte, en dus reddende orde, dan verdienen we niet… er levend uit te komen.” Toen Van Severen op 29 november 1928 in de kamer pleitte voor de algehele verwezenlijking van de Nederlandse nationale eenheid en verklaarde dat het activisme van tijdens de Eerste Wereldoorlog géén vergissing was geweest, betekende dit onrechtstreeks het einde voor het AVNV. Met de verkiezingen van 1929 gingen de Vlaams-nationalisten andermaal verdeeld naar de stembus.
Daar waar in de andere arrondissementen de Vlaams-nationalisten elkaar als het ware proberen te overtroeven op het gebied van antimilitarisme en pacifisme en vaak niet verder gingen dan de eis om federalistische herinrichting van de Belgische staat, schaarden het KVNV is West-Vlaanderen en de fractie rond de persoon van Wies Moens in Gent-Eeklo zich achter het programma van Joris van Severen. In dat programma werd stelling genomen voor een organische Vlaamse volkstaat op solidaristische basis. Die moest de eerste etappe worden in het herstel van de Groot-Nederlandse gemeenschap. Tevens werd scherp uitgehaald naar het individualisme van klassen, groepen en “de heerschappij van het geld dat geen nationaal belang kent”. Niet tegenstaande alle interne moeilijkheden sprongen de Vlaams-Nationalisten van 6 naar 10 volksvertegenwoordigers. Wegens een particulariteit aan het kiessysteem werden Van Severen noch Moens verkozen.

(5) Radicalisering en groeiend militantisme en engagement binnen de Vlaamse Beweging (1928-1929)

Zoals hiervoor beschreven pleitte Joris van Severen vanaf 1926 in het blad ‘De West-Vlaming’ voor een militantere vorm van Vlaams-nationalisme. Op dat moment bestonden her en der kringen jongeren, Vlaamse Wachten genoemd, uitgedost met een zwarte flat -een soort studentenpet uit die tijd- en gewapend met een knuppel. Hierdoor werden dezen vaak betiteld met de ‘knuppelwacht’. In 1928 kwam het in Antwerpen onder leiding van Jan Van Hoogten tot een bundeling van alle Antwerpse Vlaamse Wachten onder de naam Algemeen Vlaams Nationaal Jeugdverbond. De militie van dat jeugdverbond werd het Vlaams Verweer genoemd. Aanvankelijk werkte het Vlaams Verweer alleen te Antwerpen, maar later werd dit initiatief ook overgenomen in andere provincies. In juli 1929 werd besloten een nationale organisatie van het AVNJ te zetten. Deze intentie kwam pas een jaar later op gang. In de West-Vlaming werd in juli 1929 meegedeeld dat West-Vlaanderen over enkele maanden zou beschikken over een net van verweerkorpsen en jeugdkringen waarmee af te rekenen zou vallen.
Van Severen had de idee van vorming van militieploegen na de verkiezingen van 1929 evenmin losgelaten. Ondanks het feit dat hij en Wies Moens niet verkozen werden, werd hun samenwerking verdergezet. In het arrondissement Gent-Eeklo had Wies Moens het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) -niet te verwarren met het latere VNV uit 1933 van Staf De Clercq- opgericht. Aangaande de vorming van militieploegen schreef Joris van Severen in  mei 1929 aan de Nederlandse historicus Gerretson: “We zijn hier enkele ploegen aan het vormen die zullen bezield zijn met een waar-achtig Vlaams-Nationaal fanatisme en gewapend zijn of worden met een klare en scherp omlijnde doctrine die gans het Vlaams leven omplant… Alleen wanneer wij een echt regiment zullen gevormd hebben en gereed zijn om represailles uit te voeren van een andere soort dan dan hun (die van de franskiljons) laffe aanvallen, dan alleen zullen zij zwichten. Het vormen van dat regiment, werkelijk geëquipeerd als een militair regiment is mijn eerste taak na de verkiezingen. De geesten heb ik er voor rijp gemaakt: eerst wilde men er niet van horen, nu vraagt men er met aandrang naar”. In augustus van hetzelfde jaar schreef de Nederlandse professor Geyl na een rondreis in Vlaanderen: “… Van Severen vertelde mij weer van zijn uniform, met enige humor ditmaal: zijn ideaal is: 200 vastberaden mannen over de Grote Markt van Brugge marcherende. Voorst over machinegeweren en vierpuntige instrumentjes om een gendermerie-aanval te breken!…”. In hetzelfde stuk noemde Geyl Van Severen een “tempramentvolle facist”.

(6) Ontslag van Joris van Severen uit het KVNV en verdere radicalisering (1930-1931)

 

(Wordt vervolgd)