•  
  •  
  • Home
  • /‘Le mouvement rexiste’ en Rex-Vlaanderen

‘Le mouvement rexiste’ en Rex-Vlaanderen

Een synopsis…

Index:

1. Inleiding
2. Jeugd van Léon Degrelle: in de schaduw van de burcht van Godfried van Bouillion
3. Katholiek activist bij de ‘Association Catholique’
4. Eerste politieke initiatieven
5. Breuk met de katholieke partij en verdere politisering
6. De rexistische revolutie: Rex Vaincra!
7. Eclatante verkiezingsoverwinning voor Rex op 24 mei 1936
8. Mars op Brussel
9. De tussentijdse verkiezingen van 11 april 1937: Léon Degrelle vs Paul Van Zeeland
10. Implosie van het vooroorlogse rexisme
11. In de marge van het politieke leven
12. Wegvoering en gevangenschap tijdens de eerste oorlogsmaanden van 1940
13. Op zoek naar politieke macht tijdens ‘de wondere zomer van 1940′
14. Naar een autoritaire staat
15. Degrelles droomwereld
16. ‘Heil Hitler!’
17. Een charlatan, een snoever

1. Inleiding

Midden de jaren dertig wrong zich in Franstalige kringen met alle mogelijke middelen een zeer ambitieuze jongeman op het voorplan, een waar fenomeen: de spectaculaire Léon Degrelle. Met zijn mouvement rexiste speelde hij voor de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol in de Belgische politiek, om zich tijdens de oorlog -consequent blijvend aan het anticommunistische standpunt- met tal van zijn volgelingen te laten inlijven in het Duitse landleger, en om tenslotte aan het einde van de oorlog te eindigen als één der hoogst onderscheiden niet-Duitse officieren bij de Waffen-SS.

Hieronder willen we stil staan bij de de evolutie van de rexistische beweging en het denken en handelen van Léon Degrelle voor het begin van de Tweede Wereldoorlog. Door zijn tomeloos optreden joeg Degrelle tijdens de jaren ’30 zowat het hele toenmalige politieke establishment tegen zich in het harnas. Hij scoorde in geen tijd triomfen en tuimelde even vlug steil naar beneden. Veel kon het hem niet deren, overtuigd van zijn eigen groot gelijk zette hij er flink de bezem in. Degrelle bezat charisma en charme en wist hoe hij het publiek diende te bespelen. Vervolgens willen we tevens de aanloop van Rex naar de collaboratie schetsen in het eerste bezettingsjaar, met andere woorden tot  aan de oprichting van het Waals Legioen in de strijd tegen de Sovjetunie vanaf eind juni 1941. De oprichting van het Waals Legioen en de inzet aan het Oostfront worden in een ander onderdeel belicht.
Léon Degrelle was zonder enige twijfel de meest roemruchte collaborateur van België, ondanks het feit dat in Franstalig België de hardnekkige legende in stand wordt gehouden dat de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog een exclusief Vlaamse aangelegenheid was. Het tweede deel van die legende luidt dat Wallonië tezelfdertijd één grote haard van verzet zou zijn geweest. Eén van de grote redenen dat deze mythes tegenwoordig nog steeds ruim ingang vinden is omdat ze nog steeds politiek bruikbaar zijn.

Ondanks al het voorgaande is het verbazend dat er over hem tot op de dag van vandaag geen omvangrijke historische biografie is verschenen. Het gros van de bestaande bronnen is tevens Franstalig. Onder de beperkte beschikbare Nederlandstalige bronnen over le chef vermelden we in het bijzonder Le beau Léon door Pieter Jan Verstraete, uitgegeven bij Uitgeverij Aspect (Soesterberg, Nederland), waar een groot deel van deze bijdrage op is gebaseerd.

Fragment: Léon Degrelle daags na de verkiezingsoverwinning van 1936. Rex ageerde tegen de invloed van het kapitaal op de politiek, tegen het partijenstelsel en tegen de corruptie.

 

2. Jeugd van Léon Degrelle: in de schaduw van de burcht van Godfried van Bouillion

Leon Degrelle werd op 15 juni 1906 als vijfde kind geboren in een Waals-katholiek middenklassengezin in Bouillon als zoon van een bierbrouwer. De opvoeding die Léon en zijn broers en zussen kregen was door en door katholiek: dagelijks werd deelgenomen aan de misviering en op zondag woonde de ganse familie in totaal maar liefst vier kerkdiensten bij. Reeds als scholier viel de kleine Léon op door zijn grootsprakerigheid en zijn grote mond. Toen de leraar hem de gebruikelijke vraag stelde wat hij later wilde worden, antwoorde hij: “Eerste minister”. Nergens schrok hij voor terug. Na de lager school volgde de leergierige Léon les aan het jezuïetencollege Notre-Dame-de-la-Paix in Namur. Tijdens die periode kwam hij op zestienjarige leeftijd in contact met de werken van Franse schrijvers als Charles Péguy, Léon Bloy, Charles Mauras en Léon Daudet. Zo ontdekte hij de leer van Charles Mauras en zijn politiek-religieuze beweging Action Française, een invloedrijke en hyperkatholieke organisatie in Frankrijk met stevige wortels in Franstalig België, die een aanzienlijke invloed op hem had. Het maurrasisme, de leer van Mauras, streefde in Frankrijk naar een corporatistische katholieke staat onder een autoritaire leider en het herstel van de monorchie in Frankrijk. De jonge Degrelle was verzot op de scheldpartijen en polemieken van Daudet in de krant van de Action Française. Naast de Action Française bleef hij evenmin ongevoelig voor sociale kwesties.

Fragment: Léon Degrelle vertelt over wat het de ‘Action Française’ volgens hem aan ontbrak, en herinnert zich de sociale onrechtvaardigheid tijdens het interbellum.

 

3. Katholiek activist bij de Association Catholique

In oktober 1924 vatte de achttienjarige Léon zijn studies in de letteren aan, ter voorbereiding van de studies in de rechten, aan de Faculté Notre Dame de la Paix in Namur. Naar aanleiding van een wedstrijd ingericht door het tijdschrift Cahiers de la Jeunesse Catholique, had Degrelle de door hem aanbeden Mauras als beste schrijver van de laatste vijfentwintig jaar doen verkiezen. Als gevolg van zijn Mauras-campagne kwam hij met monsigneur Louis Picard , de proost van de Association Catholique de la Jeunesse Belge (ACJB) in contact. Al snel werd de jonge Degrelle een medewerker van deze ACJB en hun Cahiers de la Jeunesse Catholique.

Na de kandidaatsjaren vertrok Léon Degrelle naar de universiteit van Leuven en vatte hij universitaire studies rechten en politieke en sociale wetenschappen aan. Velen zegden dat hij al in zijn studententijd een geboren leider was. Zijn studieresultaten waren rampzalig, daar hij naar eigen zeggen gewoon geen tijd had voor zijn studies. Waar hij wel tijd voor vrijmaakte, was het schrijven van artikels, herrie schoppen met linkse studenten, gaan tegenspreken op socialistische en communistische meetings, en het schrijven van gedichten (in de periode 1928-1930). Tegen dat hij 20 jaar was had hij al maar liefst vijf boeken geschreven.
Op vraag van monseigneur Picard nam Léon Degrelle de hoofdredactie op zich van L’ Avant-Garde, het weekblad van de Franstalige Leuvense studenten. Het blad deed het op dat moment niet meer behoorlijk goed, maar dankzij het organisatietalent en de schrijfstijl van Degrelle geraakte het blad in mum van tijd uit de rode cijfers. De oplage steeg weldra naar tienduizend exemplaren, wat voor een studentenblad uitzonderlijk was.

Fragment: Léon Degrelle over zijn aanstelling als hoofdredacteur door monseigneur Picard en over de bindingen tussen de Kerk en Kapitaal.

 

De jonge hoofdredacteur Degrelle schreef zoals hij sprak: bombastisch, overdonderend, wijdlopig en welsprekend. Enkele bekende brochures en pamfletten uit die tijd waren: Les grandes farces de Louvain en Les flamingants uit 1928. In het laatste boekje vroeg hij begrip voor de Vlaamse eisen die gedurende 100 jaar door de Belgische staat stiefmoederlijk werden behandeld. Benevens begrip maande hij de Belgische staat ook aan om de goedgekeurde taalwetten ook werkelijk te doen naleven.

Tussen eind 1929 en februari 1930 trok Degrelle naar Mexico om voor de krant Le Vingtième Sciècle verslag uit te brengen over de heksenjacht tegen de katholieke priesters, kloosterlingen en gelovigen naar aanleiding van de moord op de links-revolutionaire en antiklerikale Mexicaanse president Alvaro Obregon door een katholieke militant. Na Mexico volgde een avontuurlijke reis door de Verenigde Staten en Canada.

In 1930 gaf Degrelle zijn studies op om als directeur te functioneren in de door monseigneur Picard pas opgerichte kleine katholieke uitgeverij La Société Coöpératieve des Editions Rex. De uitgeverij publiceerde naast een aantal romans verscheidene brochures over allerhande actuele onderwerpen. Midden 1932 gaf ze de brochure Jeunes gens et la politique van José Streel uit. De inhoud vertolkte de grondstroom van de jonge generatie katholieken waartoe Degrelle zich rekende. Het pamflet was tekenend voor de opkomende Nieuwe Orde-geest in katholiek België. De inhoud was een afrekening met het katholieke politieke establishment, en pleitte voor een grondige heroriëntering gedragen door het jeugdige elan en geestdriftige religieuze overtuiging van de aantredende jonge generatie. Het parlementarisme werd er in vraag gesteld, en diende het best worden vervangen door een corporatieve staat, gebaseerd op de sociale leer van de katholieke kerk. Later zou José Streel de ideoloog worden van de Rex-beweging.
De directeur van de Edition Rex ontpopte zich in als een gewiekst propagandist en begenadigd spreker. Degrelle begon te speechen en deed het graag en veel. Tegen dat hij de leeftijd van 25 jaar had bereikt, had hij al meer de 2000 toespraken gehouden. Op menige verkiezingsmeeting naar aanleiding van de parlementsverkiezingen van november 1932 nam hij het woord. Naar aanleiding van dezelfde verkiezingsstrijd slaagde Editions Rex er in om alle verkiezingsdrukwerk van de katholieke partij te mogen drukken en verspreiden. Volgens Degrelle verdeelde de uitgeverij 1.900.000 verkiezingsbrochures en 430.000 affiches. Hij kocht ook veertien moto’s om het verkiezingsdrukwerk snel over het ganse land verspreid te krijgen. Tijdens zijn doorreis door de Verenigde Staten enkele jaren daarvoor had hij met die innovatie kennis gemaakt.

Fragment: Léon Degrelle over zijn eerste toespraken in katholieke colleges en eerste aanhangers. Bij de verkiezingen van 1932 ondersteunde Editions Rex de verkiezingscampagne van de katholieke partij.

 

Als snel werd Degrelle tot één van de leiders van de Association Catholique gekroond. In het denken en handelen van Degrelle kan men verschillende stadia onderscheiden, die elk overeenkwamen met een fase van de rexistische beweging. De periode voor 1933 kan men beschouwen als het eerste rexisme. We moeten hierbij duidelijk beklemtonen dat de motieven in deze eerste fase meer religieus dan politiek waren. Ze moeten worden geplaatst in de door de Action  Catholique gevoede herleving van de belangstelling van de jongeren voor de politiek in het algemeen. Ze voedde de jeugd met compromisloze idealen en een groot misprijzen voor het parlementair systeem.

4. Eerste politieke initiatieven

Op 27 maart 1932 huwde Degrelle met Marie-Paule Lemay, dochter van een Frans industrieel. Editions Rex kende een succesvolle periode door de verspreiding en verkoop van tienduizenden brochures over onder andere Maria-verschijningen in de Ardeense gemeenten Beauraing en Banneux. Ter gelegenheid van de dood van koning Albert in 1934 bracht de uitgeverij een gedenkboek over Albert uit van de hand van senator Pierre Nothomb. De eerste tienduizend exemplaren verkochten in een mum van tijd. Omwille van zijn engagement en enthousiaste inzet werd Degrelle door de katholieke partij de hemel in geprezen. Degrelle zelf zal zich ook steeds meer op het actieve politieke terrein beginnen begeven, zij het aanvankelijk onrechtstreeks door middel van enkele nieuwe publicaties uitgegeven door Editions Rex.

In oktober 1932 werd het eerste nummer van het tijdschrift Rex: toute la vie des lettres, kortweg Rex genoemd, gelanceerd. Al snel werd Rex een gerenommeerd literair tijdschrift, dat al snel wekelijks verscheen in plaats van maandelijks. Het aantrekkelijke logo, een kroon met kruis en het woord Rex, werd door een bevriende priester ontworpen. Heel wat prominente katholieke auteurs leverden hun medewerking aan het blad. Naast Rex begon de jonge uitgever eveneens met het politieke blad Vlan. Bij de aankondiging van het eerste nummer van Vlan verborg Degrelle geenszins zijn intenties: “Ons politiek blad komt er onverwijld aan. […] We zullen de katholieke partij ten volle dienen, door er kritiek op uit te oefenen of door ze aan te moedigen. Dit in afwachting van ze te veroveren.” Degrelle schuwde zich niet om het regime zelf aan te vallen en te hekelen, en verzamelde een groepje katholieke gelijkgezinde activisten rondom zich waarvan een aantal van dezen (zoals José Streel, Jean Vermeire, Joseph Prévenasse en Jean Denis) voordien lid van het ACJB waren geweest. Ze meenden dat de katholieke partij een militantere houding diende aan te nemen. Degrelle was de mening toegedaan dat de katholieke partij diende te worden gezuiverd van alle profiteurs en misleiders. Met een gesaneerde katholieke partij kon men de rotheid van het regime zelf aanpakken en bekampen. Slechts zo was ‘genezing’ mogelijk. Begin 1933 schreef Degrelle in Rex:

Rex is in de eerste plaats een beweging, een strijdorganisatie. We willen in enkele jaren tijd alle vestigingen van het het land overwinnen: bastion per bastion. Aangezien we een ideaal hebben, en omdat men ziet dat we eens de lakens zullen uitdelen, zullen we onderweg vijanden tegenkomen. Allereerst natuurlijk katholieken. Dezen kunnen er steeds zeker van zijn dat ze altijd de grootste bescherming zullen genieten als ze ons aanvallen.

Dankzij financiële steun van vooral zijn schoonouders en van de paters norbertijnen van de abdij van Averbode werd Degrelle op 31 juli 1933 eigenaar van Editions Rex. Op die manier werd hij financieel onafhankelijk van de katholieke partij, hoewel hij duidelijk maakte dat zijn beweging deel bleef uitmaken van de katholieke partij. Van een mouvement d’ Action Catholique werd Rex een mouvement catholique d’ actionLe mouvement Rex, de naam van zijn nieuwe beweging, diende vorm te geven aan een meer militant vorm van politiek katholicisme. Op die manier zocht de beweging naar vernieuwing en een zogenoemde derde weg, die men meende te vinden in een meer autoritaire en klerikale staatsstructuur. Degrelle wou met alle mensen de idealen delen van een sociale en geestelijke verandering in de maatschappij, en hierbij bespeelde hij tijdens zijn meetings vooral graag de massa die hij als oerkracht ook werkelijk kon meesleuren. Rex diende een moderne katholieke beweging te zijn, om in naam van Christ-Roi België van de ondergang te redden. In volle economische crisis had het land namelijk ook te kampen met een reeks financieel-politieke schandalen, die in de publicaties van de Editions Rex zwaar werden aangeklaagd. Als gevolg van de politieke aspiraties naar een militanter katholicisme en Degrelles polemische aanvallen op echte of vermeende financieel-politieke wanpraktijken brak het ACJB in januari 1934 met le mouvement Rex. Met dergelijke militante katholieke beweging wilde monseigneur Picard niet samenwerken. Deze scheiding betekende echter niet het einde van de vriendschap tussen Degrelle en Picard. Daar de kantoren van de uitgeverij en het politiek bureau tot dan eigendom waren van het ACJB en werden gehuurd, diende Degrelle andere onderkomens te zoeken.

Fragment: Met ‘Vlan’ waagde Degrelle zich aan de politiek. De affaire van de Boerenbond werd het eerste wapenfeit.

 

5. Breuk met de katholieke partij en verdere politisering  

Eind 1934 organiseerde de beweging van Degrelle een congres van jonge katholieken in Doornik. Het congres kende een groot succes. De speeches van de charismatische en flamboyante Degrelle oogsten een overdonderend applaus, maar de kerkleiders, bij monde van de bisschop van Doornik monseigneur Rasneur, sprak zijn bezorgdheid hierover uit. De manifestatie werd immers zonder de toestemming van de katholieke partijtop gehouden. In oktober 1935 startte Degrelle een campagne tegen de invloed van de financiële machten op het politiek leven. Meer dan eens sloeg hij hierbij  de nagel op de kop, mede voorgelicht door Gustaaf Sap (gewezen minister voor Financiën en beheerder van de bank van de Boerenbond). Dankzij zijn meetings en welsprekendheid had hij na enkele jaren al een groot deel van de Belgen voor hem gewonnen, hoewel hij voor andere politici doorging als een demagoog en een onberekenbare fantast. Dat verklaart trouwens waarom de katholieke partij hem liever zag weggaan.
Op 2 november 1935, tijdens het jaarlijkse congres van de Fédération des Associations et des Cercles Catholiques (FACC) -de beweging die alle organisaties van de katholieke partij overkoepelde- eiste Degrelle het woord terwijl zo’n 300 jonge rexisten (les gardistes) de in-en uitgangen tot de vergadering blokkeerden. Tijdens een ongeziene scheldtirade tegen een reeks personaliteiten, betrokken bij allerhande al of niet vermeende corruptieschandalen liet Degrelle geen spaander heel. Ze zagen zich door Degrelle uitgemaakt voor banksters, een samentrekking van ‘bankiers’ en ‘gangsters’, en senator Philips zag zich uitgespuwd als een “levend uitwerpsel” (excrément vivant). De rexistische gardisten jouwden hen uit. Degrelle stuurde aan op het onmiddellijke ontslag van deze bekritiseerde oude generatie politici, wat niet werd aanvaard. De oude voorzitter van de katholieke partij en minister van Staat Paul Segers trachtte de uitgelaten jonge rexisten te bedaren. Tevergeefs! Degrelle snauwde hem toe: “Zwijg! Ik ben aan het woord en ik blijf aan het woord. […] Verdwijn! U hebt niets goeds gedaan!”. Het was de eerste keer dat iemand zo tekeer was gegaan tegen de machtige bonzen van de katholieke zuil. Het ernstig verstoorde congres eindige in een mislukking voor Degrelle. De poging om de de katholieke partij zelf in handen te krijgen mislukte.

Fragment: Léon Degrelle over zijn interventie op 2 november 1935, later de ‘Coup de Courtrai’ genoemd.

 

Ten gevolge van de Coup de Courtrai vormde Degrelle zijn mouvement rexiste om tot een zelfstandige politieke beweging, los van de katholieke partij. Hierop vaardigde kardinaal van Roey, hoofd van de Belgische katholieke kerk, een herderlijke brief tegen Rex uit. Zo werd het  voortaan verboden om nog langer Rex aan de kerkpoorten te verkopen. Voor priesters werd het verboden om lid van Rex te worden of er actieve steun aan de leveren.

Fragment: Léon Degrelle over de gebeurtenissen volgend op de ‘Coup de Courtrai’ en de afkondiging van de ‘mouvement rexiste’.

 

6. De rexistische revolutie: Rex vaincra!

Met de parlementsverkiezingen van 1936 in zicht vonden er in de winter van 1935/1936 nog bemiddelingen plaats tussen de katholieke partij en Rex om met gemeenschappelijke lijsten op te komen. Dit eindigde evenwel zonder succes en resulteerde op een officiële breuk op 21 februari 1936. Degrelle brak met de oude garde politici en wilde een rexistische revolutie ontketenen. Hierbij trok Rex ten strijde tegen het door corruptie en onbekwaamheid getekende staatsbestel, tegen het partijenstelsel en tegen de invloed van de grote bedrijven op de politiek. Banksters, pourris, pillards en cumulards waren hierbij centrale leuzen. Zonder ophouden werden de schandalen aangeklaagd. Ten gevolge van de wereldcrisis was er daarenboven massale werkloosheid, loonmatiging en faillissementen. Hierom ageerde Rex tegen het vrijzinnige liberalisme en het goddeloze marxisme.
Teneinde een wederwoord te kunnen bieden aan de tal van aanvallen van politieke tegenstrevers, richtte Degrelle een eigen strijdorgaan op. Het eerste nummer van zijn dagblad, Le Pays Réel (het werkelijke land tegenover le pays légal, het wettelijke land), verscheen op 3 mei 1936. De krant bracht dagelijks op demagogische wijze nieuwe schandalen aan het licht. Hoge prioriteit werd gegeven aan de strijd tegen de heersende corruptie en de zelfverrijking van de politici. Er werd gesproken over een mars tegen de dictatuur der verrotters (la dictature des pourris), en Degrelle wilde de stank (la puanteur) van het heersende regime met zijn corrupte politici en politieke bisschoppen verdrijven. In lijn met de vernieuwende geest van die tijd werden heel wat programmapunten van het Italiaanse Fascisme overgenomen: het streven naar een sterke leiderspersoonlijkheid, het vitalisme van de jeugd, het antiliberalisme, het antikapitalisme, het anticommunisme, het antiparlementarisme en het streven naar een nieuwe politieke moraal. Daarnaast was er ook een opvallende verering voor het koningshuis. Tot slot ijverde Rex voor een onmiddellijke opzegging van het Frans-Belgisch militair akkoord, sinds de linkse Franse volksfrontregering een akkoord met de Sovjetunie had gesloten.

Rexistische spotprent uit Les dernières cartouches (Paul Jamin, speudoniem ‘Jam’, 1936) waarbij de spot wordt gedreven met het verkiezingsprogramma en de waarden van de liberalen: liberté, responsabilité, solidarité (vrijheid, verantwoordelijkheid, solidariteit).

Om het rexisme en het zogenoemde rex-appeal te willen begrijpen, moeten we ook proberen de tijdsgeest en de maatschappij tijdens het interbellum te vatten waarin deze ideeën kiemden. Tijdens het interbellum kwamen -aanvankelijk in intellectuele kringen- de gangbare waardepatronen in heel West-Europa op de helling te staan. Het was vooral de kater van de Eerste Wereldoorlog die deze kentering in een stroomversnelling bracht. Denkbeelden die sinds de Franse revolutie ingang vonden, en die stilaan doorgedrongen waren in de maatschappij, kenden een tegenbeweging die zeker na de Eerste Wereldoorlog op meer bijval kon rekenen. De voorstanders van de Franse Revolutie predikten een vooruitgangsgeloof -dat zich uitte in de industriële revolutie- en een geloof in de maakbaarheid van de mens. Na de Eerste Wereldoorlog werd het voor steeds meer mensen duidelijk dat deze vooruitstrevende ideeën en verwezenlijkingen van de Franse Revolutie ook een schaduwzijde hadden. De voortschrijdende industrialisatie creëerde een steeds maar groeiend stedelijk proletariaat. De liberale economie was echter  -met haar laisser faire, laisser passer-credo – niet het ideale systeem om hieraan iets te kunnen veranderen. De Eerste Wereldoorlog was een grote ontnuchtering en het gevoel van een breuk in de geschiedenis was alomtegenwoordig. Het contra-revolutionaire ideeëngoed kenmerkte zich in de eerste plaats door een tegenbeweging. Ze was tégen de maakbaarheid van de mens en tégen  het rationalisme. Dit rationalisme had niet gewerkt en de mens moest terugkeren naar een meer organische levenshouding. Tegelijkertijd zette het traditionalistische ideeëngoed zich af tegen de vrijheid en gelijkheid van mensen. Het liberalisme had de mensen te vrij gelaten waardoor nieuwe onrechtvaardigheden waren ontstaan. Ook de individualisering werd afgevoerd. De mens was een deel van de gemeenschap en moest zich dan ook ten volle inspannen voor het bereiken van het algemeen welzijn. het belang van de gemeenschap kwam steeds voor het belang van de individuen. Toch mag het contra-revolutionaire ideeëngoed niet louter als een tegenbeweging worden beschouwd. Het formuleerde ook eigen waarden, en een duidelijk beeld van de maatschappij. Deze was heel hiërarchisch opgebouwd en werd geleid door sterk leidersfiguur. De chaos van het liberalisme moest worden vervangen door tucht en orde. Het individu moest ten dienste staan van de gemeenschap. Het belang van die gemeenschap uitte zich in grootse massa-bijeenkomsten. De dynamiek die van deze laatste uitging zorgde voor een erg strijdvaardige en militante mentaliteit in het interbellum. Het was een periode die werd gekenmerkt door dadendrang gevoel van engagement. Dit engagement was niet vrijblijvend. Het moest gepaard gaan met trouw, gehoorzaamheid en gebondenheid aan het systeem waarvoor men zich engageerde. Het teruggrijpen naar waarden van voor de Franse Revolutie ging ook gepaard met een sterk geloof in een betere toekomst. Het engagement dat werd verwacht werd, de strijd die werd gevoerd moest worden, stond in het teken van de overtuiging dat nu een nieuwe wereld, een nieuwe orde moest worden gevestigd. Het gevoel op de drempel van een nieuwe tijd te staan leefde sterk. Ongeveer tegelijkertijd met de crisis van de liberale economie kwam ook het parlementarisme onder vuur te liggen.

Tegelijkertijd  met het bovenstaande was er in de katholieke opinie een doorbraak van het contra-revolutionaire ideeëngoed dat al voor de Eerste Wereldoorlog ingang had gevonden. De hele Rex-beweging vond haar oorsprong in de katholieke actie, die jongeren onder het het pauselijke motto omnia instaurare in Christo jongeren inspireerde tot een nieuw dogmatisme van integraal-katholieke en anti-liberale inslag en tot een veroveringsgeest. In het spoor van de pauselijke encyclieken, vooral van het in 1931 verschenen Quadragesimo anno, hoorde daarbij ook het streven naar een gezonde maatschappelijke en sociale orde op corporatieve inslag. Ook binnen het midden van de katholieke actie zocht men in het interbellum naar een ‘derde weg’. De katholieke standenpartij verweet ze gebrek aan eenheid, tucht en bezieling en zag ze beheerst door onafzetbare partijbonzen. Rex was in wezen oorspronkelijk de meest geprononceerde uitdrukking van dit streven van katholieke actie-jongeren naar vernieuwing van de partij in de richting van een principieel katholieke politiek. Het ongeduld van de jongeren, de tomeloze ambitie van Degrelle zelf en de omstandigheden dreven haar evenwel weg van de katholieke partij. In die zin bevatte Rex elementen van een hernieuwingsbeweging, op uitzonderingen na (zoals José Streel) volgens sommigen evenwel zonder veel diepgang en al te vaak langs eerder ‘demagogische’ wegen.

Propagandapin van Rex, ontworpen door Victor Matthys, naar aanleiding van de parlementsverkiezingen van 1936.

Degrelle werd niet moe  om schandalen, het partijenstelsel en de corruptie  aan te klagen, evenals te ageren tegen de invloed van de grote bedrijven op de politiek. In een reeks brochures uit 1936, waarvan de titel telkens met J’ accuse… begon, werden een aantal politici persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor het wanbeleid en -toestanden.
Voor de campagne voor de parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 lanceerde Victor Matthys de slogans “Rex Vaincra!” (Rex zal overwinnen) en “NettoyageGroote Kuisch”. Als symbool voor de verkiezingsstrijd koos campagneleider Matthys de bezem, waarmee ze beloofden grote schoonmaak te houden en de stal van het regime uit te mesten.

Van meet af aan had Léon Degrelle de bedoeling gans België te beheersen. In zijn talrijke meetings klaagde hij allerlei wantoestanden aan. Degrelle was overal aanwezig en schrok er niet voor terug op socialistische en communistische meetings het woord te vragen. Het marxisme beschouwde hij als voorbijgestreefd en links hield nog maar één grote denker over, namelijk Hendrik De Man. Gaan spreken en (tegenspreken) op tal van politieke meetings bezorgden Degrelle naambekendheid, ook in middens waar men traditioneel links tot uiterst links stemde. De toehoorders stootten elkaar aan en zegden: “C’est le Léon”.  De meetings volgden elkaar in snel tempo op, soms wel meerdere per dag, en Degrelle werd het idool in Franstalig België.  Onder zijn toehoorders, voornamelijk ontgoochelde middenstanders, veteranen van de Eerste Wereldoorlog, overtuigde patriotten, militairen, ambtenaren en bedienden, kon hij steeds op bijzonder veel bijval rekenen. De rexistische groet, die tegen die tijd al ingang had gevonden, onderscheidde zich van de olympische en Duitse groet doordat bij de rexisten eerder de ganse arm volledig verticaal in de lucht werd gebracht. (Le bras tendu à la rexiste). Haar betekenis was een symbool van strijd voor de verwezenlijking van de rexistische revolutie, maar tevens ook een teken van ontzag en eerbied voor le chef. Als rexistische hymne werd  Vers l’ avenir gekozen. Dit Belgisch-nationalistisch lied werd in 1905 gecomponeerd, destijds als alternatief  voor de Brabançonne.

Fragment: de meeting bleef steeds het sterktste wapen van Rex, die steeds werd ingezet op de tonen van ‘Vers l’ avenir’.

 

In navolging van de mouvement rexiste in Franstalig landsgedeelte, werd ook in Vlaanderen een afdeling van de beweging van Léon Degrelle opgericht (Rex-Vlaanderen) onder de leiding van letterkundige en zwaar verminkte oud-strijder Paul De Mont. Hoewel haar aanhang geringer was, werd ook in Vlaanderen naar de Nederlandsonkundige Degrelle geluisterd. Hij was de lieveling van de katholieke intelligentsia en de boeman voor de politieke klasse die boter op het hoofd had. Zij beschouwen hem als een fantast, een opportunist, een demagoog, en een oproerkraaier. Tal van Vlamingen die bekenden geen Frans te verstaan erkenden dat Degrelle het toch heel schoon kon zeggen. De naam van het rexistische strijdblad in Vlaanderen heette De Nieuwe Staat.

Rex verkiezingsaffiche naar aanleiding van de parlementsverkiezingen van 1936.

Rex verkiezingsaffiches naar aanleiding van de parlementsverkiezingen van 1936.

 

7. Eclatante verkiezingsoverwinning voor Rex op 24 mei 1936

Na een buitengewoon harde verkiezingscampagne, en met in feite een éénmanspartij, slaagde Léon Degrelle op nauwelijks 27-jarige leeftijd om maar liefst 11,5% van het kiezerspubliek te overtuigen. Uit het niets gekomen, kreeg het Front Populaire de Rex in één klap 22 kamerzetels en 12 senaatszetels. In Wallonië was Rex goed voor 15,1% van de stemmen,  en in Brussel voor 18,5% van de stemmen. Zeven procent van de Vlamingen gaven Rex hun stem. In Vlaanderen had Rex enkel wat aanhang in franskiljonse en belgicistische kringen. De parlementsverkiezingen van 1936 waren een niet te miskennen overwinning van de extremen op de klassieke partijen geworden. Vooral de katholieke partij kreeg een zware nederlaag te verwerken: ze verloor in één klap dertien zetels. Honderdduizenden gedegouteerde kiezers hadden er voor gezorgd dat Rex een plaats kreeg op de politieke kaart van het Belgische landschap. Door het behaalde succes werd Léon Degrelle een politiek fenomeen waar men niet meer om heen kon. De francofone samenleving werd in het midden van de jaren ’30 van vorige eeuw, zonder het ten volle te beseffen, ideologisch door Rex beïnvloed. De oplage van Le Pays Réel telde tijdens de eerste maanden na de verkiezingen dagelijks tweehonderdduizend exemplaren. De beweging was niet meer weg te denken uit de actualiteit.

Ten gevolge van deze bekendheid vonden er zich in 1936 enkele ontmoetingen plaats tussen Degrelle en verschillende prominenten.
Op 28 mei 1936 vond er een ontmoeting plaats met koning Leopold III, die ook de voorzitter van de communistische partij Joseph Jacquemotte en de Vlaams-nationale leider Staf De Clercq ontmoette. Het onderhoud tussen de koning en Degrelle duurde anderhalf uur. Later beweerde de Rex-leider dat hij en de koning het over tal van zaken eens waren.
Ook op internationaal vlak vond Degrelle erkenning. Eerder al vertoefde hij kort na de machtsovername van Hitlers NSDAP van 23 april tot 3 mei 1933 in Berlijn, waar hij de 1-meifeesten bijwoonde. Gratis reiskaartjes en een dito visum werden door het Duits gezantschap te Brussel bezorgd. Tot 1936 had Degrelle verder geen betrekkingen met Duitsland.
In de zomer van 1936 slaagde Degrelle er in zich door Mussolini te laten uitnodigen. Hij ontmoette de Duce in aanwezigheid van zijn minister van Buitenlandse Zaken en schoonzoon graaf Ciano op 27 juli in Rome. Degrelle koesterde een warme genegenheid voor il Duce, die hij niet onder stoelen of banken stak. Eén concreet resultaat van deze ontmoeting was de massale financiële steun  die Ciano aan Degrelle toekende (250.000 Belgische frank per maand).  Wanneer later de officiële Belgische radiozender  hem geen zendtijd meer gunde, kreeg Degrelle de mogelijkheid om zich via radio Turijn tot zijn landgenoten te wenden.
Op aanraden van Ciano, Degrelles Italiaanse geldschieter, wendde de Rex-leider, nog dronken van zijn recente verkiezingsoverwinning, zich op 6 september 1936 tot het Duits gezantschap in Brussel: hij wilde Propagandaminister Goebels en zo mogelijk de Führer zelf ontmoeten. Nauwelijks drie weken later was het zover: op 26 september 1936 dronk Degrelle thee met Hitler. Op het vlak van anticommunisme, antikapitalisme en antiparlementarisme konden ze elkaar wel vinden. Met de antichristelijke politiek van de nationaalsocialisten had Degrelle het evenwel moeilijk. In deze periode maakte Degrelle ook kennis met Otto Abetz. Abetz zou later tijdens de oorlog de Duitse ambasadeur in Parijs worden. De eerste ontmoeting in 1936 werd het begin van een hartelijke vriendschap tussen Abetz en de Rex-leider.  Via de Duitse ambassade in Brussel kreeg Degrelle de aanzienlijke som van 250.000 Reichsmark uitbetaald. Daarenboven leverde Duitsland hem papier voor zijn dagblad. Geen enkele Vlaams-nationalistische leider is ooit -nog voor de oorlog, nog tijdens de oorlog- erin geslaagd Hitler te ontmoeten, maar daarvoor draaide Degrelle als het ware zijn hand nog niet om.

 8. Mars op Brussel

De overenthousiaste Rex-leider meende dat niets of niemand hem nog kon tegenhouden. In de zomer van 1936 brak in Spanje een gruwelijke burgeroorlog uit. “Rex of Moskou”, schreeuwde Degrelle.
Op 6 oktober 1936 sloot Degrelle een geheim akkoord met VNV-leider De Clercq, en liet het twee dagen nadien in Le Soir lekken. De Rex-leider was ervan overtuigd dat hij door zijn dynamiek het VNV op korte termijn met huid en haar zou kunnen verzwelgen. Het doel heiligde de middelen als hij maar de macht in handen kon krijgen. Hiervoor had hij aan de Vlaams-nationalisten heel wat toezeggingen gedaan. Zo was hij akkoord met de hervorming van België als federale staat, en een verregaande vernederlandsing van Brussel. Echter, de 72.000 stemmen die hij in Vlaanderen had behaald, waren voor het grootste deel stemmen van mannen die de Vlaamse eisenbundel allerminst waren genegen. Met het akkoord stootte hij deze kiezers voor het hoofd. Ook zijn Waalse en Brusselse aanhangers waren allesbehalve met het akkoord opgezet. Politieke tegenstanders beschuldigden hem ervan Wallonië aan Vlaanderen te hebben versjacherd.

Tijdens de zomer van 1936 had Degrelle toenadering gezocht met allerhande ultranationalistische en belgicistische verenigingen zoals de Croix-de-Feu, het fascistische Légion Nationale en de Union des Fraternelles de L’ Armée de Campagne. Degrelle, een unitarist in hart en nieren, had hun steun nodig voor een mars op Brussel, en kreeg ze ook. Hij plande deze naar analogie met Mussolini’s mars op Rome in oktober 1922.  Deze mars zou plaatsgrijpen op de verjaardag van de slag van de IJzer in 1914, namelijk op 25 oktober 1936. Op die dag zouden de oud-strijders, naar jaarlijkse gewoonte, massaal defileren voorbij het koninklijk paleis te Brussel, waar de koning hen opwachtte.

Gesterkt door het akkoord tussen Rex en het VNV, kondigde Léon Degrelle in oktober 1936 met veel bombast zijn Mars op Brussel van 250.000 rexisten aan. In politieke en militaire kringen gonsde het van de geruchten dat Degrelle een staatsgreep plande. Door zijn eigen stommiteit raakte het akkoord met het VNV vroegtijdig bekend en kwam het hele opzet in het gedrang. De vaderlandslievende verenigingen zegden hun toezegging tot deelname af. Bovendien verbood de regering de betoging in de straten van Brussel. Die bewuste zondag trokken niet de verhoopte 250.000 rexisten door de Brusselse straten maar slechts een schamele drie à vijfduizend. Zo’n 250 betogers werden opgepakt. Ook Léon Degrelle werd voorgeleid, maar korte tijd later weer vrijgelaten. Uiteindelijk kreeg hij voor zijn mislukte mars op Brussel slechts een gewone verkeersboete.

Fragment: Francis Balace en Léon Degrelle over de Mars op Brussel van 25 oktober 1936 en het akkoord tussen Rex en het VNV.

 

9. De tussentijdse verkiezingen van 11 april 1937: Léon Degrelle vs Paul Van Zeeland

Op 27 februari 1937 had Léon Degrelle een geheime ontmoeting met Gustaaf  Sap, eigenaar van de grote katholieke krant De Standaard, en met Charles-Albert d’ Aspremont Linden, grote man van het FACC. Zij verzekeren hem van hun steun indien hij een electoraal incident zou uitlokken. Degrelle zelf vond dit wel wat, daar hij rekende op een permanente politieke crisis op aan de macht te komen. Inmiddels had het establishment onder de katholieke minister Paul Van Zeeland en de socialistische minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak aan de extreme partijen de oorlog verklaard. Enkele dagen na deze ontmoeting kondigde Degrelle aan dat het Brusselse kamerlid van Rex, Alfons Olivier, samen met alle opvolgers zouden aftreden. Degrelle stelde zich kandidaat en daagde het regime uit. Binnen de veertig dagen dienden er nieuwe verkiezingen te worden gehouden. Eerste minister Paul Van Zeeland nam de uitdaging aan. Het werd een ongemeen hard campagne. De drie klassieke partijen plus de communisten bestreden op heftige wijze Rex, dat enkel door het VNV werd gesteund. De leider van Rex bespeelde bij voorkeur de thema’s corruptie en zuiverheid, terwijl de regeringsleider waarschuwde tegen de dictatuur van rechts, en de nadruk op legde dat elk communistisch gevaar uitgesloten was. In Spanje woedde de burgeroorlog namelijk nog volop, en in Frankrijk was het volksfront aan de macht. Van Zeeland werd voorgesteld als ‘het symbool van de democratie tegen het fascisme’.  Degrelle zag zich afgeschilderd als een bondgenoot van de ‘hitlerflamiganten’ en als hij die als ‘pelgrim naar Berlijn’ was getrokken.

Rexistisch verkiezingspamflet naar aanleiding van de tussentijdse verkiezingen van 11 april 1937.

Tijdens de propagandaslag die aan de verkiezingen vooraf ging werd het akkoord met het VNV Degrelles grootste handicap. De tegenstanders hadden de bekende Rex-slogan “Rex Vaincra!” omgebogen tot “Votez Degrelle… Borms Vaincra!” Ook het VNV zelf kreeg grote problemen om haar achterban achter Degrelle te krijgen. De Belgicistische Rex-leider verkondigde aldoor dat men de Groot-Nederlandse gedachte van het VNV niet te ernstig moest nemen, en dat het VNV bereid was om samen met Rex België om te vormen tot een sterke staat onder het gezag van de koning.

Met nog maar enkele dagen voor de verkiezingszondag beging Degrelle een kapitale fout die hem fataal zou worden. Op woensdagavond 7 april 1937 verklaarde hij op een meeting in het Brusselse sportpaleis: “Eén gezag, één enkel, mag zeggen of Rex op de ware baan is: Mechelen. Heeft Mechelen gesproken? Nee. Zal Mechelen spreken? Nee, omdat het vrede heeft met Rex, en de katholieke kiezers zal laten stemmen zoals zij het verkiezen. Had over ons de minste twijfel hebben bestaan, dan zou de aartsbisschop hebben gesproken. Omdat ons geval klaar is, laat hij aan de katholieken de volle vrijheid.” Degrelle had beter zijn mond gehouden. Niets van aan, luidde de dag voor de verkiezingen het antwoord. In een herderlijke brief werden de methodes en principes van Rex, dat een gevaar voor land en kerk vormde, veroordeeld. Loyale katholieken dienden voor Van Zeeland te stemmen. De gelovigen werden tevens op het hart gedrukt geen blanco stem af te geven. Degrelle, bang voor de implicaties van de herderlijke brief, beweerde dat alles rond een misverstand draaide. Hij verklaarde bereid te zijn zich dadelijk aan te passen aan de wensen tot wijziging van de kerkelijke overheid. De excuses van Degrelle mochten niet meer baten. Bij de verkiezing van 11 april behaalde Van Zeeland 76% van de stemmen tegenover slechts 19% voor Degrelle. Van de kiezers stemde 5% blanco. De ironie van het verhaal wil dat Van Zeeland zes maanden na zijn verkiezingsoverwinning tegen de lamp liep omwille het schandaal van de zwarte kas van de Nationale Bank.

Fragment: Francis Balace en Léon Degrelle over de tussentijdse verkiezingen van 11 april 1937 en de tussenkomst van kardinaal Van Roey.

 

De financiële steun uit Italië werd voor een korte periode stopgezet. Toen de stortingen in september 1937 werden hervat, was het nog maar een fractie van wat het ooit was geweest. Uit Duitsland kwam helemaal niets meer. In de zomer van 1937 zegde het VNV het akkoord met Rex op. Men  was de fratsen van Degrelle grondig beu. Degrelle zocht vervolgens, met het oog op een eventueel toetreding van Rex, voorzichtig toenadering tot het katholieke blok. Een sterk ontgoochelende Degrelle kreeg geen antwoord op zijn sollicitatie. Het vooroorlogse Rex zal deze politieke mokerslag niet meer te boven komen.

10. Implosie van het vooroorlogse rexisme

In de periode tussen de zomer van 1937 en de herfst van 1939 verhardde Rex haar doctrinaire standpunten. In haar persorganen Rex en Le Pays Réel vermenigvuldigden zich de aanvallen tegen de joden en de vreemdelingen. Op 10 juli 1938 ging er in het Brabantse Onze-Lieve-Vrouw-van- Lombeek een landdag door. Deze verliep niet zonder incidenten. Tussendoor publiceerde Degrelle het boek Révolution des âmes, een bundeling van allerhande artikels.
Vanaf de gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938, en vervolgens opnieuw met de vervroegde parlementsverkiezingen van 2 april 1939, stonden de campagnes in het teken van de oorlogsdreiging en mobilisatie. Hoewel Rex een ultrapacifistische houding aannam, werd Degrelle door zijn politieke tegenstrevers met de aanstormende Nazi’s vereenzelvigd. De verkiezingsuitslag van 1939 deed Rex compleet als een pudding imploderen. Van éénentwintig kamerzetels bleven er nog vier over. Zelfs was Degrelle met een behoorlijk aantal stemmen verkozen. De partij kon nog op 4,43% van het kiezerspubliek rekenen. In de senaat hield de partij nog enkele zetels van de twaalf over. In Vlaanderen had de partij geen enkele vertegenwoordiger meer.

11. In de marge van het politieke leven 

Bij het uitbreken van de Duits-Poolse oorlog op 1 september 1939 vertoefde Rex in de marge van het politieke leven. Geen enkele partij hield nog met haar rekening. Ondertussen woonde Léon Degrelle met zijn gezin in de Brusselse gemeente Ukkel, in een grootse villa in de Lotharingendreef. Degrelle schaarde zich achter de neutrale koers van de regering en Leopold III. Zijn hyperneutrale opstelling weerhield de Rex-chef er niet van om op geregelde tijdstippen te ageren tegen de Brits-Franse alliantie, die Duitsland iedere verdere expansie onthield. Zo vroeg hij zich luidop af waarom de geallieerden wel de oorlog aan Duitsland hadden verklaard, en niet aan Sovjet-Rusland toen deze op zijn beurt op 17 september Polen binnenviel. Een vraag die vandaag nog steeds niet op afdoende wijze werd beantwoord.  Voor Degrelle lagen de vrijmetselaars en de joodse bankiers aan de basis van de nieuwe wereldoorlog. Tijdens deze mobilisatieperiode had Degrelle tevergeefs getracht als gevechtspiloot in het Belgisch leger te worden opgeleid. Het ministerie van Oorlog weigerde op zijn vraag in te gaan daar parlementsleden immers niet werden opgeroepen.
Wanneer Stalins Rode Leger in november 1939 het kleine Finland binnenviel, koos Degrelle resoluut de zijde van de dappere Finnen. Een aantal rexisten trokken als vrijwilliger naar Helsinki. In april 1940 verdedigde Degrelle de bezetting van Denemarken en Noorwegen door de Wehrmacht. Voor hem had Hitler geen andere keuze: de Britten waren waren volgens Degrelle de schuldigen, daar zij als eerste de neutraliteit van Noorwegen schonden door de Noorse wateren met oorlogsschepen binnen te varen. Volgens Degrelle was de Duitse bezetting door Hitler een preventieve oorlog om de geallieerden de pas af te snijden. Een aantal Rex-parlementsleden namen ontslag uit verontwaardiging over deze krasse bewering.

12. Wegvoering en gevangenschap tijdens de eerste oorlogsmaanden van 1940

Vroeg in de morgen op vrijdag 10 mei 1940, enkele uren na de start van de het grootschalige Duitse offensief tegen het westen, werd Léon Degrelle door Belgische rijkwachters van zijn bed gelicht en met vijf à zesduizend andere zogenoemde ‘verdachten’ weggevoerd. De Rex-leider achtte zich – ondanks zijn parlementaire onschendbaarheid – persoonlijk geviseerd door Paul Emile Janson, minister van Justitie en prominent logeman. Na een tussenstop in het Brusselse justitiepaleis werd ‘verdachte’ Degrelle in een dievenkar naar de gevangenis van Vorst afgevoerd. De volgende morgen trok het gezelschap van verdachten te midden van de alomheersende chaos  naar de gevangenis van Brugge. Hierbij werden Degrelles handen op de rug vastgebonden. Op dat moment bevond Joris van Severen, leider van het Verdinaso die de voorgaande dag eveneens was aangehouden, zich tevens in de Brugse gevangenis. Vanuit Brugge trok het konvooi verdachten per bus richting Frankrijk. De behandeling was grof en onbeschoft: vastgeketend, nauwelijks drinken niettegenstaande de hete meidagen, en de Belgische rijkswachters vertelden eenieder die het horen wilde dat ze spionnen een parachutisten vervoerden. Overal heerste ‘spionitis’ en woede onder de bevolking. De complete chaos had de rede verdrongen.
In Duinkerken werd Degrelle van de rest van het konvooi gescheiden, en na een schijnexecutie dachten deze laatsten dat de Rex-leider was terechtgesteld. Vervolgens werd hij tegen enige geldige wetgeving in aan de Franse overheid overgedragen. Tijdens zijn calvarietocht werd er geroepen, gescholden, gekneveld, en werd nog bijkomend nog één schijnexecutie gehouden. Na Duinkerken volgde de gevangenis van  Rijsel, en naarmate de Duitse legers dieper Frankrijk binnendrongen, hoe verder Degrelle naar het zuiden werd gebracht. Tijdens deze tocht volgden de gevangenissen elkaar op: Loos, Evreux, Caen, Nantes, Rouen, Lisieux, Tours, Hâ, Le-Puy-en-Velay,… Meermaals werd hij mishandeld en vernederd.
Pas op 22 juli 1940 kwam een einde aan zijn lijdensweg, toen Degrelle door zijn partijgenoot Pierre Daye – en dankzij tussenkomst van zijn Duitse vriend Abetz – in de Zuid-Franse stad Carcassonne werd aangetroffen. De voorgaande dag werd de flink vermagerde Rex-leider, met een baard van drie maanden, uit het Franse concentratiekamp van Le Vernet vrijgelaten. In 1943 publiceerde Degrelle het relaas van zijn calvarietocht onder de titel La guerre en prison. In zijn eigen stijl vertelde Degrelle als volgt over zijn vrijlating en terugkomst naar België na drie maanden gevangenschap.
“Het was onbegrijpelijk. Niemand  was mij komen halen. Ik had niets vernomen van welke tussenkomst ook. Sinds 10 mei had ik geen letter kunnen schrijven en was zonder nieuws van al mijn kennissen. Niettegenstaande de oorlog geëindigd was, was men voortgegaan mij van kerker naar kerker te sleuren. En nu, zonder dat ik iets gezien of gehoord had, bevond ik mij plots op de baan met een baard van drie maanden, een bebloed lichaam en gedeeltelijk verlamde handen. (…) Levendgeworden dode keerde ik terug naar mijn arm vaderland.”

13. Op zoek naar politieke macht tijdens ‘de wondere zomer van 1940’

Na de Belgische capitulatie van 28 mei 1940 was er geen sprake meer van Rex. Het verkiezingsfiasco van 1939 had de partij erg verzwakt en verdeeld. Bovendien was de Rex-leider Degrelle in de mei-dagen van 1940 weggevoerd en gedurende weken werd gedacht dat hij hetzelfde lot had ondergaan als Joris van Severen, die te Abbeville door Franse militairen was neergeschoten. Dit was echter niet het geval. Op 30 juli 1940 was Léon Degrelle weer in Brussel. Na zijn terugkomst in België was hij vast besloten dat zijn uur geslagen was, en wilde hij zijn verloren tijd zo vlug moglelijk inhalen. Zonder vooraf enig advies van wie dan ook in te winnen, nam hij haast onmiddellijk contact op met twee Duitse politieke vertegenwoordigers. De eerste was Otto Abetz die volgens Reeder (het hoofd van het Duitse Militaire Bestuur te Brussel) “Bij Degrelle een hoop deed ontstaan die veruit de werkelijke mogelijkheden overtrof”. Hij zag zichzelf niet alleen als leider van Rex maar in de eerste plaats als leider van België, ingekapseld in de Nieuwe Orde van de Führer Adolf Hitler. Degrelle was er heilig van overtuigd dat hij de enige was die het bestaan van België kon redden.
Verder ontmoette Degrelle Max Liebe te Brussel, bij wie hij zijn plan voor de pers ontvouwde. In de eerste plaats moet Le Pays Réel zo snel mogelijk terug worden uitgegeven. Nog voor het einde van de Achttiendaagse Veldtocht hadden familieleden van Degrelle bij de Duitsers reeds om toestemming tot wederuitgave verzocht. Deze toestemming werd op 31 juli 1940 verleend, precies op de dag waaruit de Rex-leider uit zijn Franse gevangenschap terugkeerde. Het zal evenwel nog tot 25 augustus 1940 duren alvorens het eerste nummer zou verschijnen. Mettertijd verdween het katholieke element uit de krant en werd het meer en meer door kritiek op de kerk vervangen. Antisemitische artikels en allerhande racistische theorieën kregen de nodige plaatsruimte. Maar Degrelle had tegenover de Duitsers ook de wens uitgesproken om Le Soir en Het Laatste Nieuws onder zijn controle te krijgen. Met deze twee bladen zou hij immers een veel groter publiek bereiken dan met Le Pays Réel, waarvan de oplage tijdens de bezetting nog geen zesduizend exemplaren betrof. De Duitsers gingen evenwel niet in op de wens van Degrelle. De gedachte, de hoop dat zijn Pays Réel zou uitgroeien tot een nationale krant bleek verkeerd. Andere kranten namen die taak waar. Het Rex-dagblad bleef een partijkrant, vol propaganda, dat enkel door eigen leden en sympathisanten werd gelezen.

Fragment: Paul Jamin over de verwachtingen tijdens de ‘wondere zomer van 1940’ en Francis Balace over de initiële politieke handelingen van Léon Degrelle.

 

14. Naar een autoritaire staat

Bij de terugkeer van Degrelle gonsde het in ons land al wekenlang van geruchten over pogingen tot vorming van een nieuwe regering, die onder rechtstreeks gezag van de koning en zonder verkozen parlement het lang zou besturen. Benevens andere vooroorlogse politici als de liberaal Albert Devèze, katholieken zoals Paul Tschoffen en Edgard De Bruyne en de socialistische leider Hendrik De Man,  was de liberale Minister van Staat Maurice Lippens de actiefste en meest ongeduldige kandidaat-formateur. Lippens wilde een staatsorde die niet meer zou zijn onderworpen aan de “slavernij van het algemeen stemrecht” en het meerpartijen stelsel. Degrelle zelf hoopte bondgenoten te vinden voor zijn idee van een heropleving van het oude Bourgandische Rijk uit de 15de eeuw (van Amsterdam  tot Dijon).
Ook ten huize van Degrelle in de Ukkelse Lotharingendreef was het een ware bedankenis van politici van de oude stempel, machtigen van de oude partijen die hem weinige tijd tevoren sterk bestreden hadden en die het nu met de Rex-leider op een akkoordje wilden gooien om een regering te vormen, of hem als bruikbare pion beschouwden om hun eigen positie tegenover de bezetter te versterken. Omdat koning Leopold III er niet op inging kwam van al deze pogingen tot regeringsvorming niets terecht. Hitler verbood Leopold immers verbintenissen aan te gaan die betrekking hadden op de toekomst van België. Daarom liet Leopold het aan zijn privé-secretaris graaf Capelle over om Degrelle duidelijk te maken, dat de audiëntie waarom hij had gevraagd diende te worden uitgesteld tot “de omstandigheden zich daartoe zouden lenen”.

15. Degrelles droomwereld

Bij Degrelle sloegen de pogingen tot regeringsvorming al evenmin aan. Hij wilde in geen geval als aanhangwagen van vooroorlogse politici dienen en niet terugkeren naar een voorbijgestreefd regime. Hij zag het helemaal anders en vooral veel grootser: België moest verruimd worden tot de Somme in het zuiden en de Maas in het noorden. Voor Degrelle was De Man de enige die “de nieuwe tijd” begreep, en met wie hij in augustus 1940 een akkoord had afgesloten over de afschaffing van de parlementaire democratie, de vorming van een eenheidspartij en de hervatting door de koning van zijn functie als staatshoofd. De Man zelf dacht laagdunkend over de rexistische leider. Voor hem was Degrelle een marginaal personage met weinig invloed. Iemand die gemakkelijk genegeerd kon worden. Dat de koning ook nog daarna veel met De Man omging was voor Degrelle het bewijs dat ook de vorst voor een nieuwe staatsorde was gewonnen. De ijdele en zichzelf schromelijk overschattende Degrelle liet weten minister van Financiën in een dergelijke regering te willen worden.
Ook bij het Duitse Militaire Bestuur had Degrelle het tegen die tijd meer dan verkorven. Daar stond hij al vanaf het begin aangeschreven als een Latijnse veelprater, een onstandvastige, een fantast met een erg beperkt organisatietalent. Bovendien werden de tussenkomsten door Otto Abetz te zijnen gunsten én door het Duitse Militaire Bestuur in België én door Berlijn kwalijk genomen. Reeder wilde enkel dat Degrelle de collaboratie-krachten in Wallonië verzamelde en de inwoners aan de Franse invloedssfeer onttrok. Degrelle mocht zijn beweging uitsluitend in Wallonië uitbouwen. Vlaanderen en Brussel waren immers voorbehouden aan het VNV. Maar dit beantwoorde geenszins aan de onbegrensde ambities van de impulsieve Degrelle. Knarsetandend en machteloos diende Degrelle zelfs toe te kijken hoe de Germaanse Vlamingen van het VNV Wallonië tot hun wingewest voor hun geboorteoverschot uitriepen. Zij konden dit doen zonder door de bezetter teruggefloten te worden.

Fragment: Paul Jamin, Frantz Thedieck en Jean Vermeire over de aanvaarding van Degrelle door de Duitsers. Degrelles ambitie met België was van een andere aard dan de Duitse intenties.

 

Degrelle mocht wel een paramilitaire organisatie, de Formations de combat, met zo’n vierduizend manschappen oprichten. De militanten werden in zwarte uniformen gestoken, vergelijkbaar met de Zwarte Brigade van het VNV in Vlaanderen. Op termijn zouden de leden van de Rex-militie de Rijkswacht in Franstalig België dienen te vervangen. De Rex-leider stelde alles in het werk om in het gevlei van de Duitsers te komen. Dezen toonden hem echter hun schouder. Ze waren niet in hem geïnteresseerd. Degrelle was voor hen een collaborateur zonder enige waarde. Hij werd wandelen gestuurd en Generaal Alexander von Falkenhausen, bevelhebber van de Militärverwaltung in Belgien und Nordfrankreich, weigerde hem te ontmoeten. In tegenstelling tot het VNV verkreeg Rex-leider Degrelle van de Duitsers niets. De oproep van Rex om dienst te nemen bij het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK) leverde nauwelijks driehonderd kandidaten op. Degrelle had de Duitsers verzekerd dat zich in een mum van tijd duizend vrijwilligers zouden aanmelden. De enige oplossing die voor Degrelle over bleef om nog enigszins aan zijn trekken te komen bestond er in zijn bereidheid tot collaboratie met panache te doen blijken, en zich daardoor door de Führer te laten opmerken.

16. Heil Hitler!

Léon Degrelle had in oktober 1940 graag een ontmoeting met Hitler. Het via Abetz aangevraagde onderhoud met de Führer ging echter niet door aangezien Hitler het belangrijker achtte Mussolini te ontmoeten. Italiaanse troepen waren op 28 oktober Griekenland binnengevallen, en Hitler was hiervan niet op voorhand geïnformeerd. Hitler was woedend over de Duce’s roekeloosheid.
In de plaats van een ontmoeting met Hitler kregen de rexisten een wel erg onverwacht nieuwjaarsgeschenk, toen Degrelle zijn hoofdartikel in Le Pays Réel van 1 januari 1941 beëindigde met “Heil Hitler“. Tijdens een meeting in Luik op 5 januari 1941 onderstreepte hij “de ideologische gemeenschap van het rexisme en het nationaalsocialisme” en sprak hij zijn grote vertrouwen in Hitler uit, “de meest buitengewone man van deze tijd”, “dit genie”. En ook daar eindigde Degrelle zijn lofbetuiging met een luide “Heil Hitler“. In de straten van Luik riepen vele tegenmanifestanten “Degrelle aan de galg” en “Dood aan Rex”.
De herhaalde heilgroet aan Hitler verwekte in de al niet zo dichte rangen van de rexisten een totale verslagenheid en zulke algemene verwarring, dat zij tot een vlucht uit de gelederen leidde. Degrelle vond dat Rex hierdoor slechts “zijn overtollig vet” verloor. Voor de bij Rex aangesloten militairen en vooral de oud-strijders van 14-18 viel het inderdaad niet te slikken dat zij zich niet alleen met een gewezen vijand moesten verzoenen, maar hem op de koop toe ook nog met Heil moesten toejuichen.

Fragment: Jean Vermeire en Francis Balace over Degrelles dadendrang en zijn ‘Heil Hitler op 1 januari 1941. Vervolgens Degrelles verklaring voor deze uitspraak.

 

17. Een charlatan, een snoever

Eigenaardig genoeg hadden Degrelles heilgroeten bij de Duitsers een negatief resultaat, en brachten ze hem geen stap nader in de gunst van de Duitsers. Vol minachting schreef Reeder aan Berlijn: “Maar Degrelle die ‘Heil Hitler!‘ roept, nadat hij eerst ‘Leve de koning!’ heeft gekeeld, komt hoe langer hoe meer over als een charlatan, een kwakzalver, een snoever, een berekende propagandist, die uit politieke ambitie tot alles in staat, ja tot het allerlaagste bereid is.” Al snel kwam Degrelle tot het besluit dat de militaire collaboratie het enige middel was om op een goed blaadje te geraken bij de Duitsers. Reeds in januari 1941 stelde hij voor een uit rexisten bestaand legioen van duizend man ter beschikking van het Duitse leger te stellen om Engeland te bestrijden, en om Congo op de Belgische koloniale macht te heroveren. De Duitsers gingen niet op deze voorstellen in. Ten einde raad zal Degrelle in april 1941 naar de grote middelen grijpen. Op 10 april 1941 schrijft hij een persoonlijke brief aan Hitler: “Ik wil deelnemen aan de heroïsche inspanning van de Duitse jeugd in het grootste epos aller tijden. Ik weet wel, dat vreemdelingen nog niet in de Duitse legers worden toegelaten, maar misschien wil de Führer voor mij wel een uitzondering maken. Heeft Rex niet steeds het recht op leven van Duitsland en de nationaalsocialistische principes verdedigd? ” En Degrelle, die in België nooit soldaat was geweest, besloot: “Roep mij waar u maar wil, bij de luchtmacht, bij de panzerdivisionen, op de meest bescheiden of de meest ondankbare plaats in de SS, om het even waar. Ik zal trots en gelukkig zijn mijn leven ter beschikking van Uw ideaal te stellen.” Degrelle moest tot in juli 1941 wachten vooraleer hij een antwoord op deze smeekbede kreeg. Het antwoord was negatief. Op 10 mei 1941 moest hij zelfs de ontbinding slikken van wat er van Rex-Vlaanderen overbleef. Het schamele restant was gewongen in de Eenheidsbeweging-VNV op te gaan. Voor Rex-leider Léon Degrelle waren het de donkerste dagen uit zijn politieke loopbaan.

Fragment: in april 1941 stelde Degrelle vast dat het vertrouwen van de Duitsers enkel nog aan het front kon worden gewonnen. Nog voor de Duitse inval in de Sovjetunie wenste hij in het Duitse leger te worden opgenomen.

 

Uiteindelijk zal Degrelle er toch in slagen zich door Hitler te laten opmerken. Wanneer Duitsland op 22 juni 1941 de Sovjetunie binnenvalt, wordt het Waals Legioen opgericht. Degrelle had uitgemaakt dat, gezien het vergaand wantrouwen van het Duitse Militaire Bestuur en zijn veronachtzaming door Hitler, zijn politieke toekomst in België ten einde was, en dat hij het vertrouwen van de Duitsers slechts kon winnen op het front. Hij zal het Waals Legioen gebruiken als een politieke hefboom om op politiek vlak eindelijk op het voorplan te geraken.