De Nieuwe Orde
Index:
2. Ontstaan en evolutie van de Nieuwe Orde-gedachte
a. L’ Ordre Nouveau
b. De Quadragesimo Anno en het solidarisme
c. Het Fascisme
d. Het nationaalsocialisme, nazisme of Hitlerisme
3. De Nieuwe Orde in België tijdens het interbellum
1. Bepaling van het begrip Nieuwe Orde
De naam van een website zou, net zoals de titel van een boek, duidelijk moeten maken waar de inhoud over gaat. Zoals men uit de ondertitel al kon opmaken, gaat deze site over de Vlaamse collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. In het licht van dit onderwerp dienen we vooreerst stil te staan bij het begrip Nieuwe Orde. Volgens verscheidene publicaties, alsook het gelijknamige feuilleton uit de jaren tachtig van Maurice De Wilde, impliceert de term Nieuwe Orde de nieuwe staatsorde die Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons land door middel van het nationaalsocialisme tot stand wou brengen. Nieuwe Orde is volgens deze bronnen dus gelijk aan nazisme, bezetting en alle bijhorende nevenverschijnselen die het bezettingsregime tot gevolg had, en bijgevolg te veroordelen of te verwerpen is. Tengevolge van de serie en de publicaties van Maurice De Wilde kreeg het begrip sindsdien deze betekenis. De historische volledigheid leert ons echter dat deze definiëring een grove veralgemening en vereenvoudiging is. Het begrip Nieuwe Orde was namelijk in oorsprong en in praktijk, tot in de oorlogsjaren toe, een begrip die alle politieke strekkingen omvatte en een maatschappelijke vernieuwingsdrang verwoordde, die aanvankelijk hoegenaamd niet met nazisme samenviel. Hoewel bepaalde stromingen, die later door de historische gebeurtenissen in het ongelijk werden gesteld, het begrip Nieuwe Orde ook gebruikten, en bij het begin van de Duitse bezetting de kans zagen om, door medewerking aan een voor Duitsland voordelige Neu-Ordnung van Europa, ook de uitbouw van een binnenlandse nieuwe orde te verwezenlijken, mag men hen niet het alleenrecht op deze term gunnen.
In deze tekst willen we het hebben over het ontstaan, de betekenis en de evolutie van het begrip Nieuwe Orde. Vooraleer stil te staan bij het fenomeen van de collaboratie en de daarbij horende collaboratiegroeperingen te bestuderen, lijkt het ons belangrijk het begrip Nieuwe Orde in zijn internationale- en nationale context te plaatsen. Hoewel het nastreven van een nieuwe ordening in de jaren dertig kaderde in een algemene ontevredenheid over het democratisch bestel, en men een alternatieve staatsorde voorstond, hebben echter niet alle Nieuwe Orde-bewegingen de stap naar de collaboratie gezet. De belangen van deze laatste bewegingen moeten dus onverenigbaar zijn geweest met de ordening die de Duitse bezetter en de collaboratiegroeperingen beoogden.
2. Ontstaan en evolutie van de Nieuwe Orde-gedachte
Volgens journalist en publicist Mark Grammens werd het begrip Nieuwe Orde in 1848 door Victor Considérant gelanceerd, en in 1919 geactualiseerd door de Italiaanse communist Gramsci. Historisch gezien ontstond Nieuwe Orde dus bij de linkerzijde, en stond ze voor een verlangen naar politieke structuurhervormingen. Aan het eind van de jaren twintig ontstond in Frankrijk een groep Franse schrijvers die zich verenigden onder de benaming L’ Ordre Nouveau. Ze bestond uit jonge, hoofdzakelijk katholieke, maar ook Joodse en linkse intellectuelen, die zochten naar een personalistisch alternatief voor het socialisme, en daarbij de menselijke solidariteit op de voorgrond plaatsten.
In 1933, in volle economische crisis, verscheen het eerste nummer van het naar de groep genoemde blad L’ Ordre Nouveau. Hun denken was pragmatisch, antirationalistisch en fragmentarisch en kan moeilijk in het hedendaagse schema links of rechts worden ondergebracht. Ze wilden een nieuwe staatsordening in Europa tot stand brengen, en meenden dat Frankrijk een heroïsche evocatie moest krijgen om de het land in staat te stellen uit de economische impasse te geraken. Men was niet overtuigd of een parlementair gepalaver dit kon. Ook werd het – in hun ogen – failliete politiek en economische liberalisme en het marxisme aangeklaagd. Voor het Italiaanse fascisme had men evenmin veel sympathie. De orde waar men voor stond was het tegendeel van de kapitalistische chaos en parlementaire machteloosheid (de wet van het getal, in de praktijk gereduceerd tot de macht van de pressiegroep die het grootste aantal parlementariërs wist te beïnvloeden), maar ook het tegendeel van fascisme, nazisme of stalinisme. “Als de Orde niet meer in orde is, dan moet ze in revolutie zijn: en de enige revolutie die wij overwegen is de revolutie van de Orde”, stelden Robert Aron en Arnaud Dandieu. Dit verlangen naar een Nieuwe Orde was het gevolg van de ontgoochelingen die volgden op de bittere ervaringen na de Eerste Wereldoorlog. De dromen van een nieuwe maatschappelijke orde hadden het tijdens deze oorlog mogelijk gemaakt een oorlogsinspanning, die elke redelijke zin verloren had, te steunen of te ondergaan. “Nooit meer oorlog”, luidde de spontane verwachting van de soldaten in de loopgraven aan de IJzer en de Marne. Men aanvaardde het niet meer dat voor een dergelijke oorlog de jonge elite van een natie werd uitgemoord, zoals dat tijdens de Grote Oorlog was gebeurd. Deze moordpartijen konden achteraf pas worden verantwoord door een verheven doel, dat boven het nationale belang stond. Dit doel was de gesublimeerde samenleving, de nieuwe orde, die men na de oorlog tot stand wilde brengen. Natuurlijk is daar na de oorlog niets van terecht gekomen en ontstond een generatie die gefrustreerd was in haar doeleinden, en tezelfdertijd begreep dat het offer van tal van kameraden nutteloos was geweest. Die ontgoochelde generatie had Oswald Spengler gelezen en uit zijn beschouwingen afgeleid dat het oude Avondland enkel nog door een forse ingreep van niet aan de decadentie overgeleverde mannen te redden viel. De terminologie van Oswald Spenglers beschavingsfilosofie inzake het Avondland was alomtegenwoordig in de jaren dertig. Het was een tijd van crisis en er heerste grote bezorgdheid over de toekomst van de Europese cultuur. De filosofie van het Avondland stelde dat de Europese cultuur in een dramatische situatie was beland. Het liberalisme, dat de Europese cultuur sinds de Franse Revolutie had gekenmerkt, had alle vitaliteit verloren. Om de christelijke West-Europese beschaving te redden, moest met het oude Europa worden gebroken. De toekomst van de Europese cultuur lag in een Nieuwe Orde. Het volstond om een coherente heel-Europese ideologie uit te werken en te propageren om de voorspelling van Spengler niet te laten uitkomen en de ondergang van het Avondland af te wenden. Men ging dus opzoek naar nieuwe ideeën, en ook methoden om die daadwerkelijk in de praktijk te brengen. Men kon die vinden in het fascisme en later in het nazisme, en tussendoor in de pauselijke teksten. De daad maakte in de jaren tussen de twee wereldoorlogen een onverbrekelijk deel uit van de ideologie, juist omdat men kort na de Eerste Wereldoorlog genoeg had gekregen van het contrast tussen woorden en daden. Hieruit volgde dat zelfs de minst geëngageerde aanhangers de daad bij het woord moesten voegen, en een uniform aantrekken. Het was een fenomeen dat minder te maken had met enig militarisme, maar wel met de ontgoochelingen die het gevolg waren geweest van de Eerste Wereldoorlog en die een objectieve onderzoeker in alle belangrijke politieke geschriften uit de periode tussen de twee wereldoorlogen kan terugvinden. Het was de tijd waarbij Paul Henri Spaak, met rode foulard over het overhemd, een rede begon met de historische woorden: “Aujourd’hui je revêts l’uniforme”. De emotie van de ontgoochelde generatie bracht onder invloed van het voorgaande, en de heersende autoritaire stromingen in Italië en Duitsland, het ontstaan teweeg van een nieuw moralisme: een nieuwe vormgeving aan ethische denkbeelden. Dat in naam van deze moraal, net zoals in naam van alle voorgaande, later misdaden zijn begaan doet geen afbreuk aan haar historische waarde en betekenis. Door de trouw te beklemtonen hoopte men de leugen te bestrijden, door middel van de lotsverbondenheid het onrecht van de ongelijkheid. Onder invloed van L’Ordre Nouveau stond het begrip Nieuwe Orde begin jaren dertig dus voor non-conformisme. Men verwierp de kapitalistische wanpraktijken van banken en holdings, evenzeer als het socialisme in zijn stalinistische vorm. Het was echter niet antisocialistisch en ook niet gekant tegen privé-bezit. Het is onmogelijk deze denktrant links of rechts te noemen. Met huidige begrippen links of rechts kon je in die tijd weinig kanten uit. Onze huidige indeling links of rechts werd overgens pas een realiteit na 1945, en beiden zijn ondertussen geëvolueerd naar wazige begrippen. Het getuigt van weinig historisch inzicht – haast van hedendaags electoraal opportunisme – om op de hier boven geschetste historische stromingen of bewegingen een hedendaags politiek etiket te kleven. Zo was de nationaalsocialistische beweging van Hitler primair een proletarische (dus linkse) revolutionaire beweging. In de Duitse geschiedenis betekende het nationaalsocialisme tevens de eerste doorbraak van de massa in de politiek, en dus kan het ook worden beschouwd als een linkse (of rechtse) revolutionaire reactie tegen het lange bewind van verschillende vormen van aristocratie. Die proletarische revolutionaire beweging ontaarde uiteraard, zoals elke intolerantie ontaardt, want mensen zijn niet geschikt om absolute macht te bezitten.
Echter niets van dit alles heeft men uit het verhaal van Maurice De Wilde geleerd. Geen woord over de oorzaken van het wellicht krampachtig intellectueel streven naar maatschappelijke vernieuwing in de jaren dertig. De economische crisis van 1929 was objectief een revolutionair gegeven, ook al is er niet direct een revolutie uit voortgekomen, maar op korte termijn slechts verwarring en afgang en ook een opdeling van intelligentsia in extreme tendensen die elkaar naar het leven stonden.
b. De Quadragesimo Anno en het solidarisme
(1) De pauselijke encyclieken Rerum Novarum en Quadragesimo Anno
De algemene maatschappelijke vernieuwingsdrang, die kenmerkend was voor de crisisjaren in het interbellum en gepaard ging met het erkennen van de tekortkomingen van het politieke en economische liberalisme en het afwijzen van het marxisme, werd niet enkel door intellectuele schrijvers, zoals de groep rond L’ Ordre Nouveau, verwoord. Ook in het katholiek sociale denken kwam de gewijzigde maatschappelijke context naar voor, die door middel van de sociale encycliek Quadragesimo Anno een plaats kreeg binnen de katholieke sociale leer. Quadragesimo Anno verscheen in 1931, veertig jaar na de encycliek Rerum Novarum.
De encycliek Rerum Novarum (letterlijk: Over de nieuwe dingen), geschreven in 1891 door paus Leo XIII, was de eerste systematische vormgeving van de sociale leer van de Kerk. De hoofdgedachte van de encycliek was de verwerping van het marxisme. Daarnaast werd ook een christelijke oplossing voor de sociaal-economische problemen ontwikkeld: een rechtvaardig loon, het recht op eigendom en solidariteit met zwakkeren. De marxistische klassenstrijd en de negatie van privébezit schaadde volgens de encycliek vooral de werkman zelf. De negatie van het privé-eigendom was immers in strijd met de natuur van de mens: de vooruitziendheid van sommige mensen en hun arbeid waren volgens Rerum Novarum de bronnen van dit privébezit. Ook de marxistische opvatting dat de ene klasse de vijand is van de andere werd in de encycliek verworpen. Arbeiders werden vrij geacht om zich te verenigen als zij dit wensten, maar de basis hiervan moest echter gelegen zijn in de solidariteit en de christelijke broederlijkheid tegenover iedereen en mocht niet liggen in de klassenstrijd.
De encycliek Quadragesimo Anno (letterlijk: Veertig jaar later), geschreven door paus Pius XI, betekende de voortzetting van de sociale leer van de Katholieke Kerk, en een aanpassing van aan de nieuwe situatie. Ten gevolge van de instorting van de beurs van New York heersten massale armoede en werkloosheid. Daarnaast waren de politieke stromingen gewijzigd: het socialisme had zich van het communisme afgesplitst en –aldus de encycliek– zonder dat één van beide de antichristelijke grondslag had verlaten, stonden de twee hoofdgroepen meestal vijandig en zeer scherp tegenover elkaar. Daar ze beide in strijd waren met de christelijke waarheid kon geen van beide met de lering van de katholieke kerk worden verzoend. Betreffende de eigendomsleer kwamen twee stellingen terug.
Vooreerst stelde de Quadragesimo Anno dat het eigendomsrecht verschilde naargelang het ging om individuele belangen dan wel om het algemene belang. In het kader van het privé-eigendom moest dus rekening worden gehouden met het eigen- en het algemeen belang. Ten tweede achtte men de staat bevoegd om in te grijpen om het algemene belang te garanderen, en om te omschrijven wat de verplichtingen waren ten aanzien van het algemene belang. Hierin mocht de staat ook niet willekeurig te werk gaan, en werd haar bevoegdheid ook beperkt door het natuurlijke recht op privé-eigendom.
Het principe van corporatieve ordening moest volgens de Quadragesimo Anno worden uitgewerkt in een maatschappelijke organisatie, die de klassenstrijd zou uitschakelen. De corporaties werden bedoeld als bedrijfs- en beroepsgroepen, waarbij mensen niet ingedeeld werden volgens de plaats die zij op de arbeidsmarkt innamen, maar volgens de verschillende functies die ze verrichtten. Een corporatie is een gemeenschap: een organisatie op basis van onderlinge verbondenheid of gemeenschapsgevoel en de leden behoren het belang van de gehele bedrijfstak voor ogen te houden.
Daarnaast hing de katholieke kerk ook het beginsel van de subsidiariteit aan. We komen verder meer uitgebreid op dit begrip terug.
(2) Het solidarisme
(a) Uitgangspunt: het katholieke solidarisme
De kernideeën uit bovenstaande pauselijke verklaringen werden overgenomen uit de werken van de Duitse jezuïet, en grondlegger van het katholieke solidarisme, Heinrich Pesch (1854-1926). Pesch lag aan de basis van wat men de solidaristische school kan noemen en had een grote invloed op de encyclieken wat betreft de sociale kwesties, alsook op de latere programma’s van de West-Europese christen-democratie. De Duitse jezuïet Oswald von Nell-Breuning, die ook tot de solidaristische school van Pesch behoorde, had eveneens een groot aandeel in het concept en de redactie van de Quadragesimo Anno. Onder invloed van de ideeën van H. Pesch ontstond een sociale leer die men gaandeweg het solidarisme ging noemen, en zich positioneerde als middenweg tussen het kapitalisme en marxisme. Het solidarisme wijst de sociale consequenties van deze twee uitersten af en zet zich dus af tegen de klassenstrijd, die volgens de marxistische filosofie de motor is van de Geschiedenis, en uiteindelijk zal aandrijven op de marxistische revolutie, de dictatuur van het proletariaat en de klassenloze maatschappij. Het solidarisme vond zijn uitgangspunt in de katholieke sociale leer, hoewel ook heel wat niet-confessionelen hun gading in het solidarisme vonden. De katholieke sociale leer is personalistisch en ziet de mens nooit los van zijn omgeving: persoon en omgeving veronderstellen elkaar. Het personalisme handelt op zijn beurt over de persoonswording van het individu, zijn opdracht en zijn plichten. Het solidarisme brak met de abstracte vrijheidsgedachte (Liberté, égalité, fraternité où la mort) die voortkwam uit de Franse Revolutie en stelde dat elk individu ongebonden zijn weg kon gaan, zonder verantwoording af te leggen. Deze vrijheid was er, aldus het solidarisme, één zonder verantwoordelijkheid en ontaarde in de negentiende eeuw op economisch vlak in het economische liberalisme en zijn bijhorende sociale wantoestanden. Volgens de solidaristische sociale ethiek is de mens geen op zichzelf levend individu, maar gaat het al vanaf zijn geboorte deel uitmaken van een gemeenschap (het gezin). Tijdens zijn jeugd en opvoeding gaat het een eigen persoonlijkheid verwerven, en op zijn beurt weer een gemeenschap vormen met anderen, die elk op zich ook een eigen persoonlijkheid hebben. Daardoor ontstaan tussen het ‘ik’ en de ‘anderen’, of tussen het ‘wij’ en de ‘anderen’, telkens spanningsvelden. Daar waar in liberalistische en marxistische context deze spanningsvelden worden gebruikt om tegenstellingen uit af te leiden, bijvoorbeeld de tegenstelling tussen het kapitaal en het proletariaat, stelt het solidarisme dat de mens, die ‘ik’ en ‘wij’ tegelijk is, de taak heeft zichzelf te verwezenlijken in een leven dat gericht is op de vreugde en noden van anderen. Zijn persoonlijkheidskarakter is innerlijk en onverdeelbaar met zijn gemeenschapsnatuur verbonden: slechts alleen door de gemeenschap kan hij zijn persoonlijkheid tot een hoger niveau verheffen.
(b) De organische opvatting van de samenleving
Het solidarisme tracht welvaart en echte vrijheid tot stand te brengen door een beroep te doen op de volledige mens. In harmonie moet men de eigenbelangen met die van de gemeenschap verenigen. Daar het verwezenlijken van de zelfontplooiing en zelfverwezenlijking de mens voorschrijven in gemeenschap te leven, is de mens een gemeenschapswezen. De vorming, het behoud en de ontwikkeling van de gemeenschap is met andere woorden een onmisbare voorwaarde voor het streven van de mens naar zelfontplooiing. Dit gemeenschapsdenken berust op een organische opvatting van de samenleving. De organische filosofie is het denken volgens het cultuurhistorische ordeningsprincipe van de mensheid, dit wil zeggen het ordeningsprincipe of de indeling van de mensheid zoals ze door de overleveringen heen is ontstaan of is gevormd, en het ordeningsprincipe volgens welke de maatschappij zich via de natuurlijke hiërarchie indeelt. De organische opvatting van de samenleving gaat al terug op de Romantiek. Het werd beschreven door de filosofen Schelling (1775-1854), Adam Müller (1779-1834) en Fichte (1762-1814). Ook in Engeland (Coleridge, Burke) en in Frankrijk (de Bonald, de Maistre, Chateaubriand) werd het organische maatschappijbeeld uitgewerkt tot een conservatieve maatschappijopvatting, waarin een zeer groot belang werd gehecht aan de natuurlijke sociale verbanden en gemeenschappen in de samenleving. Deze moesten worden gehandhaafd en verdedigd tegen individualisme. Het was Fichte die als eerste de staat vergeleek met een boom met al zijn geledingen: takken, twijgen, bladeren, bloesems en vruchten. Deze levende eenheid van het geheel, weerspiegeld door de delen welke allen een eigen leven bezitten, de gelijktijdigheid van de vrijheid en het ten dienste zijn van zijn delen, de wisselwerking tussen velen en geheel, komt als leidmotief telkens terug in de organische filosofie. Een maatschappijopvatting vanuit het organische principe betekent dus dat de maatschappij is opgebouwd uit elkaar aanvullende delen. Slechts door werkelijke vervlechting komt men tot een organische constructie. Aan dit beeld spiegelt zich het solidarisme in zijn kijk op de samenleving. Vanuit een dusdanige mentaliteit worden tegenstellingen omgebogen tot verzoeningen waarbij het recht van elk gewaarborgd blijkt.
Vanuit hedendaags standpunt, zonder ons uit te spreken over de historische juistheid en objectiviteit noch over hun politiek engagement, benaderen bepaalde bronnen de in de jaren dertig door solidaristen vooropgestelde organische maatschappij als een typisch onderdeel van de uiterst-rechtse ideologie, wegens de nadruk op de homogene samenhang van de gemeenschap. Wie met enig gevoel van historische objectiviteit, dit wil zeggen redenerend vanuit gegevens waarover tijdgenoten beschikten, dit standpunt onderzoekt, constateert dat men het niet steeds zo uitgesproken eens was betreffende dit punt. Eens te meer willen we verwijzen naar de ambigue historische betekenis betreffende de populaire snerende begrippen links en rechts. Ook de Franse politicus, vrijmetselaar, Nobelprijswinnaar en solidarist Léon Bourgeois stelde in het begin van de twintigste eeuw een organische visie voor in de plaats van Rousseau’s Contrat Social. Voor Bourgeois was deze organische visie de ‘achteraf gesloten overeenkomst’ tussen mensen, daar waar ze spontaan met elkaar in relatie treden of samenwerken, zonder dat vooraf de ‘voorwaarden’ werden overeengekomen. Die ‘voorwaarden’, aldus Bourgeois, zijn immers in cultuur en gebruiken impliciet aanwezige afspraken.
(c) Het subsidiariteitsbeginsel als basis van het corporatisme en het federalistische gedachtegoed
Om de hierboven geschetste solidaristische beginsels in passende en doelgerichte structuren te vertalen, werd door de solidaristen uitgegaan van het subsidiariteitsbeginsel. Dit werd eveneens letterlijk in de encycliek Quadragesimo Anno naar voor gebracht, en zegt dat wat individuen op eigen initiatief en door eigen energie tot stand kunnen brengen, hun niet mag worden ontnomen of in handen van de gemeenschap mag worden gesteld. Vervolgens zegt dit beginsel ook nog dat wat kleine lichamen van ondergeschikte rang kunnen verrichten, niet mag worden overgedragen op grotere van hogere orde. Wanneer het subsidiariteitsbeginsel in politieke context wordt geïnterpreteerd, dan pleit het solidarisme voor soevereiniteit in eigen kring: wat een lagere entiteit kan doen, dient niet door een hogere entiteit te worden verricht. In deze optiek dient de samenleving ook van onder naar boven te worden opgebouwd, in tegenstelling tot het centralisme waar alles van bovenuit naar onder wordt gestructureerd.
Het subsidiariteitsbeginsel vindt ook zijn toepassing in de sociaal-economische verhoudingen: in tegenstelling tot de marxistische klassenopdeling in werknemers en werkgevers, vormen allen die bij één of andere wijze bij een bedrijf of productieproces betrokken zijn een solidaire gemeenschap, de zogenoemde bedrijfsgemeenschap. Arbeid en kapitaal zijn er op elkaar aangewezen en elk voor zich blijven ze onproductief. De winst – de wisselwerking, of beter samenwerking, tussen arbeid en kapitaal – ontstaat pas wanneer kapitaal wordt omgezet in grondstoffen, en machines en arbeiders deze grondstoffen tot nieuwe producten verwerken. De meerwaarde dient ter vergoeding van het risico dat de kapitaalinbrenger loopt, en als vergoeding van de arbeider te worden aangewend. (Voor het solidarisme kunnen arbeiders net zo goed medebeheerders en mede-eigenaars worden als werkgevers.) In deze optiek vormen beide productiefactoren eigenlijk een corporatie (corpus = lichaam), zoals we hierboven al bij de Quadragesimo Anno hadden vermeld, waarin hoofd en handen solidair samenwerken. Met betrekking tot het structureren van beroepen en bedrijven wordt deze solidaristische benadering corporatisme genoemd, en vormen de corporaties publiekrechterlijke instellingen.
Het federalistische gedachtegoed biedt als beste een antwoord om de idee van het corporatisme en het beginsel van de soevereiniteit in eigen kring in de praktijk te brengen. Ze leggen beide de nadruk op wat verbindt dan eerder op wat scheidt, en zoeken naar wegen om de gemeenschap te structureren volgens de beginselen van het solidarisme. In essentie betekent federeren immers bundelen wat samen hoort, van een samenleving die van onder naar boven werd opgebouwd. Het betekent evenzeer bundelen van wat op elkaar aangewezen is, aanvult en verrijkt. Het werkelijke federalisme beschouwt de verscheidenheid als een te bewaren rijkdom. Daartoe is het noodzakelijk dat het leven van elke kring binnen het geheel wordt gevrijwaard en als specifieke inbreng wordt gewaardeerd en gestructureerd.
Op deze manier probeert het solidarisme als derde weg een einde te maken aan het geschipper tussen kapitalisme enerzijds en marxisme anderzijds. Het probeert aan de natuurlijke en functionele gemeenschappen hun intermediaire aard en karakter terug te geven, die hen hetzij door het liberalisme (de gepredikte macht van de sterkste), hetzij door het marxisme (de praktijken van het collectivisme) werden ontnomen. Het teruggeven van de intermediaire taken en opdrachten aan de natuurlijke en functionele gemeenschappen brengt met zich mee dat de politieke partijen als overbodig worden ervaren. Deze vervullen louter de negatieve rol van splijtzwammen die het volkslichaam in elkaar bestrijdende fracties opdelen.
(1) Afgrenzing van het begrip
Het is niet evident om het begrip fascisme eenduidig te definiëren. Onder historici is de inhoud en de afgrenzing van het begrip een uitermate omstreden zaak. We volgen de analyse van Luc Pauwels wat betreft de vaststelling omtrent het begrip fascisme.
Vanuit de opinie dat het begrip fascisme wetenschappelijke rigueur mist en semantisch overladen is, kan men de theoretische fascisme-literatuur in zes categorieën verdelen, namelijk auteurs die:
(a) daarom het begrip als wetenschappelijk onbruikbaar verwerpen;
(b) sceptisch reageren of zich geïrriteerd tonen door de spraakverwarring;
(c) zich neerleggen bij het algemeen gebruik;
(d) het probleem ignoreren;
(e) de genoemde overladenheid aanvaarden;
(f) de flou artistique nog willen verhogen.
Het probleem van afgrenzing in ruimte doet Robert O. Paxton zich luidop afvragen: “The borders are fuzzy. Do we include Stalin?” Men kan, aan de hand van het gebruikte afgrenzingscriterium, de bestaande fascisme-literatuur in vijf groepen verdelen, namelijk degenen die menen dat het fascismebegrip mag/moet omvatten:
(a) Italië (ten tijde van Mussolini);
(b) Duitsland;
(c) Italië, Duitsland en andere landen van Spanje en Portugal tot oneindig;
(e) alle conservatieven;
(f) alle niet-communisten.
In de tijd is het criterium van afgrenzing al even omstreden. Zo was het vooral vanaf de jaren zestig dat het zelfstandig naamwoord fascisme de bijbetekenis heeft gekregen van alles wat zwart, slecht en politiek ongewenst is.
Een aantal auteurs gebruiken een typologie om bewegingen aan de extreme rechterzijde te klasseren. Zo ontwierp Stanley Payne, op basis van gemeenschappelijke kenmerken die bewegingen in Europa tijdens het interbellum vertoonden, een typologie van het fascisme. Payne maakte hierbij het onderscheid tussen de fascistische negaties, de fascistische ideologie en de fascistische stijl en -organisatie. Hoewel dergelijke typologie op een vrij grote wetenschappelijke consensus berust, biedt het geen antwoord op het reeds gestelde probleem van afgrenzing, zowel in ruimte als in tijd. Wat Payne bijvoorbeeld onder de fascistische stijl kwantificeert: uniformen, optochten, symbolen, slogans en de leiderscultus, kwam tijdens het interbellum evengoed voor bij katholieken, socialisten en communisten. In plaats van wat Payne de fascistische stijl noemt, kan men historisch kritisch beter algemeen spreken van de stijl van de jaren dertig.
Teneinde het voorgaande probleem van afgrenzing uit de weg te gaan, een zekere historische objectiviteit te hanteren waar de geschiedeniswetenschap mee is gebaat, en niet te vervallen in een neiging tot moraliseren en ons van het vooropgestelde doel van deze site te verwijderen, beschouwen we in het volgende punt met betrekking tot het begrip fascisme de staatsopvatting die in Italië tussen 1918 en 1945 onder Mussolini gelde. Het was immers aanvankelijk ook naar dit voorbeeld, en op basis van deze interpretatie, dat tijdens het interbellum in de rest van Europa Nieuwe Orde-bewegingen ontstonden of er zich geheel of gedeeltelijk op afstemden, en niet op basis van het vaak al te ruime afgrenzingcriterium dat tegenwoordig wordt gehanteerd.
(2) De fascistische doctrine
De basis van de fascistische doctrine is de definiëring van – en de relatie tussen – de begrippen staat en individu. Voor het fascisme was de staat ideologisch gezien geen verzameling individuen, maar een macht die alle vormen van zedelijk en verstandelijk leven samenvatte en in zich verenigde. Gezien de staat de wil en het verstand van elk individu omvatte, was de staat totalitair. Het bestaan van de individuen kreeg ook alleen maar zin en waarde door de staat. Omdat de staat de normen van zijn gedrag in zichzelf vond, en als autonome persoonlijkheid elk individueel bestaan en particuliere belangen aan zichzelf onderschikt, was de fascistische staat ook absoluut. Dit gezag was representatief voor de eenheid van geest en wil van het volk. Het gezag was het onaantastbare bezit van de staat. Dit gezag kon de staat dan ook niet ten gevolge van verkiezingen ontlenen aan individuen. Het was een elite die het gezag van bovenaf oplegde. Aangezien enkel de elite van de staat werd geacht om inzicht te verwerven over de inzichten en doeleinden van de staat, nam de hiërarchie van die elite een belangrijke plaats in. De fascistische staat werd hiërarchisch ingericht, en de ultieme leider droeg alle verantwoordelijkheid en macht. Daar enkel de elite in staat was inzichten in de superieure doeleinden van de staat te verwerven, werden ook alle politieke partijen ontbonden want gezien de fascistische betekenis van de staat hadden deze geen enkel nut meer. Volgens de fascistische opvattingen diende het volk zich ook niet in te laten met politiek en zich enkel bezig te houden met de eigen beroepsuitoefening. Politiek was enkel het voorrecht van de elite. Ook het recht van vrije meningsuiting en van vergadering werden opgegeven, gezien de individuen slechts in staatsverband bestonden en aan de staat ondergeschikt waren. Het gebruikt van geweld, in zoverre dat ten bate kwam van de staat, censuur en willekeur werden aanvaardbaar gevonden. Daar het geloof een onderdeel was van de nationale identiteit, en de Kerk zich niet met politieke materies inliet, werd de Kerk met rust gelaten.
Met betrekking tot de economische aangelegenheden werd de beroepsbevolking georganiseerd in corporaties. Met dit corporatisme beoogde men, net zoals het bij het solidarisme, de tegenstellingen tussen de verschillende klassen weg te nemen en te verzoenen. De klassenstrijd van Marx werd dus verworpen, en men trachtte zowel communisme als kapitalisme te bestrijden door een samenwerking tussen de klassen en een planmatige economische structuur in te voeren. Het corporatisme was, zoals we reeds zagen, dus niet enkel een wezenskenmerk van het fascisme. Het was tevens een katholiek verschijnsel en werd tevens in 1931 in de encycliek Quadragesimo Anno gepropageerd. De corporaties in het fascisme waren zuivere staatsorganen zonder rechtspersoonlijkheid.
Naast voorgaande verstandelijke constructies, was de fascistische doctrine – aldus de fascisten – niet enkel een politieke beweging, maar ook een spirituele revolutie. Mussolini zelf sprak van een religieuze conceptie: ze beschouwde de mens in zijn relatie tot een hogere wet, die boven het individu transcendeerde, en het opvoedde tot een volwaardig lid van een geestelijke gemeenschap. Slechts deze gelovige overgave zou de inspiratie kunnen hebben verschaffen om de fascistische doelstellingen te bereiken. Met betrekking tot deze conceptie kon de ideologie als een godsdienst worden gepropageerd en moet men de personencultus van de Duce in situeren.
Van origine kende het Italiaanse fascisme geen racistische component. Het fascisme van Mussolini uit de jaren twintig en begin jaren dertig, kende geen racisme noch antisemitisme. Later kwamen deze invloeden uit het Duitse nationaalsocialisme over. Het fascisme als politieke stroming was evenmin negatief. In de partijprogramma’s besteedde men niet in eerste plaats aandacht aan zaken waar men tegen was. Ze beschouwden het als een positieve politieke beweging, die het mogelijk moest maken de samenleving te verbeteren.
Het fascisme van bepaalde bewegingen in andere landen, kan men niet vergelijken met het Italiaanse fascisme. Ze hadden een groot aantal raakvlakken, maar dan ook weer evenveel verschilpunten. Een aantal van die bewegingen of stromingen noemden zich fascistisch, andere dan weer sociaaldarwinistisch, nationaal-syndicalistisch of nationaalsocialistisch.
d. Het nationaalsocialisme, nazisme of Hitlerisme
Later
3. De Nieuwe Orde in België tijdens het interbellum
Later
(Wordt vervolgd)