Papier

“Tijl”, het maandblad van de Vlaamse HJ

Lot zeldzame ‘Tijltjes’, het maandblad van de Hitler-Jugend-Vlaanderen. De hoofdopsteller van het blad was Fons Bellefroid, en het werd uitgegeven door uitgeverij Steenlandt, de huisuitgeverij van de DeVlag. Het eerste nummer van het blad verscheen in juni 1944. Het tweede -en zoals later zou blijken- laatste nummer in juli 1944. Wegens de snelle opmars van de geallieerden verschenen dus met andere woorden slechts twee nummers.
In het eerste nummer bevond zich een bijgevoegd formulier waarmee een abonnement op het blad kon worden aangevraagd. Een bijgevoegd ’Führerbeveel’, op naam van SS-Hauptstürmführer Raf Van Hulse, maakte deel uit van het tweede nummer.

Nachlass ‘Langemarck-Studium’

Uiterst zeldzaam lot met betrekking tot het ‘Langemarck-Studium’.

Joris van Severen door de lens van Willy Kessels (1898-1974)

Originele portretfoto van Joris van Severen gefotografeerd door Willy Kessels. Links onderaan is in het fotopapier de naam ‘WILLY KESSELS’ ingestempeld.

Willy Kessels (1898-1974) wordt beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger in ons land van een nieuwe, modernistische fotografie die vanaf het einde van de jaren 1920 op de voorgrond trad. Zijn oeuvre is bijzonder illustratief voor de praktijk van de beroepsfotograaf in de jaren ’30. Hij was actief op vele uiteenlopende terreinen: reportage en publiciteit, mode en portret, architectuur en industrie, naaktstudies, collages en abstracte experimenten.
Kessels was in 1932 betrokken bij de organisatie van de eerste “Internationale Tentoonstelling voor Fotografie en Cinematografie” in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. In 1933 realiseerde hij setfoto’s bij de communistisch geïnspireerde documentaire film ‘Misère au Borinage‘ van Joris Ivens en Henri Storck. In 1935 sloot hij vriendschap met Joris van Severen en realiseerde hij foto- en filmreportages voor het Verdinaso. In 1940 illustreerde hij het boek ‘Rex. Renaissance de la patrie‘ van Jean Denis en Léon Degrelle. Na de dood van Van Severen was Kessels tijdens de oorlog betrokken bij de oprichting van de kunstenaarsvereniging ‘De Meivisch’ te Bornem. Tevens maakte hij foto’s voor magazines van de bezetter. Hiervoor werd hij na de oorlog veroordeeld wegens ‘passieve collaboratie’.
Kessels hernam in de jaren 1950 zijn commerciële activiteiten en trad in deze periode vooral naar buiten met een aantal fotoboeken over zijn geboortestreek, het Scheldeland. Hierin leek Kessels afstand te hebben genomen van het modernisme, maar in de afzondering van zijn atelier bleef hij experimenteren met abstracties en ongewone afdruktechnieken.

‘De Tekende Tekenaar’ (KAPROEN)

“Zoo zag Brussel de Dietsche Militanten!”

Propaganda-boekje getekend door KAPROEN naar aanleiding van de Tollenaere-marsch van 12 juli 1942.

“Bij de Reimond Tollenaere- marsch door Brussel op 12 juli 1942, klopte Klaas’ assche op Tijl’s borst alsmede op de borst van 12.000 opmarscheerende Dietsche soldaten. Ter herinnering aan deze doorbraakmarsch werden in Uilenspiegeltrant deze spottekeningen geschetst en deze rijmen neergeschreven.”

Verdinaso-programmaboekje (zogenoemd ‘Verdinaso-brevier’)

Ter nagedachtenis van haar vermoorde Leider Joris van Severen, brachten Verdinaso-getrouwen tijdens de bezetting onderstaand Verdinaso-programmaboekje uit, dat wegens de rood-lederen kaft en de gekartelde bladen sterk aan een brevier doet denken.  Net als het brevier in bij de katholieke kerk was ook dit programmaboekje – geheel in de geest van het Verdinaso als vormingsbeweging- bedoeld tot studie, zelfonderzoek, persoonlijkheidsvorming en ‘devotie’ van de Dinaso-militant. Tegenwoordig zijn deze boekjes bijzonder zeldzaam geworden.

Naast een formulering van het programma van het Verdinaso werden vervolgens onder de hoofding ‘Zoo sprak de Leider‘ passages uit toespraken van Joris van Severen aangehaald en gebundeld onder volgende inhoudstafel:
1. Het Doel
a. Het Volk
b. De Staat
c. Het Rijk
d. De Orde

2. De weg
a. De Leer
b. De Organisatie
c. De methode
d. Geest en Stijl

Een kleine greep uit de citaten:
Het groote tooverwoord van het democratisme luidt: de volkswil.
Nog een gekheid! Men spreekt van den ‘wil’ van het volk, terwijl men niet eens weet wat een volk is.
Het volk heeft geen wil. Alleen de menselijke persoon is met wil begaafd. En waar men dan toch, in overdrachtelijken zin, van een volkswil spreken wil, bedenke men dat het ‘volk’ niet bestaat uit een of ander voorbijgaand geslacht, maar uit de aaneengesloten reeks van geslachten, die doorheen de eeuwen zich het eene uit het andere ontwikkelen. Want het volk is een levend organisme, dat leeft en groeit door de eeuwen heen, van geslacht tot geslacht.
En dan zien wij dat, waar van ‘volkswil’ sprake kan zijn er geen andere bestaat dan deze: te leven.

De volkswil is niets anders dan het ooreigen levensinstinct van een volk. Dat oorinstinct, die levenswil, uit zich niet in en door die vuile dozen, die  men stembussen heet. Hij uit zich en vindt zijn vorm, zijn gestalte in en door de waarachtig grooten , die in den schoot van het volk tevoorschijn kwamen; in en door de genieën, in en door de helden.
- 20 augustus 1934

Er bestaat geen Belgisch volk, er bestaat geen Vlaamsch volk, er bestaat geen Hollands volk. Wat wel bestaat, dat is het Dietsche volk. Het leeft op het grondgebied der aloude Nederlanden, verscheurd in drie deelen, die elk door een andere staat worden bestuurd.
- 22 augustus 1936

De ‘Walen’ zijn geen ‘vreemden’, maar door de eeuwen heen lotsverbonden met ons en niet alleen lotsverbonden, maar ook Dietschers naar de afstamming en het bloed (echter geromaniseerde Dietschers), Franken zooals wij, maar door de gebeurtenissen die ik hier niet te onderzoeken heb, Franken die geromaniseerd werden. Zij zijn dus in den vollen zin van het woord: volks- en rijksgenoten.
- 30 April 1938

Ah, die geest van het Verdinaso. Als de assche van Claes op de borst van Uilenspiegel, zoo klopt hij op de borst van elken Dinaso. Hij laat hem niet meer los. Hij is de hoogste reden van zijn leven geworden.
Hij is, dag na dag meer, de Stijl van den nieuwen Dietschen mensch, de Stijl van den mensch van het komende Dietsche Rijk. Dit wil zeggen: de Stijl van een groote, onbevangene en beschaafde persoonlijkheid.

- 4 augustus 1938

De strijd dien wij voeren wordt meer en meer gevoerd volgens een militaire methode, in een geest van waarachtige aristocratie, scheppende een stijl die de stijl aan het worden is van den nieuwen Dietscher: sober zelfbewustzijn, onbevangen fierheid, kordate oprechtheid, correctheid en beleefdheid, en, door dit alles, eene imponeerende en veroverende levenshouding.
- 2 april 1936

Werkt en werkt rusteloos in dien geest, dien ik U altijd heb voorgehouden, geest van volhardende dapperheid in eenvoud, correctheid en beleefdheid die het kenmerk moet zijn van den Dinaso.
- 20 mei 1939

Correctheid beteekent: in alles eene houding aannemen, eene houding hebben die in niets afwijkt van de door taak en stand gestelde eischen.
- 12 september 1939

Tegenover het werkwoord ‘trekken’ stelt het Verdinaso het werkwoord ‘dienen’.
En de Dinaso’s kennen slechts een enkele vervoeging van dat werkwoord: de ‘tegenwoordige’ tijd: ik dien, wij dienen.

- 11 maart 1939

De trouwe is als het ware de gehoorzaamheid van den zelfbewusten vrijen man.
- 23 april 1937

Ik zal den strijd voeren tot de zege of tot ik er bij val.
- 4 augustus  1935

Flor Grammens (1899-1985): de man van de DAAD!

Een herdenkingskaart, gesigneerd door Flor Grammens, ter herinnering aan een Grammens-manifestatie uit 1937 en een editie van ‘DAAD’ uit november 1939

Afkomstig uit een boerenfamilie studeerde Flor -eigenlijk Florimond- Grammens aan het college van Eeklo en daarna aan de normaalschool te St.-Niklaas. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd hij vrijwillig brancardier bij het veldleger. Na de oorlog studeerde hij lichaamlijke opvoeding aan de universiteit van Gent, en technische vakken aan de provinciale normaalleergangen. In 1920 werd hij leraar aan het college te Ronse.  Flor Grammens werd daad-flamingant op het college, vooral toen hij als leraar de onrechtvaardige en onwettelijke toestanden leerde kennen.

____________________________

Flor Grammens vertelt over 11 juli 1919 en waarom hij evolueerde naar antibelgicist.

http://www.nieuweorde.be/videos/blog/grammens1.flv

____________________________

De taalsituatie in Ronse bracht hem in contact met andere Vlaamsgezinden zoals Leo Vindevogel en de toenmalige algemeen voorzitter van het Davidsfonds Arthur Boon. In 1931 werd Grammens inspekteur van het technisch onderwijs.

Op vraag van Boon hield Grammens op het Algemeen Davidsfondscongres in 1926 een voordracht over de Taaltoestanden in de streek Avelgem-Ronse-Twee Akren. Dit werd het begin van zijn vele optredens als voordrachtgever in Vlaanderen, en de start van een diepgaande studie over het probleem. In 1927 maakte Grammens een voetreis langsheen de hele taalgrens, waarbij hij de taaltoestand ter plaatse onderzocht. Hij richtte mee een neutraal en een Davidsfonds-taalgrenskomitee op, en stichtte vanaf 1929 verschillende plaatselijke taalgrensactiegroepen. Meetings, voorlichtingscampagnes en petities tot het verkrijgen van de tweetaligheid voor taalgrenscentra volgden elkaar op. In plaatsen waar men bleef weigeren, begon hij in 1931 zelf voor de tweetaligheid te zorgen. Dit leverde hem processen op die gevoerd moesten worden in de provincies Luik en Henegouwen, waar hij als eerste voor Waalse rechtbanken de rechtspleging in het Nederlands eiste. Zijn proces wekte veel opzien. Het moest aantonen dat Fransonkundige Vlaamse bewoners van de taalgrensgebieden zich in werkelijkheid niet naar behoren konden verdedigen.  Mede door dergelijke acties en onder invloed van Grammens kwamen nieuwe taalwetgevingen tot stand : in 1932 de taalwetgeving op het onderwijs en de besturen, in 1935 die op het gebruik van de talen in rechtzaken.

Een nieuwe periode in de taalgrens-actie begon toen Flor Grammens in januari 1937 in witte ‘schilderskiel’, met verf en borstel, er op uittrok om de Franstalige straatnaamborden en wegwijzerplaten in de tweetalige taalgrensstad Edingen te overschilderen. Na drie weken actie en verschillende interpellaties in het Parlement, beloofde de Minister van Binnenlandse Zaken De Schryver een onderzoek in te stellen naar de toepassing van de taalwet op de taalgrens. Grammens zou er zijn acties tijdelijk opschorten.
Talrijke Vlaamse studenten sloten zich aan bij wat zij noemden ‘de nieuwe Vlaamse schilderschool’. Overal waar zij maar konden, voerden ze acties uit.  In februari 1937 verlegde Grammensmet hun steun zijn actie naar de tweetalige gemeenten in Vlaanderen zelf, die volgens de taalwet eentalig moesten zijn. Op één nacht werden op meer dan 200 plaatsen de Franstalige opschriften overschilderd. Deze spectaculaire actie leidde tot heel wat nieuwe interpellaties in Kamer en Senaat. Deze acties werden gedeeltelijk gefinancierd door het Grammensfonds, een vereniging die voor dit doel werd opgericht in 1938. Tot in 1939 werden deze acties verdergezet en vaak met resultaat. In Gent bijvoorbeeld werd de overschildering tot vier keer teruggedraaid door de gemeente. Tenslotte besliste de actiegroep alle borden kapot te slaan. Een week later besliste de gemeenteraad uiteindelijk de eentaligheid (die sinds 1932 wettelijk verplicht was) in te voeren en de verschillende processen-verbaal die waren opgesteld, niet door te spelen aan het gerecht. Grammens werd voor zijn acties meermaals geverbaliseerd en zelfs in de gevangenis opgesloten, wat telkens weer aanleiding gaf tot nieuwe agitaties. In de Franstalige pers werd hij erg aangevallen en beschimpt als ‘Le barbouilleur national’. In Vlaanderen werd hij voor velen het zinnebeeld van een simpel, wettelijk toegekend recht. In januari 1938 ondernamen studenten een bestorming van de gevangenis van Tongeren, in een poging Grammens te bevrijden. Ook een poging een jaar later om hem uit de gevangenis van Oudenaarde te bevrijden mislukte. Op 3 juli 1938 werd in Gent een verzetsbetoging georganiseerd met enkele tienduizenden betogers om de vrijlating te eisen van Grammens die toen opgesloten zat in de gevangenis van Gent. Veel bij deze acties betrokken studenten, speelden later nog een belangrijke rol in de Belgische politiek.  De campagne duurde drie jaar, tot in 1939 de uiterlijke eentaligheid van Vlaanderen werd verkregen.

_____________________________________
Flor Grammens vertelt over de ‘nieuwe Vlaamse schilderschool’ en andere Grammensacties vanaf de late jaren ’30.

http://www.nieuweorde.be/videos/blog/grammens4.flv

____________________________

De activiteiten van Grammens werden ook door Clemens De Landsheer gefilmd.

http://www.nieuweorde.be/videos/blog/cdelandtsheer.flv

____________________________

In 1939 werd Grammens, na een onvoorziene parlementsontbinding en -verkiezing, als onafhankelijk volksvertegenwoordiger verkozen op de lijst van het VNV (Vlaams Nationaal Verbond). Van partijpolitiek had Grammens geen hoge pet op en wilde nooit lid van een partij worden, teneinde onafhankelijk en met zo veel mogelijk Vlaamsgezinden te kunnen optreden.  Bij zijn intrede in de Kamer ontstonden er incidenten en eiste hij dat ook op en in de parlementsgebouwen de tweetaligheid zou worden toegepast, wat onder dreiging met een nieuwe actie spoedig ook gebeurde.

_____________________________________
Grammens had van partijpolitiek geen hoge pet op. In 1939 kwam hij op de ‘Grammenslijst’ van het VNV te staan en werd als onafhankelijk volksvertegenwoordiger verkozen.

http://www.nieuweorde.be/videos/blog/grammens5.flv

___________________________

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kantte  Flor Grammens zich tegen de politieke collaboratie en trad hij niet toe tot de Eenheidbeweging-VNV. Hij bleef wel verder de Vlaamse zaak bepleiten. Op advies van de Vlaamse cultuurverenigingen aanvaardde hij lid en daarna voorzitter te worden van de Commissie voor Taaltoezicht, waarin Vlamingen en Walen zetelden. Onder zijn leiding werden door die Commissie onderzoeken ingesteld naar de toepassing van de taalwetten in de taalgrensgemeenten en in de hoofdstedelijke agglomeratie. Het bleek dat in de Brusselse gemeenten talrijke Vlaamse kinderen  onwettig in Franstalige klassen waren ondergebracht. Na een beoordeling door een jury, waarvan Grammens geen deel uitmaakte, werden vele kinderen overgeplaatst naar Nederlandstalige klassen, zodat het percentage Vlaamse leerlingen in Brusselse klassen steeg van 19 in 1939 tot 43 in 1943. Dit resultaat werd na de Bevrijding in 1944 weer voor een groot deel wederrechtelijk ongedaan gemaakt.

_____________________________________
Flor Grammens licht zijn standpunt over de politieke collaboratie en de Oostfronters toe.

http://www.nieuweorde.be/videos/blog/grammens2.flv

____________________________

Na de Bevrijding werd Grammens, die zich verdedigde met het argument dat hij en zijn commissie niets anders hadden gedaan dan de Belgische wetten toepassen, in weerwil van zijn parlementaire onschendbaarheid opgesloten, terwijl zijn woning werd geplunderd. Hij liep een gevangenisstraf van zes jaar op (waarvan hij er vier heeft uitgezeten), een boette van 50.000 frank, en levenslange ontzetting uit alle rechten.  Het werk van de Commissie voor Taaltoezicht werd zoals hierboven al aangegeven grotendeels tenietgedaan. Bij zijn vrijlating in 1950 richtte Grammens het Grammensfonds opnieuw op en hielp hij in 1956 de Vlaamse Volksbeweging oprichten. In 1958 trad hij op tegen de ééntalig Franse opschriften op de Wereldtentoonstelling in Brussel en later tegen de Franse reclame-opschriften aan de kust en elders in Vlaanderen.

_____________________________________
Een kolerieke Flor Grammens over zijn veroordeling tijdens de repressie. Zijn werk in de Taalcommissie, zijn aanwezigheid op de begrafenis van VNV-Leider Staf De Clercq, en zijn rouwbeklag aan de weduwe van de gesneuvelde Reimond Tollenaere werden hem ten laste gelegd.

http://www.nieuweorde.be/videos/blog/grammens3.flv

Beginselakkoord van 24 juli 1940 tussen het Verdinaso en het Légion Nationale-Nationaal Legioen

Na de meidagen van ’40 en de moord op zijn leider Joris van Severen, maakte het Verdinaso een crisis door.  In Vlaanderen was het tijdens de wondere zomer van ’40 al vlug duidelijk dat het VNV van Staf De Clercq op verovering van de macht uit was en daarbij alleen wilde staan. Maar ook vanuit andere zijden werd naar een modus vivendi met de bezetter gestreefd:  door de naar-Frankrijk-gevluchte Belgische ministers die de bezetter om verzoening smeekten, door de socialistische voorman Hendrik de Man die zijn Manifest afkondigde en hierin opriep om zich bij de Duitste overwinning neer te leggen, en niet in het minste bij Leopold III en zijn entourage die naar Berchtesgaden trok. In feite verwachtten en hoopten alle gevestigde machten, en dit op zijn minst tot medio 1941, op een compromisvrede tussen Duitsland en Engeland.

Door middel van de Volksbeweging poogde het VNV een verruimingsoperatie op gang te brengen die het VNV een bredere basis diende te geven om zijn aanspraken op de macht meer gewicht te geven.
Op 13 juni 1940 echter besloot ook Verdinaso-leider-interimaris Emiel Thiers de actie terug op te nemen teneinde het Verdinaso eveneens aan te dienen om de kern -en de leiding- te vormen van de eenheidsbeweging die ‘alle gezonde krachten van de natie’ zou verenigen. Thiers stond voor een moeilijke opgave. De werking van het Verdinaso verder zetten zonder zich om de verordeningen van de bezetter te bekommeren was onmogelijk. Anderzijds diende hoe dan ook te worden vastgehouden aan de door Joris van Severen beleden loyauteit ten opzichte van België en de koning, al was die loyauteit op een schandelijke wijze bedrogen.
Vanaf 20 juni 1940 maakte men in het Verdinaso werk van de reorganisatie en de ledenwerving. Ook de leiding werd hervormd. Thiers werd de nieuwe leider, bijgestaan door twee persoonlijke raadgevers (Jef Van Bilsen en Julien Verplaetse) en door een Raad van Leiding. Hiertoe behoorden Pol Le Roy, Paul Persyn , Louis Guening, Paul Van Herzele, Frantz Van Dorpe en Jef François. Het verbond verkondigde dezelfde standpunten als voor 20 mei 1940. De nieuwe leiding gaf vele blijken van haar bereidheid tot collaboratie teneinde door het Militair Bestuur als enige politieke beweging te worden erkend. ‘Hier Dinaso’ van 24 augustus ’40 drukte een toespraak af, die Paul Persyn vier dagen te voren had gehouden. Persyn zag in de Duitse overheersing de mogelijkheid tot algehele heropstanding van ons volk: ‘Een sterke, gezonde wind waait thans uit het Oosten, verdrijft de zwoele dampen die ons steeds uit het Westen toegekomen zijn’.

Omdat het Verdinaso nog niet de gewenste slagvaardigheid had kunnen tonen, keken ze in het kader van een nationale concentratie uit naar steun en samenwerking met andere groeperingen. Zo kwam het midden ’40 tot een akkoord met het Légion Nationale-Nationaal Legioen. Beide bewegingen verklaarden zich voorstander om samen een nationale en solidaristische eenheidsbeweging te vormen. In de verklaring uitte men het vertrouwen in de vorst, wie men de bezetter zou onderhandelen over het toekomstige statuut en de plaats van België in de Europese Nieuwe Orde. Tevens verklaarde men elke clandistiene actie schadelijk en tegen de belangen van het Belgische volk.

Het ‘Légion Nationale’: toen groetten zij de Belgische Nieuwe Orde die in hun hart leefde (1)

Tijdens een plechtigheid van de Koninklijke Verbroederingen van het Geheim Leger op 28 april 2002, loofde A. Flahaut de oudgedienden wegens hun constante toewijding aan de democratische zaak, en waarschuwde hij hen voor een zorgwekkende, en heel ernstig opnieuw opstekende antidemocratische tendens in Vlaanderen.
Ze zullen het graag gehoord hebben want het eigen zwarte verleden poogt men tegenwoordig graag te vergeten. Ook daar hoort een genuanceerd oordeel bij: de kern van het verzet, hoofdzakelijk gegroepeerd onder de naam ‘Geheim Leger’, was oorspronkelijk antidemocratisch.
De geponeerde clichés, zoals voorgaande uitspraak van de voormalige Minister van Defensie, vloeien echter voort uit een gebrek aan volledige historische kennis, en ze overleven omdat ze politiek bruikbaar zijn. Uit kritische studies blijkt dat nogal wat verzetsmensen in het geheel niet door democratische, maar door Belgisch-nationalistische motieven waren gemotiveerd. De naoorlogse verzetsmythes, waarmee de overwinnaar sinds het einde van de oorlog de Vlaamse Beweging mee compromitteerde, waren volgens historicus Chantal Kesteloot een wapen tegen de Vlaamse eisen. Die mythes houden onder andere de morele superioriteit in van het belgicistische discours verbonden met verzetsgroeperingen, tegenover het naar verluidt naar collaboratie en extreemrechts neigende anti-Belgische Vlaams-nationalistische discours. Tevens wekken de mythes de indruk alsof de ganse Vlaamse Beweging (inclusief gematigde flaminganten) gelijk zou staan met fascisme en nationaalsocialisme, terwijl belgicisme dit steeds was met het begrip democratie (zoals we het tegenwoordig kennen). Terwijl er over het Joodse lot op ethisch vlak weinig meningsverschillen bestaan, zeggen de mythes echter dat antisemitisme toen -omwille van de collaboratie- een exclusiviteit was van het Vlaams-nationalisme. (Wanneer het op de dag van vandaag politiek bruikbaar is, worden  Vlaams-nationalisme en gematigd flamingantisme nog steeds geassocieerd met vreemdelingenhaat.) Dit in tegenstelling met het -weer volgens diezelfde mythes- democratische Belgische regime, dat na bijna vijf jaar verdrukking onder de bezetting uiteindelijk zegevierde op Nazi-Duitsland.

De huidige eenzijdigheid tegenover de Vlaamse Beweging vloeit aldus Bruno De Wever voort uit het spectaculaire karakter van de collaboratie. Voor de Tweede Wereldoorlog gaf echter niet het anti-Belgische Vlaams-nationalisme de toon aan binnen de Vlaamse Beweging, maar het gezicht daarvan was Frans Van Cauwelaert, een prominent lid van de Katholieke Partij, die nu volkomen vergeten schijnt te zijn. Toen was de Vlaamse Beweging veel ruimer en breder en liet ze haar invloed gelden in bijvoorbeeld de Katholieke Partij (Frans Van Cauwelaert), de Liberale Partij (Louis Franck), en Camile Huysmans in de Belgische Werklieden-Partij. De Vlaamse strijd was toen vooral een sociale strijd. Karl Marx noemde het België van de 19de eeuw het paradijs van de bourgeoisie, waar geen plaats was voor het Vlaamse volk, noch voor de Vlaamse taal. Al wat men na een langdurige agitatie, kon afdwingen waren enkele schuchtere taalwetten die een einde moesten stellen aan de meest schreeuwende wantoestanden; en dan nog liet de toepassing van die taalwetten veel te wensen over. Slechts een diepgaande sociale omwenteling, die er tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw mede door de socialistische arbeidersbewegingen kwam, kon daarin verandering brengen. De beslissende overwinningen van de Vlaamse beweging -vervlaamsing van de Gentse universiteit en van het onderwijs, van de administratie, het gerecht, het leger, enz. -  volgden elkaar op na de verovering van het algemeen stemrecht. Naarmate het Vlaamse volk een grote rol ging spelen in het openbaar en maatschappelijke leven moest ook de Vlaamse taal een grotere rol toebedeeld worden. Het einde van de alleenheerschappij van de bourgeoisie betekende meteen het einde van het monopolie van de Franse taal. Democratisering stond gelijk met vervlaamsing.

Vanaf de jaren twintig al maakten de (vooral) Franstalige Belgisch nationalistische kringen de aanloop naar de Nieuwe Orde in ons land. Op initiatief van de katholieke senator Nothomb, was de organisatie Action Nationale ontstaan, hoewel kleinere bewegingen zoals de Légion Patriotique en de Faiseau Belge ook een rol speelden. De katholieke intelligentsia ondervond gedurende het ganse interbellum een enorme invloed van de Franse autoritaire beweging Action Française van Charles Mauras. Vooral in die kringen wekte het aan de macht komen van autoritaire dictaturen in Italië en Portugal heel wat enthousiasme. Eén van de belangrijkste politieke organisaties bij ons, die spoedig een propagandacentrum werd voor Mussolini en over een echte paramilitaire militie beschikte met steunpunten in gans België, was het Légion Nationale. Het was in de eerste plaats een Franstalig fenomeen, maar had ook enige aanhang in Vlaanderen onder de benaming Nationaal Legioen.
Het Légion Nationale ontstond in 1922, uit de Fraternelles (Oudstrijdersbonden). Deze laatste verenigden oudstrijders uit de Eerste Wereldoorlog, en waren als het ware een voortzetting van de oude regimenten van aan het IJzerfront. De opgang van het socialisme, de invoering van het algemeen stemrecht en de opgang van het Vlaams-nationalisme werden met lede ogen aangezien, en dit alles kaderde in een globale antidemocratische politieke gezindheid. Dit wantrouwen tegenover de politieke partijen en de parlementaire democratie kreeg spoedig de vorm van een extreem-Belgisch nationalisme. Vanaf 1927 nam de Luikse advocaat, en oud-officier uit de Eerste Wereldoorlog, Paul Hoornaert, resoluut de leiding van het Légion Nationale, dat hij spoedig uitbouwde tot een echte paramilitaire privémilitie. Deze militie was de eerste in het Belgisch politieke landschap, paradeerde met helm en zwart hemd, en was in de eerste plaats uit op gewelddadige confrontaties met politieke tegenstanders: socialisten, communisten en Vlaams-nationalisten. Als reactie op onder andere deze Belgisch nationalistische militie, richtte de BWP, de toenmalige socialistische partij,  in 1926 zijn Arbeidersverweer op, ook wel Rood Verweer genoemd. Daarnaast opereerden een Socialistische Jonge Wacht en de eveneens geüniformeerde militanten van de Internationale Anti-Oorlogsliga. Rond 1928 ontstonden dan in Vlaams-nationale kring lokale groepen onder namen als: Vlaamsch Verweer, Vlaamsche Wacht e.d. De Dinaso Militie (DM) van Joris Van Severen zag pas het licht in de loop van 1931, en ontstond aanvankelijk uit het samengaan van enkele reeds bestaande Vlaams-nationalistische milities.

In het kader van het onderwerp van deze website wilden we u ook deze vooroorlogse Nieuwe Orde-beweging, het Légion National-Nationaal Legioen, niet onthouden.
Het programma van P. Hoornaerts Légion Nationale-Nationaal Legioen beoogde een nationale revolutie waarbij partijen en parlement zouden worden afgeschaft, en plaats zouden maken voor een autoritaire monarchie met een sterke regering. Ook in tal van Belgische gevestigde kringen heerste eind jaren dertig een klimaat dat positief stond tegenover een autoritair regime onder Leopold III. Het Légion Nationale onderhield ook nauwe banden met vermoedelijk zowel de Franse als Belgische inlichtingendiensten.

Na de capitulatie van mei 1940 stapten deze kringen met veel overtuiging de accommodatie en economische collaboratie in. De Duitse invasie en overwinning in mei ’40 had hen gesterkt in hun opvatting dat het parlementaire bestel had afgedaan, en dat het diende te worden vervangen door een krachtdadig gezag dat in handen moest komen van een executieve onder leiding van de koning. In dit scenario, dat Hitler -naar ze hoopten- zou toestaan, achtten ze het onontbeerlijk een soort pretoriaanse wacht te vormen ter ondersteuning van de koning. De aanhangers van die ideologie knoopten met dat doel nauwe contacten aan in kringen van militairen en oud-strijders, en ook met bepaalde industriëlen die net als zij gehecht zijn aan de persoon van Koning Leopold III, en die door de nederlaag ontvankelijker zijn geworden voor dergelijke opvattingen. Onder hen onder andere de Leuvense hoogleraren Charles Terlinden en Eugène Mertens de Wilmars, evenals P. Hoornaert.
Het samengaan van de hierboven geschetste belangen leidde van midden 1940 tot de lente van 1941 tot de oprichting van een organisatie die uiteindelijk de naam Belgisch Legioen ging dragen. (Het ontstond uit de fusie van La Phalange o.l.v. Xavier de Grunne, de paramilitaire hergroeperingen van het Belgisch Leger o.l.v. kolonel Lentz,  en de toen reeds bestaande groepering Belgisch Legioen o.l.v. kapitein-commandant Claser.) Bij de oprichting van deze groepen werd door de leiders nog niet aan verzet gedacht. Ze bereidden er zich op voor de orde te handhaven tegen de binnenlandse vijand (Vlaams-nationalistische collaborateurs, die zich eveneens -en met meer succes- ten dienste van de bezetter bleken te stellen, en communisten) voor het geval tussen Duitsland en Engeland een compromisvrede zou tot stand komen.
In het hetzelfde jaar zagen ze ten voordele van het Vlaams-nationalistische kamp slechts noodgedwongen af van een eigen Belgische Nieuwe Orde rond de koning in een bezet land. In hun optiek had het verloop van de gebeurtenissen hun scenario van een Belgische Nieuwe Orde, met een zekere autonomie voor België in bezet Europa steeds onwaarschijnlijker gemaakt. Daarom achtten ze het beter in te zetten op de Britse overwinning en alles in het werk te stellen om die te bespoedigen. Hun keuze voor die optie verplichte hen wel om hun rechtse aspiraties te verzwijgen, willen ze op een goed blaadje komen te staan bij de Belgische regering in London. Die koerswijziging bij het Belgisch Legioen werd nog versneld door de bezetter, die deze verschuiving heeft voorvoeld en over ging tot arrestaties, waardoor meteen het anti-Duitse sentiment onder haar leden toenam.

De volgende groep behoorde toe aan Raymond Dethier, die voor de oorlog lid was van de belgicistische, fascistische Nieuwe Orde-beweging Légion National-Nationaal Legioen, en die tijdens de bezetting lid werd van het Geheim Leger (schuiloord ‘Zoo’). Tijdens de oorlog werd Raymond omwille van zijn lidmaatschap in het verzet opgepakt en naar Breendonk gestuurd.

Vertrek van het eerste contingent van het Vlaams Legioen (6 augustus ’41)

Op eerste twee foto’s zijn duidelijk merkbaar: Paul Suys, Jef François, Kamiel De Wilde en Leo Verbeke.

  

“Antibolsjewistische weldadigheidszegels” (Private uitgaven)

Deze private uitgaven zouden in opdracht van het Vlaams Voorzorgscomité gedrukt zijn bij de Brusselse firma ‘De Reume’. Deze zegels hadden geen frankeerwaarde.

a. Van de eerste reeks (23 Dec ’41), uitgeven in 4 velletjes, zouden 30000 reeksen uitgegeven zijn.
Deze zegels bestaan getand en ongetand, telkens met opdruk en zonder opdruk.

afbeelding-9189.jpg afbeelding-9190.jpg afbeelding-9194.jpg afbeelding-9195.jpg

b. Ook de tweede Keizer-reeks (Aug ’43) zou een oplage van 30000 sets gehad hebben.

afbeelding-9200.jpg

c. In ’44 werd de serie ‘Vliegtuigen & soldaten’ uitgegeven. (Oplage: 6000 sets getande velletjes; 1200 sets ongetande velletjes.) Eind ’44 werd de 50Fr waarde heruigegeven met opdruk ‘LANGEMARK’. (Oplage: 3600 ex.)
Er bestaan ook zegels die recto verso bedrukt zijn. Naar verluidt zou het hier om proefdrukken gaan?

afbeelding-9206.jpg afbeelding-9208.jpg afbeelding-9212.jpg

Iedereen die meer informatie over deze zegels zou hebben, kan ons steeds contacteren!