Blog

Waffen-SS kraagspiegel met roze Paspelierung voor panzertroepen

Afbeelding 9819

Vlaamse makelij SS doodskop en adelaar

Extreem zeldzame Vlaamse makelij stoffen SS doodskop en adelaar voor het schuitje

vl makelij tk adelaar

Zeldzaam belgicistisch strooibriefje ‘Aan de Vlamingen’, IJzerbedevaart 1930

In het jaar dat België zijn eeuwfeest vierde, had op 24 augustus 1930 de elfde IJzerbedevaart plaats. Zij zou later bekend staan als ‘de stormloop van ’t jaar dertig’.

In aanwezigheid van een recordaantal bedevaarders noemde professor Frans Daels de pas voltooide IJzertoren het tehuis voor geschonden graven, voor verbrijzelde zerken, voor de Vlaamse doden. Daels zinspeelde hiermee onder andere op de circa 130 geschonden en stukgeslagen heldenhuldezerkjes, die op bevel uit Brussel met het oog op de aanleg van definitieve militaire kerkhoven met eenvormige grafzerken in mei 1925 op het kerkhof van Oeren werden stukgeslagen. De brokstukken hiervan werden aangewend voor de bedding van de macadamweg te Adinkerke. Op IJzerbedevaarden en in de Vlaams-nationalistische propaganda gaf deze ‘aanslag’ van België op Vlaanderen jarenlang voedsel aan verontwaardiging. Aldus Daels was de IJzertoren het tehuis van de grote Vlaamse trouw tegenover de meineed, het tehuis van het integraal recht, ook en vooral na het sneuvelen. “Treed binnen in dit huis”, sprak hij, “dertigduizend Vlaamse Doden, opgeroepen met de kreet ‘Vlamingen, gedenkt de Slag der Gulden Sporen’, en op 11 juli in de barakken van het front opgesloten, met verbod ‘De Vlaamse Leeuw’ te zingen, om daarna tot parade te dienen bij nationale feesten van de vreemde”.

Door de houding van gezagsdragers en door allerlei krantenartikels, werd nog voor de zondag van 24 augustus 1930 een anti-bedevaardsfeer geschapen. Het bleef daar niet bij. Tijdens de plechtigheid dook plots een vliegtuig op dat laag boven het bedevaartsterrein vloog. Er dwarrelden duizenden tricolore vlaggetjes en strooibriefjes uit neer over de massa. In de pamfletten werd te keer gegaan “tegen de boze herders die onder voorwendsel ener godsdienstige bedevaart, haat en verdeling zaaien en een open strijd aangaan tegen de burgerlijke en geestelijke overheden”. Verder repten zij van ‘verraders en deserteurs’ die in de rug hadden geschoten en bijgevolg het recht niet hadden te spreken in naam van het Vlaamse volk. Het strooibiljet riep de bedevaarders op zich loyaal achter het Belgische vaderland en koning Albert te scharen. De massa reageerde woedend. Belgische vlaggen werden afgerukt en in brand gestoken. Elias verhaalt in zijn werk ‘25 jaar Vlaamse Beweging 1914/1939‘, hoe de oud-strijders van Oostduinkerke hun vlag, getooid met de nationale driekleur, per opbod verkochten op de grote markt van Diksmuide waarna zij door de kopers in brand werd gestoken. Voor de rijkswacht was dit voldoende om op de stroom nietsvermoedende bedevaarders in te stormen. Het kwam tot een hevige botsing waarbij tachtig bedevaarders werden gewond. De zaak kreeg haar beslag voor het gerecht, waarbij alleen bedevaarders werden veroordeeld. Historicus Lode Wils wijst op het belang van dergelijke incidenten. IJzertoren, heldenhuldezerkjes, Vlaamse leeuwenvlag… groeiden uit tot nationale symbolen die steeds meer werden geplaatst tegenover de Belgische nationale symbolen. De Belgische vlag of de leeuwenvlag hijsen, betekende kleur bekennen.

De Belgische eeuwfeesten werden onvermijdelijk getekend door een opeenstapeling van incidenten waarbij de nationale symbolen ten volle hun functie konden vervullen. Het incident op de IJzerbedevaart was maar het opmerkelijkste in een lange rij. Aanhoudend werden anti-Belgische manifestaties georganiseerd, soms ludiek, soms gewelddadig.

Afbeelding 9815_opt

Rex-Vlaanderen speldje ‘voor leden van voor 10 mei 1940′

Zeer zeldzaam Rex-Vlaanderen speldje met Nederlandstalige vermelding op de achterkant.

LAH-Schlaufen voor Waffen-SS schouderstukken

“Tijl”, het maandblad van de Vlaamse HJ

Lot zeldzame ‘Tijltjes’, het maandblad van de Hitler-Jugend-Vlaanderen. De hoofdopsteller van het blad was Fons Bellefroid, en het werd uitgegeven door uitgeverij Steenlandt, de huisuitgeverij van de DeVlag. Het eerste nummer van het blad verscheen in juni 1944. Het tweede -en zoals later zou blijken- laatste nummer in juli 1944. Wegens de snelle opmars van de geallieerden verschenen dus met andere woorden slechts twee nummers.
In het eerste nummer bevond zich een bijgevoegd formulier waarmee een abonnement op het blad kon worden aangevraagd. Een bijgevoegd ’Führerbeveel’, op naam van SS-Hauptstürmführer Raf Van Hulse, maakte deel uit van het tweede nummer.

Dinasohuis jaren ’30: “De partijen zijn zelfs geen dop meer waard. STEMT BLANCO”

Foto van voorgevel van een Dinasohuis uit de tweede helft van de jaren ’30.

“De partijen zijn zelfs geen DOP meer waard. STEMT BLANCO”
“De partijen dragen schuld aan: onze VERDEELDHEID, onze ONMACHT, onze ARMOEDE, onzen ONDERGANG”
“Tegen de partijen, stemt voor het volk BLANCO”

Waffen-SS Tarnfeldmütze in Platanentarn

Zeer zeldzaam!

Waffen-SS Einheidsfeldmütze M43 voor Mannschaften en Unterführer

Twee exemplaren Waffen-SS M43 Feldmütze voor manschappen en onderofficieren. Links het model met adelaar op de zijkant van de muts, rechts het model met zowel doodshoofd als adelaar op de voorkant van de muts.

Maurits Geerardyn: kandidaat-aalmoezenier voor het Vlaams Legioen

Maurits Geerardyn werd in 1896 geboren in Noordschote (West-Vlaanderen). In 1915 belandde hij als oorlogsvrijwilliger in de loopgraven aan de IJzer.  Om zijn Vlaamsgezindheid werd hij beschuldigd van opstandigheid en defaitisme, en verbannen naar het strafkamp van de houthakkers aan de Orne (Frankrijk). Na de oorlog werd hij in 1919 vrijgelaten en ging hij voor priester studeren. In februari 1920 werd hij wegens ‘defaitisme’ echter weer opgepakt. In 1921 verleende de krijgsraad hem vrijspraak. Na zijn priesterwijding stuurde de kerkelijke overheid hem naar Leuven om er kerkelijk recht te studeren. Daar steunde hij actief het Katholiek Vlaamsch Hoogstudenten Verbond (KVHV), wat hem in 1925 in stilte een verbanning als kapelaan in Brugge opleverde. Als priester botste hij voortdurend met zijn oversten. Hij werd medestichter van het Vlaams-nationale weekblad Jong-Dietsland, waarin hij een rubriek verzorgde over de Vlaams-nationalistische beweging.

Tijdens de verkiezingen van 1929 weigerde Geerardyn openlijk partij te kiezen voor de Katholieke Partij. Hij werd uit Brugge verwijderd en tot kapelaan van Rollegem (bij Kortrijk) benoemd. Ook in Rollegem weigerde Geerardyn ieder partijpolitiek “proost”-schap. Hij werd door de Brugse bisschop Mgr. Waffelaert uit zijn ambt ontheven en wijkte uit naar Nederland. Ondertussen onderhield hij goede relaties met Cyriel Verschaeve en Joris van Severen. Met die laatste ijverde hij voor de eenheid van de Nederlanden, en stond (aanvankelijk) positief tegenover de Dinaso-actie van Van Severen. In Nederland werd Geerardyn professor het seminarie van Utrecht, waar hij door zijn superieuren zeer werd gewaardeerd.

In 1941, nadat hij te Nijmegen voor het doctoraat in de wijsbegeerte en de kandidatuur in het burgerlijk recht was geslaagd, keerde hij naar Vlaanderen terug. Na de Duitse inval in de Sovjetunie en de daaropvolgende wervingsacties voor het Vlaams Legioen meldde Geerardyn zich voor de functie van aalmoezenier voor het Vlaams Legioen. Hij zou echter nooit vertrekken. Volgens Jef François is hij uiteindelijk niet gegaan omdat hij geen toestemming kreeg van de geestelijke overheid.

 

Fragment: Jef François over de melding van Maurits Geerardijn als kandidaat-aalmoezenier voor het Vlaams Legioen.

 

In een Vlaams bisdom kreeg Geerardyn, ondanks aanbevelingen van de Nederlandse kardinaal De Jong, geen ambt toegewezen. Hij vestigde zich uiteindelijk in Mariaburg bij Antwerpen. In Mariaburg stichtte Geerardyn het Dietse Eedverbond, dat zich fel verzette tegen de verduitsing en  de vergaande samenwerking tussen het VNV en de bezetter. Naar verluidt lieten René Lagrou van de Algemene SS-Vlaanderen en Cyriel Verschaeve weten dat de Duitsers Geerardyn en zijn “Eedverbonders” ontschadelijk zouden maken als zij doorgingen met clandestiene acties te voeren tegen verduitsing en tegen de Oostfront-propaganda. Het Diets Eedverbond had geen uiterlijke organisatie, maar was een geheim genoodschap van Vlamingen die hun Heel-Nederlanderschap beleden, maar gericht waren tegen iedere vorm van verduitsing.

Na de oorlog werd Geerardyn door het verzet gearresteerd, maar in 1946 werd hij buiten vervolging gesteld. In 1949 trok hij naar de Verenigde Staten van Amerika, en schopte hij het tot directeur van een college in Santa Fé, waar hij in 1952 de titel doctor honoris causa of education Fremont kreeg.

In 1957 keer de Geerardyn naar Vlaanderen terug, waar hij tot pastoor van Mannekensvere werd benoemd. Na zijn terugkeer zocht hij systematisch contact op met de vele diverse groeperingen van flaminganten. In woord en geschrifte stuurde hij aan op verruiming van de Vlaamse horizon. Voor hem was de Vlaamse Beweging na de Tweede Wereldoorlog alleen nog maar een strijd voor “normalisatie” binnen de Belgische staat. Hij was van mening dat Vlaanderen zich met Nederland in de Benelux moest weten te realiseren.

Hieronder een gesigneerde foto-postkaart van Maurits Geerardyn van tussen de twee wereldoorlogen.