•  
  •  
  • Home
  • /Verdinaso
  • /Joris van Severen, het Verdinaso, en het bloedbad te Abbeville op 20 mei 1940

Joris van Severen, het Verdinaso, en het bloedbad te Abbeville op 20 mei 1940

Op 12 september 2013 overleed te Brugge mevrouw Gaby Warris. In mei 1940 maakte ze, naast enkele personaliteiten zoals Verdinaso-leider Joris van Severen en zijn secretaris Jan Ryckoort, deel uit van het konvooi van de weggevoerden naar Abbeville. Als 18-jarige jonge vrouw was ze destijds de jongste getuige van het bloedbad.

Gaby Warris

Met deze bijdrage willen we, ondersteund door enkele getuigenissen van onder andere Gaby Warris zelf, een beeld schetsen van deze dramatische gebeurtenis die zich op 20 mei 1940 heeft voorgedaan. Het bloedbad van Abbeville en de moord op Joris van Severen betekenden het feitelijke einde van het Verdinaso. De beweging zou intern verdeeld de Duitse bezetting ingaan, en door de Duitse overheid eerder worden gewantrouwd. Amper één jaar later werd een deel van de beweging door het VNV opgeslokt en kwam het in de collaboratie terecht. Andere Verdinaso-aanhangers engageerden zich dan weer in het verzet, of zegden de politiek voorgoed vaarwel.

1. Situering: Joris van Severen en het Verdinaso

Het Verdinaso, of het Verbond van Dietse Nationaal Solidaristen, werd begin oktober 1931 door Joris van Severen opgericht, om gedaan te maken met de onmacht van de uiteenlopende Vlaams-nationale groepen, en om de staat en de maatschappij volledig te hervormen. In de Dietse Groot-Nederlandse staat beriep Van Severen zich op het volksnationalisme, en wilde hij via antiparlementaire en antidemocratische weg de solidariteit tussen de klassen in een corporatief systeem tot stand brengen. Hij stond radicale oplossingen, en een verheerlijking van de autoritaire stijl en militant soldatesk optreden voor. In de geest van opoffering, wilskracht en gehoorzaamheid vormde Joris van Severen ‘nieuwe mensen’, een verwezenlijking die in Dinaso-kringen vaak in de verf werd gezet.

In 1934 echter voerde Van Severen een radicale koerswijziging uit. Met zijn Nieuwe Marsrichting stapte hij resoluut van het antibelgicisme af, en wilde daarmee een eerste stap zetten naar een buitenparlementaire machtsverovering binnen het Belgisch staatsbestel, met als uiteindelijk doel de hereniging van de Nederlanden in het Bourgondisch Rijk. Van toen af betekende Dietsland voor Van Severen niet meer de vereniging van Vlaanderen en Nederland, maar van heel België met Nederland en nadien Luxemburg. Daardoor rekende hij af met het traditionele flamingantisme, gaf hij het volksnationalisme op, en opteerde hij voor een meerledig staatsbestel geïnspireerd op het historische voorbeeld van de 17 Provinciën.

De revolutionaire kracht van het Verdinaso bestond er in de voorafbeelding te willen zijn van de door haar te vestigen staatsorde. Haar methode was een keurgroep van jonge mannen te willen vormen, waarvan haar leden door rusteloze en weloverwogen actie, door voornaamheid en correctheid, gaandeweg een zulkdanige positie in het openbare leven zouden innemen die de staatkunde meer en meer in de richting van het doel van het Verdinaso zou doen bewegen. Daar waar het doel van het Verdinaso lag in het geweldloos ‘veroveren’ van de macht, en haar methode lag in de verovering van de geesten, ondergingen de ‘nieuwe mensen’ die het Verdinaso schiep een rijpingsproces tot universele mensen voor wie de eerste veroveringen gelegen waren in henzelf.

Fragment: Jef Van Bilzen schetst een beeld van het Verdinaso uit de late jaren ’30 en haar methode.

 

Fragment: Albert Deckmyn herinnert zich Joris van Severen als een vormer van nieuwe mensen, een soort Ignatius van Loyola.

 

Van Severen die in 1932 nog een Vlaamse separatist was, zou aan het eind van de jaren dertig als vurigste Belgicist zelfs het tweeledig federalisme voor ons land verwerpen. Ook de dynastie en het koninklijke gezag wilde hij versterkt zien, vandaar zijn hartstochtelijke lofbetuigingen voor de persoon van Leopold III, van wie ook al gezegd is geworden dat hij sympathie voor het Verdinaso koesterde.

In de chaos van de Duitse overrompeling, besliste de Belgische overheid op 10 mei 1940 duizenden personen aan te houden waarvan men dacht dat ze de invaller zouden helpen. Veel van deze zogenaamde verdachten waren vreemdelingen: joden en antinazi’s die uit de greep van het Hitlerregime wilden blijven en Italiaanse antifascisten. Onder de gearresteerde Belgen bevonden zich communisten, gewezen vrijwilligers van de Internationale Brigaden in Spanje, Vlaams-nationalisten, Rexisten, Verdinaso-leden, oud-activisten, leden van het Davidsfonds en cultuurflaminganten. De ziekelijke vrees voor spionnen zorgde er tenslotte voor dat een aantal personen als gevolg van een misverstand of op volstrekt willekeurige wijze werden aangehouden.

In het licht van het voorgaande lijkt het op zijn minst merkwaardig te noemen dat de ‘belgicist’ Joris van Severen in 1940 nog steeds als ‘staatsgevaarlijk’ element op de verdachtenlijst stond en op de eerste oorlogsdag van 10 mei 1940 werd opgepakt en uiteindelijk naar Frankrijk werd gevoerd, waar hij tien dagen na zijn arrestatie met twintig medegevangenen in Abbeville werd vermoord. Een mogelijke verklaring ligt hierin dat -ondanks de latere aanvaarding van de Belgische staatkundige context- Van Severens weerzin tegen het partijenregime steeds een constante bleef in zijn politiek denken en handelen. Voor zij die dit regime belichaamden bleef hij onverminderd een politieke tegenstander.
Vele andere verdachten deelden vaak een zelfde lot: na lange omzwervingen kwamen ze in Franse concentratiekampen terecht, waarbij verscheidene tientallen uiteindelijk leven zouden laten. Het hieronder beschreven drama in Abbeville was hierbij toch het meest bloedige voorval.

 2. Het konvooi van Abbeville

Op 15 mei werden 78 verdachten, die in de gevangenis van Brugge waren opgesloten, met bussen naar het noorden van Frankrijk weggevoerd. Ze hadden geen flauw vermoeden van de dramatische uren die hen in Abbeville te wachten stonden. Tot de groep van 78 verdachten die in Abbeville belandden, en die daarom ‘het konvooi van Abbeville’ kan worden genoemd, behoorde aanvankelijk ook de Rex-leider Léon Degrelle. Hij werd op 10 mei 1940 in zijn woning aangehouden. In Béthune echter werd hij van de rest van het konvooi afgescheiden, en in de gevangenis van Duinkerken opgesloten. Tot de 78 van Abbeville behoorde eveneens Joris van Severen.

Fragment: Carlos Vlaemynck, auteur van het boek “Dossier Abbeville. Arrestaties en deportaties in mei ’40” (Davidsfonds, Leuven. 1977), vertelt over de reactie van Van Severen op de Duitse inval.

 

De Belgische staatsveiligheid, waarvan Robert De Foy de leiding had, draagt inzake de aanhouding van Joris van Severen een grote verantwoordelijkheid: de naam van Van Severen bevond zich inderdaad op de lijst van 51 verdachten die voor 10 mei 1940 door de staatsveiligheid werd opgesteld. Waarom was Joris van Severen dan verdacht?
Het is bekend dat Van Severen in de beginperiode van het Verdinaso (en er voor) een onverzoenlijke anti-Belg was geweest, maar die tijd was in mei 1940 lang voorbij. Aan het einde van de jaren dertig was Van Severen zelfs een tegenstander van het federalisme geworden, omdat hij zelfs daarin een gevaar voor de Belgische staat zag. In 1939 stichtte hij met onder andere Pierre Nothomb, en verscheidene andere personen uit de hoogste leidende kringen, het Verbond Voor Nationale Zelfstandigheid dat de Belgische neutraliteit ten allen prijzen wilde verdedigen. Van Severen had ook herhaaldelijk zijn minachting laten blijken voor de Duitse nationaalsocialisten, de Hitlerianen zoals hij ze noemde. Tijdens de mobilisatie had Van Severen zijn militairen de richtlijn gegeven zich ‘als de besten onder de helm te gedragen’. Nog in april 1940 had hij aan Koning Leopold een telegram gestuurd waarin hij de vorst van de absolute trouw van alle dinaso’s verzekerde. Anders gezegd: in mei ’40 kon aan Van Severens patriottisme niet meer worden getwijfeld. Zijn aanhouding komt bijgevolg onbegrijpelijk over. Blijkbaar twijfelde zelfs minister van justitie Janson aan de gegrondheid van Van Severens aanhouding, want zondag 12 mei 1940 ontbood Janson de Vlaams-nationale senator Hendrik Borginon, en vroeg hem op de man af of Van Severen moest worden vrijgelaten. Voor Borginon sprak dat vanzelf. Janson heeft alleszins besloten de Verdinaso-leider in vrijheid te doen stellen. Maar, dan was er nog eerste minister Pierlot. Door het negatieve advies van Pierlot is Joris van Severen toch aangehouden gebleven.

Fragment: volgens Carlos Vlaemynck bleef Joris van Severen op 10 mei 1940 aangehouden wegens het negatieve advies van Eerste Minister Pierlot…

 

Nadat aan Pierre Nothomb was verzekerd dat Joris van Severen op vrije voeten zou worden gesteld, had Pierre Nothomb oprecht gemeend dat hij er in was geslaagd Van Severen vrij te krijgen. Nothomb was persoonlijk met de Verdinaso-leider bevriend, en had voor de oorlog ook politiek met hem samengewerkt. Maar Nothomb was niet de enige die de aanhouding van Van Severen ongegrond vond.

Fragment: volgens Carlos Vlaemynck vond ook procureur-generaal Alfred Remy de aanhouding van Joris van Severen ongegrond.

 

Het konvooi van de groep van 78 die naar Abbeville werden weggevoerd vormt een goede staalkaart van alle weggevoerden uit de meidagen van ’40. Onder de 78 bevonden zich 21 Belgen (namelijk 13 Vlamingen en 8 Walen), onder hen twee dinaso’s, twee rexisten, één VNV’er en drie communisten. Bijna drie vierden van de groep van 78 bestond uit vreemdelingen. In de eerste plaats 18 Joden uit Duitsland en Centraal-Europa. De Joden vormden dus meer dan 20% van het hele konvooi. Voorts negen Italianen (onder wie ten minste vier uitgeweken antifascisten), zes Nederlanders, drie Luxemburgers, twee volslagen willekeurig aangehouden Zwitsers, voorts een Fransman, een Spanjaard, een Deen, een Oostenrijker, een Tsjech, een Canadees, en tenslotte 14 Duitsers. Onder deze 14 Duitsers bevonden zich drie officieren van de Abwehrstelle-Münster, de afdeling van de Duitse militaire inlichtingendienst die met spionage in het westen was belast. Naast deze drie Duitse spionnen bevonden zich nog zes niet-Duitsers onder de 78 van Abbeville die ook in Duitse dienst stonden: onder hen twee Nederlanders en twee Belgen. Indien men het konvooi als een min of meer representatieve staal van alle verdachten mag beschouwen, dan zou dit betekenen dat zicht onder deze verdachten circa 10% Duitse spionnen bevonden. Tenslotte kwam onder de 78 van Abbeville een aantal volstrekt willekeurig aangehouden personen voor.
Bij hun overdracht aan de Fransen op 15 mei werd de groep van 78 verdachten voor de laatste keer door Belgische rijkswachters met knuppels toegetakeld. Daarna werden ze door Franse militaire en de garde mobile naar Abbeville overgebracht en in de kelder van de plaatselijke kiosk opgesloten. Geen onder de verdachten had toen een flauw vermoeden van het drama dat zich de dag daarop zou afspelen.

Fragment: in Béthune zijn de verdachten tijdens de overdracht aan Franse gendarmes door Belgische rijkswachters brutaal mishandeld geworden.

 

Fragment: Achiel Mareel maakte deel uit van het konvooi. Na gevangenschap in Béthune werden ze naar Abbeville overgebracht. Wegens plaatsgebrek in de gevangenis werden ze in de kelder van de muziekkiosk opgesloten.

 

3. Nerveuze Fransen

Omdat een groot aantal geallieerde militairen via Abbeville naar het zuiden van Frankrijk terugtrokken, werd de stad hevig gebombardeerd door het oprukkende Duitse leger. Deze herhaaldelijke bombardementen maakten de Franse bewakers van de kiosk bijzonder zenuwachtig. Plots werd het valluik van de kelder opengegooid en riep een korporaal om vier man. Vier Italianen spoedden zich naar buiten. Ze dachten dat men hen riep om eten te halen. De deur werd dichtgegooid. Schoten weerklonken. Daarna vloog de deur voor een tweede keer open en diezelfde korporaal riep om nog vier man. Weer gingen vier man naar buiten. Toen opnieuw vier schoten weerklonken, wou niemand nog naar buiten. Daarom wierpen de Franse militairen een handgranaat in de kelder. Enkele opgeslotenen riepen: “Gooi ze terug”, een jonge Duitser greep de handgranaat en gooide ze naar buiten. In paniek stuifden de Franse militairen uit elkaar; maar de granaat ontplofte niet. De executie kon gewoon verder gaan.

Fragment: Carlos Vlaemynck vertelt over de overnachting in de kiosk van Abbevile tijdens de nacht van 19 op 20 mei 1940, en de aanvang van de Duitse bombardementen op de stad.

 

Fragment: Achiel Mareel getuigt over de eerste doden die nabij de kiosk door de Fransen werden vermoord.

 

Fragment: wanneer opnieuw vier man naar buiten moesten komen en weer schoten weerklonken, realiseerden de verdachten in kiosk zich dat hun laatste uur was geslagen.

 

Er waren al 16 personen neergeschoten toen de Franse reserveluitenant Caron met getrokken revolver de trap naar de kelder afdaalde. De gevangenen riepen: “Wij zijn onschuldig!” Ze huilden, smeekten, zongen de Marseillaise en de Brabançonne. Samen met Jan Ryckoort wou Joris van Severen Caron duidelijk maken dat hij een afschuwelijke vergissing aan het begaan was. Zonder resultaat, terwijl het tweetal door soldaten werd weggesleurd riepen ze nog tevergeefs: “Maar ik ben onschuldig! Ik ben een goede Belg! Ik ben een oudstrijder!” Ook zij werden zonder genade afgemaakt.
Nadien werd de 60-jarige, volslagen onschuldige, Nederlandse mevrouw Maria Ceuterick door Caron buitengesleurd. Ze werd gefusilleerd maar kreeg ook nog vijf bajonetsteken in de borst en werd met geweerkolven de schedel ingeslagen. Maria Ceuterick was op 10 mei samen met haar dochter en kleindochter, de toen 18-jarige Gaby Warris, in Brugge aangehouden.
Vervolgens haalde Caron weer een groep van vijf verdachten uit de kelder. Eén van hen vroeg om een priester en kreeg als antwoord: “Voor u is er geen God”, een andere vroeg om een rechter en werd toegesnauwd: “Voor verraders bestaat geen oordeel”.

Fragment: Carlos Vlaemynck over de moord op Joris van Severen en Jan Ryckoort. Daarna werd ook de 60-jarige Maria Ceuterick uit Brugge (de grootmoeder van Gaby Warris) omgebracht.

 

Aan de moordpartijen werd een einde gemaakt door de tussenkomst van de Franse luitenant Jean Leclabart. Intussen waren 21 weggevoerden slachtoffer geworden van de ‘spionitis’ en de paniekstemming waarin Franse militairen toen verkeerden. De 21 slachtoffers werden eerst in een haastig gedolven massagraf begraven. Na identificatie werden zijn op de armengrond van het kerkhof van Abbeville individueel begraven. Na de oorlog werd het stoffelijk overschot van enkelen gerepatrieerd; en voor Joris van Severen en Jan Ryckoort werd door oud-Dinaso’s een gedenkteken op het kerkhof van Abbeville opgericht.

Fragment: Na het bloedbad van Abbevile werden Gaby Warris en haar moeder in Rouen door de een Franse generaal en twee leden van de Belgische inlichtingendienst opgezocht.

 

4. Het Duitse onderzoek naar de verantwoordelijken

Zoals eerder gezegd waren de Duitsers erg geïnteresseerd in het vinden van de schuldigen voor het bloedbad van Abbeville. De belangrijkste reden hiervoor zal wel geweest zijn dat zich onder de 78 van Abbeville twee officieren van de Abwehrstelle-Münster bevonden. Onmiddellijk stelde de Abwehr een onderzoek in dat in augustus 1940 door de Sicherheitsdienst –de inlichtingendienst van de SS- werd overgenomen. Dit onderzoek leidde in 1941 tot de aanhouding van twee Franse reservemilitairen: luitenant Caron (een overtuigde socialist) en sergeant-chef Mollet (een overtuigde christen). Beide werden na een uitvoerig proces in 1942 terechtgesteld. Maar kapitein Dingeon, die het mondelinge bevel tot de executie had gegeven, poetste voor de aanhouding de plaat en zou in 1941 in onbezet Frankrijk zelfmoord hebben gepleegd. Tot drie keer toe zou sergeant-chef Mollet bij Dingeon op uitstel van executie hebben aangedrongen. Caron wordt in Frankrijk nog steeds als een held beschouwd. Op zijn grafsteen staat te lezen: “Fusillé par les Allemands”. Maar er staat niet bij waarom. Bovendien bestaat in Abbeville een rue du Lieutenant Caron, iets waar de bedevaarders naar het graf van Van Severen steeds aanstoot aan namen.

Fragment: Carlos Vlaemynck had na de oorlog en ter voorbereiding van zijn boek een onderhoud met de weduwe van de Franse luitenant Caron.

 

Aan het Abwehr-ondezoek over Abbeville heeft één van de overlevenden van het bloedbad zijn medewerking verleend, namelijk Achiel Mareel. Hij zal met de Duitse Abwehr van Münster op zoek gaan naar twee van haar agenten. Eerst werd hij met 25 andere overlevenden na het bloedbad door de Fransen naar Rouen overgebracht. Maar in tegenstelling tot de anderen die pas in juni 1940 vrijkwamen, bleef Mareel nauwelijks nog een uur aangehouden. Hij had zijn vrijlating te danken aan iemand van het Franse Deuxième Bureau die hij voor de oorlog in Brussel had gekend.

 

Gepost in: Verdinaso | 1

One thought on “Joris van Severen, het Verdinaso, en het bloedbad te Abbeville op 20 mei 1940


Leave a Reply