•  
  •  

‘Tintin mon copain’ (Léon Degrelle)

In het boek Tintin mon copain (Léon Degrelle, Pélican d’or, 2000) wordt uitgebreid ingegaan op het leven en de invloeden van tekenaar Hergé, geestelijke vader van Kuifje/Tintin. Gezien Léon Degrelle overleed in 1994, verscheen het boek postuum. Het boek kan worden beschouwd als een encyclopedie over de stripheld en Hergé: in 231 pagina’s wordt beschreven hoe Hergé werd beïnvloed door de sociale, culturele en politieke context van zijn tijd, maar vooral door de persoon van Léon Degrelle zélf. Enkele bronnen komen hierdoor tot de conclusie dat het werk vooral een autobiografische apocrief van Degrelle is. Na een klacht van uitgeverij Moulinsart, de uitgeverij van de strips van Hergé, werd de verkoop van het boek in België en Frankrijk omwille van schending van auteursrechten verboden. Naar verluidt werden 850 exemplaren op een totale oplage van 1000 stuks vernietigd. Hierdoor is een exemplaar van het boek erg moeilijk te vinden.

DSC01296_opt

 

Striptekenaar Hergé (pseudoniem van Georges Remi) en Léon Degrelle leerden elkaar eind jaren ’20 kennen, toen beiden werkten bij het katholieke en anticommunistische weekblad Le Vingtième Sciècle. Hergé schreef zijn eerste Kuifje-verhaal, Kuifje in het land van de Sovjets, voor de jongerenbijlage van dit blad. Verschillende argumenten dat Kuifje was gebaseerd op Degrelle worden in Tintin mon copain aangevoerd: de reizen van reporter Degrelle in Mexico en de Verenigde Staten, de golfbroek die beiden in die periode droegen en niet te vergeten: de kuif. De naoorlogse bewering dat Degrelle als model stond voor reporter Kuifje werd door Hergé steeds tegengesproken. Desalniettemin lijken bepaalde beweringen gezien de context zeker plausibel: hun katholieke en anticommunistische beginperiode, de succesrijke opkomst van Rex, de repressie en epuratie (waaraan ook Hergé -zij het beperkt- niet aan ontsnapt is), en de naoorlogse gecensureerde stripalbums van Tintin/Kuifje. Hij publiceerde in de collaboratiepers, een feit dat bij vele anderen reden genoeg was voor een gevangenisstraf en een gebroken carrière.

Wat oorlogse publicaties betreft, worden in Tintin mon copain ondermeer passages uit originele versies van strips uit de bezetting gepubliceerd. In een artikel van Koenraad Elst, gepubliceerd in ‘t Pallieterke op 15 september 2004, wordt hierop ingegaan. Tijdens de oorlog publiceerde Hergé onder andere het album De Geheimzinnige Ster (1942), dat tegenwoordig nog steeds tot de standaardcollectie Kuifjes behoort. Wat de titel betreft wil het al lukken dat het volk dat destijds zogezegd als smeder van geheimzinnige complotten gold, eveneens een ster in zijn vlag voerde. De grote boosdoener in het originele verhaal is een stereotiepe jood, compleet met grote neus, brede lippen en een intens begerige blik in de ogen: de New-Yorkse bankier Blumenstein. In de naoorlogse edities verving Hergé die vingerdik Jiddische naam door Bohlwinkel, niet beseffend dat ook dit een Jiddische naam is.

Blumenstein trekt in het album aan allerlei touwtjes om een Europese expeditie naar een vers neergestort stuk meteoor in de Noordelijke IJszee te dwarsbomen. Een Belgisch geleerde heeft immers door spectraalanalyse kunnen vaststellen dat de meteoor een nieuw en kostbaar metaal bevat, en daar heeft de bankier naar goede familietraditie zijn begerig oog op laten vallen. Kuifje is echter te slim voor zijn aanslagen en misleidingstactieken, en Blumenstein wordt uiteindelijk als opdrachtgever van deze misdaden ontmaskerd.

Behalve de figuur van Blumenstein is er nog een subtieler element van de toen dominante ideologie in het verhaal verwerkt. In de wedloop naar de gevallen meteoor zijn twee partijen betrokken: enerzijds het schip van Blumenstein uit de Verenigde Staten (in de uitgaven vanaf 1954 vervangen door een ingebeeld land Sao Rica), anderzijds een schip met een pan-Europees team van geleerden. Zo’n Europese wetenschappelijke commissie was toen een grote zeldzaamheid, behalve het forensisch team, met ondermeer de Vlaamse dokter Speleers, dat onder Duits toezicht in Katyn de massamoord door Stalin op Poolse officieren onderzocht. Vandaag zou zulke Europese samenwerking nauwelijks opvallen, maar in die tijd was het idee van de Europese eenheid heel typisch voor de foute kant in de oorlog.

In het anti-Duitse kamp had je twee types niet-Europeeërs. Er waren de communistische internationalisten, die de Sovjet-Unie als hun ideologisch vaderland beschouwden en verder in de wereldwijde solidariteit van de proletariërs geloofden, dus samen met niet-Europese proletariërs tegen de Europese machthebbers, zowel de nazi’s als de liberaal-kapitalisten. En er waren de ouderwetse nationalisten die uit vaderlandsliefde tegen de bezetter streden. Ook de officieren die een mislukte aanslag op Hitler pleegden, waren Duitse patriotten en geen pioniers van de Europese eenwording zoals de Nederlandse premier Balkenende bij de zestigste verjaardag van de aanslag beweerde. Dé gangmaker van de Europese gedachte destijds was toen de Waffen-SS, die voor het Oostfront wierf met affichteksten als: “Ich stehe hier für Europa”, en die de landing in Normandië als een Amerikaanse agressie tegen Europa zou voorstellen. Hergé beschrijft een tweekamp tussen Europa, werelddeel van wetenschappers en van de eerlijke vinders van de schat, en Amerika, werktuig van het joodse winstbejag dat de vruchten van de Europese vindingrijkheid wil stelen. Dat vormt een volmaakte illustratie van de Europese gedachte in SS-versie. Maar, we kunnen het Hergé na al die jaren niet kwalijk nemen want hij is een parel aan de Belgische kroon.

Leave a Reply