•  
  •  

Beschouwingen bij de mythe van de 80 procent en het Vlaamse aandeel aan het IJzerleger tijdens de Eerste Wereldoorlog

Voor het Vlaams-nationalisme functioneert de Frontbeweging tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het IJzerfront als een funderingsgrond. Zij moet het ontstaan en de ontwikkeling van het Vlaams-nationalisme verklaren: in het Belgisch leger heersten onduldbare taaltoestanden met flamingantische en sociale acties tot gevolg. Deze acties werden door een zich onbegrijpende legerleiding tegengewerkt waardoor de flamingantische acties radicaliseerden, en er zich stilaan een overkoepelende organisatie groeide, die wegens bedreiging met repressie clandestien moest werken. Ondanks onbegrip, vervolging en hetze bleef de beweging aan het front loyaal de Belgische oorlogsdoeleinden steunen, ook omdat koning Albert begrip had voor de Vlaamse eisen (‘Gedenk de slag der Gulden Sporen’). Vlaamsgezinde protagonisten gingen er tijdens (en na) de oorlog van uit dat de Vlamingen 80% van de troepen leverden. Dat aantal werd tijdens de oorlog door de Belgische pers overgenomen, en door de legerleiding ook nooit tegengesproken. Als het Belgische leger voor 80% uit Vlamingen bestond, had Vlaanderen meer dan zijn plicht gedaan en dan was het des te ergerlijker dat de Vlaamse soldaten tijdens de oorlog slecht werden behandeld en na de oorlog niet de rechten kregen die de regering in 1916 had beloofd, stelde het flamigantische standpunt na de wapenstilstand van 1918. De keerzijde van die medaille was dat de Franstaligen, die blijkbaar slechts 20% van de troepen hadden geleverd, ondermaats hadden gepresteerd.

Ook de meeste historici namen de “80%” aan, tot F.E. Stevens, gedreven door Belgische vaderlandsliefde, in 1976 een gedetailleerde studie van het 9e Linieregiment publiceerde waarin hij veel lagere percentages reveleerde (tussen 57 en 66%). Twee jaar later hield Luc Schepens een talentelling op de militaire begraafplaatsen in West-Vlaanderen. Luc De Vos bekeek in 1985 de samenstelling van het Belgisch leger in de zomer van 1914. Hans Keymeulen nam in 1989 de lijsten van omgekomen militairen onder de loep. Ook zij vonden lagere percentages en sindsdien is de “80%” in de verdrukking gekomen en tot de grote mythen van de vaderlandse geschiedenis gerekend. Tal van hedendaagse historici zoals Sofie de Schaepdrijver en Bruno De Wever hebben deze conclusie ondertussen zonder meer geassimileerd: het percentage Vlamingen aan het IJzerleger zou tot de flamigantische overdrijvingen behoren.

Historicus Daniël Vanacker nam de kwestie onder de loep en publiceerde zijn bevindingen in het zevende Jaarboek Joris van Severen (Ieper, 2003). Vooreerst maakte hij, aan de hand van tientallen bewaard gebleven tijdseigen getuigenissen, een status quaestionis met betrekking tot het onderwerp en confronteerde het met de bevindingen van de hierboven vermelde vier historici.

Vervolgens onderzocht Vanacker de uitgangsstellingen en postulaten die de basis vormden bij het historisch onderzoek dat leidde naar de lagere percentages.

Hierbij kan men vooreerst opmerken dat de omvang van de steekproeven van vooral Stevens, Schepens en Keymeulen op zijn minst beperkt lijkt (2,4% van de 365.000 manschappen die aan de oorlog deelnamen).

De volgende vraag is of de samenstelling van bovenvermelde steekproeven representatief is.
– Het leger van De Vos telde wat dit criterium betreft in de zomer van 1914 zo’n 234.00 rekruten, terwijl koning Albert met hoogstens 182.000 miliciens ten strijde trok. (Meer dan één vijfde kwam dus niet opdagen). Hierom blijft het delicaat om de percentages van De Vos op het leger van augustus 1914 toe te passen.
– Het bestudeerde 9e Linieregiment van Stevens, dat in Brussel was gekazerneerd, kan bezwaarlijk representatief voor de infanterie worden genoemd.
– Op de West-Vlaamse begraafplaatsen van Schepens liggen alleen slachtoffers uit de IJzerjaren en het begin van het bevrijdingsoffensief, dus niet uit de eerste maanden en de laatste weken van de oorlog. Veel lijken bleven eveneens onbegraven op het slagveld liggen, of werden ter plaatse begraven en soms later door het oorloggeweld vernield. Als men de eigentijdse getuigenissen volgt dat er vooral Vlamingen in de vuurlinie stonden, dan is hun aandeel in de groep ‘onbekende soldaten’ erg groot en zijn deze ondervertegenwoordigd op de kerkhoven.
– Dat laatste kan ook op de steekproef van Keymeulen worden toegepast: deze becijferde zijn percentages op basis van de twaalf dodenlijsten die het ministerie van Oorlog tussen 1915 en 1925 in de Moniteur Belge publiceerde, wat overeenkomt met een steekproef van 84% van de doden. De ontbrekende 16% betreffen vermoedelijk vooral vermisten, en als men zoals reeds vermeld afgaande op de getuigenissen aanneemt dat vooral Vlamingen zich bij die rest vonden (omdat zij het talrijkst in de vuurlinie stonden) kan dit de Vlaamse cijfers van Keymeulen nog met een paar procenten verhogen.

Rest er nog de vaststelling dat de vier auteurs uit hun cijferbronnen slechts uitzonderlijk de verhouding van de taalgemeenschappen (Vlaams-Waals) ondubbelzinnig konden afleiden.
– Schepens noteerde hierbij de taal op de grafzerkjes. Dit is niet steeds een betrouwbaar criterium voor de moedertaal van de gesneuvelde, daar die taal -in toepassing van een circulaire uit 1924, dus zes jaar na de oorlog- door de familie van de slachtoffers was gekozen.
– Voor de klassen van 1899-1909 gebruikte De Vos terecht de cijfers uit het Annuaire Statistique dat elk jaar een overzicht gaf van de opleidingstaal die de soldaten hadden gekozen. Voor de klassen na de invoering van de dienstplicht berekende hij het aandeel aan de hand van de cijfers over de arondissementele herkomst van de rekruten (woonplaats). Om de militairen uit het tweetalige gebied -in hoofdzaak Brussel- te verdelen nam hij, net als Stevens en Keymeulen echter zijn toevlucht tot de volkstellingen. Dat is een slechte keuze daar het de bedoeling van het onderzoek is de cijfers wat betreft de samenstelling van het leger juist met het cijfer van de volkstellingen te willen vergelijken. Het uitgangspunt van de “80%” is immers dat de Vlaamse percentages in het leger aanzienlijk hoger lagen dan in de samenstelling van de bevolking. Als men cijfers van de volkstelling (55% Vlamingen en 45% Walen) gebruikt om de percentages in het leger vast te stellen, dan ligt het voor de hand dat de twee niet veel van elkaar afwijken.

Het besluit van Van Ackers onderzoek is helder. De discussie over de “80%” tijdens de Eerste Wereldoorlog leert dat het percentage in de eerste plaats sloeg op het aandeel van de Vlaamse soldaten in de vuurlinie tijdens de jaren 1915-1918. De meeste getuigenissen over de “80%” waren ramingen. Die schattingen waren uiteraard niet nauwkeurig, maar toch realistisch. Het ging immers om observaties van militairen over hun eigen omgeving. Hun indrukken worden bovendien bevestigd door een reeks tellingen, vooral in de infanterie. Doorgaans ging het om kleinere eenheden, zoals een peloton of een compagnie. Uit de licht afwijkende percentages blijkt dat “80%” veeleer een globaal gemiddelde was. Sommige eenheden zaten erboven, andere eronder. Uit die ramingen en tellingen kan men niet besluiten dat alle Belgische infanterie-eenheden die aan de IJzer vochten, voor vier vijfden uit Vlaamse piotten bestonden, maar wel dat dergelijke eenheden lang geen uitzondering waren. Die ”80%” bleek zelfs zo geloofwaardig dat niet alleen Vlaamsgezinde politici het cijfer overnamen, maar ook de hoogste gezagdragers het voor waar aanvaardden: koning Albert, minister De Ceuninck van Oorlog, hoofdaalmoezenier Jan Marinis, propagandachef Fernand Passelecq. Had de regering of de legertop dat percentage willen betwisten, dan hadden ze zelf een telling kunnen organiseren. Als ze dat niet deden, was het wellicht omdat ze de uitslag vreesden.

De studies van Stevens, Schepens en Keymeulen bevatten wel cijfers over de Vlaamse aanwezigheid op het IJzerfront, doch door de beperkingen en tekortkomingen van hun aanpak zijn die percentages niet betrouwbaar. Maar zelfs als men zou aannemen dat de Vlaamse aanwezigheid in de IJzerjaren “slechts” 65 tot 70% bedroeg, liggen die percentages beduidend hoger dan het Vlaamse aandeel in de bevolking. Voor de fundamentele discussie over de taaltoestanden in het Belgische leger maakt(e) het uiteindelijk weinig verschil uit of de Vlaamse meerinspanning 15 dan wel 25% bedroeg. De discriminatie van de Vlaamse soldaten vóór, tijdens en zelfs na de oorlog wordt trouwens door de tabellen van die auteurs bevestigd.

Voor het Vlaamse overwicht in het Belgische leger waren er drie redenen die met een geografisch toeval te maken hebben. Vlaanderen leverde meer miliciens en vrijwilligers dan Wallonië omdat het noordwestelijk hoekje van België dat onbezet bleef, bij Vlaanderen hoorde, omdat er door het verloop van de oorlog meer Vlamingen dan Walen naar het buitenland gevlucht waren, en omdat het lange tijd gemakkelijker was vanuit Vlaanderen naar Nederland te vluchten dan vanuit Wallonië.

Twee andere redenen waren socio-economisch van aard – net zoals de “twee snelheden” al vóór de oorlog een rol gespeeld hadden. Vooreerst bevonden heel wat Vlaamse landarbeiders zich bij het uitbreken van de oorlog in Noord-Frankrijk. De “Fransmans” gingen er elk jaar de oogst binnenhalen omdat er in Vlaanderen onvoldoende werk was. Daarnaast gaf de oorlogsindustrie de voorkeur aan Waalse soldaten-arbeiders omdat de industrie, en zeker de ijzer- en staalindustrie, in Wallonië meer ontwikkeld was dan in Vlaanderen.

Een laatste reden – “last but not least” – was de francofone, Vlaamsvijandige mentaliteit in het Belgische leger. In die unitaire instelling was en bleef het Frans de voertaal en hadden veel officieren slechts minachting voor de Vlamingen en hun taal. Dat verklaart waarom het Vlaamse aandeel steeg naarmate men de hiërarchische ladder afdaalde of naarmate de dienst zwaarder werd.

De “80%” werd al vroeg een symbool dat het Vlaamse ongenoegen over die situatie samenvatte en bleef decennialang populair in de flamingantische propaganda. Het was een “mythe” als men daarmee bedoelt dat het percentage deel uitmaakte van de collectieve herinnering van de Vlaamsgezinden. Het was geen “mythe” als men daarmee wil aangeven dat het een vertekend beeld gaf van de taalverhoudingen in de loopgraven aan de IJzer.

Klik op onderstaande link om het volledige artikel te lezen.
De mythe van de 80 procent

Geef een reactie