•  
  •  

‘Voor Vlaanderen, volk en Führer’: de collaborateurs van Aline Sax

1. Inleiding

In Voor Vlaanderen, volk en Führer legt auteur Aline Sax naar eigen zeggen de ziel van de Vlaamse collaborateur bloot. Het boek is de handelseditie van een in 2012 aan de universiteit van Antwerpen verdedigd doctoraat. In het werk wordt de premisse geponeerd dat de naoorlogse beeldvorming van de collaboratie steeds werd gedomineerd door stereotypes van de Vlaamse collaborateur als de Vlaamse idealist of als katholieke Oostfrontstrijder, die geen ideologische verwantschap hadden met de Duitse bezetter en het nationaal-socialisme. De lezer wordt niet lang in spanning gehouden: al snel verraadt de jonge historica dat er van de mythe van brave katholieke collaborateur die tegen het goddeloze bolsjewisme vocht niet veel overeind blijft. Zelf noemt ze het resultaat van haar werk “onthutsend”, want volgens haar onderzoek en opzoekingen komt ze tot de conclusie dat Nieuwe Orde-gezindheid onder twee derde van de collaborateurs  een belangrijke motor was. Na de oorlog werd deze Nieuwe Orde-gezindheid – nog steeds volgens Sax – verzwegen en genegeerd, en kwam de nadruk sterk te liggen op het Vlaams nationalisme als motief.

Voor Vlaanderen, volk en Führer

Het boek vermeldt de foto op de omslag als Vlaamse Wachters. Eigenlijk gaat het hier om mannen van de Vlaamse Wachtbrigade.

In wat volgt willen we de gevolgde methodologie van Sax analyseren, en haar gevolgtrekkingen confronteren met de wetenschappelijke vraagstelling en het onderzoeksopzet van het boek. Wat dit laatste betreft, zou het namelijk op zijn minst een onfatsoenlijke verdienste van een wetenschappelijk werk zijn indien het als opzet zou hebben om een vermeende onterechte beeldvorming door een gecorrigeerde beeldvorming te pogen te vervangen. Hierbij willen we verwijzen naar enkele persrecensies die van het geschiedkundige werk van Sax hebben onthouden dat  68% van de collaborateurs  zich vooral door “extreemrechtse politieke opvattingen lieten drijven” (Marc Reynebeau, De Standaard der Letteren). Voor anderen laat het boek nog een verdere scheeftrekking toe, namelijk dat “twee derde van de Vlaamse collaborateurs het niet deden voor Vlaanderen, maar dat de leeuwenvlag slechts een schaamlapje was om antidemocratische standpunten te verdoezelen of simpelaars te winnen voor het brute fascisme” (Jan Willems, Dewereldmorgen.be). Laat ons deze collaborateurs van Aline Sax even onder de loep nemen.

2. Uitgangspremisse: vergoelijkte beeldvorming door de collaborateurs zélf tot stand gebracht

Met deze bijdrage wensen we een aantal zwakheden in de gevolgde methodologie van het onderzoek aan te wijzen, alsook bedenkingen te formuleren bij enkele gevolgtrekkingen en besluiten die in het boek worden geformuleerd. De scherpte waarbij dit alles mogelijks wordt geformuleerd, doet niets af van onze  bewondering voor het boek en ons respect voor de gevierde jeugdschrijfster. Het boek beschrijft talrijke verrassende inzichten, maar het geschilpunt is de interpretatie van bepaalde bronnen en de historische interpretatie die aan de statistische verwerking van die bepaalde bronnen wordt gegeven. Hoewel we pogen te streven naar volledigheid, kan elk argument ongetwijfeld nog verder worden uitgediept.

Alle voorgaande onderzoeken en werken ten spijts, vertrekt Sax bij aanvang van haar werk van de boude stelling dat jarenlang het beeld werd gecultiveerd dat Vlaamse collaborateurs en oostfrontstrijders naïeve flaminganten of oerkatholieke jongens waren, die zich door de Duitsers een rad voor de ogen hadden laten draaien. Het waren, aldus de auteur, de oud-collaborateurs zelf die na de oorlog een vergoelijkt zelfbeeld cultiveerden waarbij de nadruk heel erg sterk lag op de Vlaams-nationalistische motivatie voor hun collaboratie. Deze voorstelling van collaborateurs als idealisten die slechts met de Duitsers meewerkten om hun vooroorlogs doel, namelijk de verwezenlijking van hun Vlaams-nationale idealen te bekomen, kon zich aldus de auteur vrij snel in het collectieve geheugen vasthaken. De jonge historica geeft toe dat daar vanaf de jaren ’80 verandering in kwam omdat meer nadruk op de Jodenvervolging en het verwerpelijke nationaalsocialistische systeem kwam te liggen, maar maakt toch op dat in alle voorgaande studies en werken de ‘gewone’ Vlaamse collaborateur grotendeels buiten beeld bleef. Dit is een op zijn minst vreemde vaststelling, want denken we maar aan alle interviews (dus: oral history) door Maurice De Wilde op band gezet. De subjectief gekleurde uitgangspremisse waarmee het boek van wal steekt doet ons nopen dat er op deze manier ruimte komt om de waarde van geschiedkundig onderzoek gevoerd door de generaties die het interbellum, de oorlog (en de nasleep er van) werkelijk hebben meegemaakt, te devalueren. In weerwil van alle voorgaande studies vertrekt het onderzoek naar Sax’ gewone Vlaamse collaborateurs van drie vragen:

a. Wie waren deze gewone collaborateurs?
b. Waarom deden zij wat ze deden?
c. Hoe zag het wereldbeeld van deze mensen er uit?

3. Heuristiek, bronnen en methodologie

a. Het repressiedossier als bron

Na het formuleren van het onderzoeksopzet naar de ‘gewone’ Vlaamse collaborateur komt er vervolgens een methodologie aan bod waardoor de indruk instaat dat  de boude stelling uit ons vorig punt met alle middelen moet worden bewezen. Ten gevolge van de uitgangspremisse is de auteur van mening dat de vergoelijkte beeldvorming nog steeds té diep zit ingeworteld bij zowel de oud-collaborateurs, als bij hun kinderen en kleinkinderen. Hierom  wordt expliciet gekozen om niet te werken met mondelinge bronnen, maar met de gerechtelijke repressiedossiers van destijds. Hierbij komen we bij een eerste zwakke punt in het onderzoek van Sax, met name de exclusieve keuze van het repressiedossier als bron. De lezer moet hierbij in acht nemen dat statistische verwerking van  gegevens uit dit dossier zullen worden aangewend om uiteindelijk de motivatie en het wereldbeeld van deze ‘gewone’ collaborateurs te achterhalen.

b. Steekproef op basis van de wetelijke definitie van een collaborateur

Op basis van de wettelijke definitie van een collaborateur, namelijk iemand die werd veroordeeld op basis van art. 113 tot 123 dec. SWB, werd een steekproef genomen van 326 dossiers. Dit is ongeveer 1% van de 53.000 veroordeelde collaborateurs. Aldus de auteur werden de repressiedossiers als bron niet – of ten minste erg weinig – aangetast door de zogenoemde ‘naoorlogse beeldvorming’ en geven ze een vrij volledig beeld van de betreffende collaborateur. Niet enkel de verdachte zelf kwam aan het woord want deze gerechtelijke dossiers bevatten ook getuigenverklaringen. In sommige dossiers werden ook zogenoemde ‘egodocumenten’ aangetroffen die bij huiszoekingen in beslag genomen waren: brieven en dagboeken die tijdens de oorlog waren geschreven. De historica beschouwde enkel gevonniste dossiers uit de periode oktober 1944 – april 1946. Na deze periode werd vlugger en oppervlakkiger gevonnist en waren dossiers minder volledig.

c. Tekortkomingen bij het exclusieve gebruik van repressiedossiers als bron

De auteur is zich terdege bewust van de specifieke context waarin deze dossiers waren ontstaan. In haar werk worden passages gewijd aan de ontstaanscontext van de repressiedossiers en het werk van de (jonge) historicus om na de feiten (en per dossier) de betrouwbaarheid van de verklaringen na te gaan en uiteindelijk een samenhangend geheel uit te distilleren. Onze stelling is echter: repressiedossiers op zich zijn geen geschikte objectieve bron bij het achterhalen van de punten 2 en 3 van boven vermelde wetenschappelijke vraagstelling. Men gaat hier volledig voorbij aan de dramatische sfeer die de ‘processen’ en onderzoeken van destijds kleurden. Het is geenszins onze bedoeling om in dit artikel te sterk uit te wijden over de aanpak van de repressie, maar het goed fatsoen heeft ook haar rechten. Het ontbreken van oral history van de protagonisten – de oud-collaborateurs van destijds – in het bronnenonderzoek is een uitgangspunt van Sax, omdat dit naar verluidt door vermeende naoorlogse beeldvorming zou zijn gekleurd. Daarom kiezen we hieronder voor oral history van de antagonisten van destijds. Hiermee willen we het standpunt maken dat repressiedossiers betwijfelend objectieve stukken kunnen zijn; en dat een beklaagde – in geval het tot een proces kwam – weinig weerwoord had en op voorhand als Duitschgezind werd gebrandmerkt. Dit laatste ‘stigma’ zal in hetgeen volgt, namelijk bij de statistische verwerking, nog een belangrijke rol vervullen.

Fragment: antagonisten uit de repressie over de sfeer waarin de processen plaatsvonden. Gerechtelijk vervolgd worden betekende voor het leeuwendeel automatisch als ‘Duitschgezind’ worden bestempeld.

 

Fragment: gebrekkig onderzoek, vooringenomenheid, gebrek aan ervaring bij magistraten, amper recht op verdediging, onwaardige en foutieve processen. Repressiedossiers kan men niet als objectieve bronnen beschouwen.

 

Fragment: het gebrek aan sereniteit. Men kan gewis ook grote twijfels hebben bij de betrouwbaarheid van de dossiers als bron voor onderzoek naar motivatie en wereldbeeld van de betrokken collaborateurs.

 

Antagonisten die de repressieprocessen destijds bijwoonden waren van oordeel dat deze betwijfelend correct werden gevoerd. De steeds wederkerend aangevoerde ‘sfeer’ in de tribunalen, de partijdigheid, en de manier waarop onderzoeken werden gevoerd en dossiers werden samengesteld zorgden er voor dat deze repressieprocessen in tal van gevallen tot dramatische schertsvertoningen of schijnprocessen werden bestempeld. In deze optiek lijkt het ons onfatsoenlijk en historisch onwetenschappelijk  om deze vaak subjectieve repressiedossiers door middel van statistische verwerking te extrapoleren naar de motivatie of  het wereldbeeld van de beklaagden van toen.
Ondanks het feit dat de bronnenheuristiek van Sax aanzienlijk is, merkt Bruno De Wever correct op dat wie vandaag de dag het werk zou willen controleren ongetwijfeld zal stuiten op de weigering van het College van Procureurs-generaal, dat geen toelating meer verleent tot inzage van dossiers waarin eerherstel werd toegestaan.  Dat is spijtig want op die manier is een belangrijk deel van het onderzoek en bevindingen van Sax onttrokken aan enige historische kritiek.

4. De motivatie van de collaborateurs

De tweede vraag spitste zich toe op de motivatie van de collaborateurs, met andere woorden het waarom van hun collaboratie. Op basis van steekproef van 326 repressiedossiers van gestrafte collaborateurs kon de auteur statistisch vijftien types motieven oplijsten, gaande van wat de auteur onder de noemer ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ onderbrengt, tot geopolitieke motieven, financieel gewin, ontsnapping aan verplichte tewerkstelling, avonturisme, enzovoort… Het vijftiende, doch – volgens de auteur – echter opvallend afwezige motief in de repressiedossiers is het antisemitisme.

a. Motief ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ door middel van een elastisch stalinistisch-fascismebegrip gekwantificeerd

(1) Particuliere ideologische overtuiging geëxtrapoleerd naar een universeel fascisme-begrip

Hier komen we bij een tweede zwakke punt in het onderzoek van Sax, namelijk de inhoudelijke benadering van wat de auteur onder het begrip ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ onderbrengt. We gaan akkoord met haar aanvankelijke omschrijving als “een maatschappelijke bekommernis, vormgegeven door een bepaalde ideologische overtuiging, die bij vele collaborateurs een rol speelde in hun collaboratie”. Sax erkent dat het begrip niet gemakkelijker definieerbaar is en op een gans spectrum ideologieën slaat. Maar het is frappant hoe deze vervolgens onmiddellijk en onnauwkeurig equivalent als nationaalsocialisme wordt gemoraliseerd. Wat betreft kwantificering en statistische verwerking van de ideologische motieven kiest de auteur er voor om deze door middel van een elastisch stalinistisch-fascismebegrip te kwantificeren. Hoewel er tal van historici zijn die absoluut weigeren het fascisme-begrip te extrapoleren naar niet-Italiaanse fenomenen omdat zij dit onhistorisch vinden, gebruikt Sax daarentegen een typologie van auteur Roger Griffin, het zogenoemde ‘minimumprogramma van het fascisme’, om de kenmerken van Nieuwe Orde weer te geven. Dit ‘fascistisch’ minima zou de constructie moeten onderbouwen dat ‘fascisme’ een universeel verschijnsel is met plaatselijk gedifferentieerde manifestaties. Ongeacht de ideologische motivatie of lidmaatschap bij om het even welke organisatie, wordt het denken en handelen van deze personen categorisch ondergebracht onder een typologie met volgende kenmerken:

(a) Het gebruik van geweld als legitiem politiek middel wordt aanvaard.
(b) Het heeft een ultranationalistisch karakter, die -volgens de auteur- in Vlaanderen dan “natuurlijk het Vlaams-nationalisme was”.
(c) Het gebruik van milities die zichzelf voorstellen als de pioniers van een nieuw rijk.
(d) Een xenofobe en antisemitische houding.

(2) ‘Duitschgezindheid’ volgens het repressiedossier als statistisch meetpunt

‘Nieuwe Orde-gezindheid’ wordt door de auteur gelijkgesteld met nationaalsocialisme, en dit alles wordt gelijkgesteld met ‘fascisme’. Deze wijdverspreide, rubberachtige uitdeining van het begrip ‘fascisme’ – ook gehanteerd aan de universiteiten en in de media –  gaat terug naar een communistisch propagandaconcept, gelanceerd door het Komintern, en voor het eerst gebruikt door de Duitse communisten in de vroege jaren ’30, als scheldwoord voor alle andersdenkenden. Ernstige historici dienen zich op een wetenschappelijk veilige afstand te houden van dit soort overjaarse propagandaconcepten want men maakt ernstig geschiedkundig onderzoek nauwelijks mogelijk als men niet vasthoudt aan de concreet-historische werkelijkheid van het fascisme. De discussie over niet-Italiaans ‘fascisme’ (of ‘unifascisme’) is een scholastische aangelegenheid geworden, vol overbodige abstracties, die uiteindelijk de historische werkelijkheid vervormt in plaats van ze begrijpelijk te maken. Het epitheon ‘fascist’ baarde in de jaren ’30 daarenboven niet meer opzien dan bijvoorbeeld ‘socialist’… Personen die zich destijds niet zelf als ‘fascist’ aanduidden hadden daar hun specifieke reden voor. Vervolgens werd in het boek in een volgende fase van statistische verwerking werd verder abstractie gemaakt, en werd een houding of vermelding van  ‘Duitsgezindheid’ volgens het repressiedossier een statistisch meetpunt voor het aspect ‘ideologische beïnvloeding/overtuiging’. Sax zelf noteert dat het Nieuwe Orde-begrip niet gemakkelijk definieerbaar is, maar wel bruikbaar. De geciteerde simplismen en veralgemeningen vermeld  in verschillende recensies van het boek en aangehaald in de inleiding van dit artikel geven ons inziens die bruikbaarheid weer.

b. Vlaamse collaboratie wordt door middel van ‘statistische spitsvondigheid’ losgemaakt van de Vlaamse zaak

Uit het voorgaande merken we op dat Sax door het citeren van de typologie van Roger Griffins zogenoemde ‘fascistisch minimumprogramma’ aanvankelijk gewag maakt dat de Vlaams-nationale overtuiging van collaborateurs deel uitmaakte van een zekere maatschappelijke bekommernis, en deel van hun ‘Nieuwe Orde-gezindheid’. Anderzijds stellen we vast dat Vlaams-nationalisme als geopolitieke aspiratie volgens de gebruikte methodologie van de auteur  in een andere categorie motivaties (namelijk: geopolitieke motieven) wordt ondergebracht, en voorts ook zo statistisch afzonderlijk wordt behandeld en verwerkt. We onderschrijven wat dat betreft de vaststelling gepubliceerd in ’t Pallieterke op 30 oktober 2013 dat Sax op deze manier de collaboratie, in weerwil van haar Belgicistische recuperatie van haar thesis, losmaakt van de Vlaamse zaak. Statistische spitsvondigheid? Zoals reeds vermeld in onze inleiding concludeert bijgevolg menig lezer van het boek dat twee derde van de Vlaamse collaborateurs het niet deden voor Vlaanderen, maar louter uit ‘Nieuwe Orde-gezindheid’, zijnde de ‘fascistische’ en nationaalsocialistische ideologie van de bezetter. Het is onze stelling dat de ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ van het leeuwendeel van de Vlaamse collaborateurs werd gestuwd door een ander ideologisch aspect dat niet voorkomt in de analyse van de auteur. In 1995 publiceerde Luc Pauwels in het artikel Het VNV van Bruno De Wever (TeKoS, nr. 76) een gelijkaardige kritiek op Bruno De Wevers boek Greep naar de macht. In dat boek stelde De Wever dat het vooroorlogse Vlaams Nationaal Verbond (VNV) al vanaf het begin fascistisch was. Net als Pauwels zijn we van mening dat geschiedschrijving moet gestoeld zijn op historiciteit van menselijk gedrag. In die zin is het zinloos geschiedschrijving te onderbouwen op ‘tijdloze’ of ‘universele’ typologieën (zoals Griffin’s  ‘minimumprogramma van het fascisme’), maar daarentegen juist aandacht te besteden aan het concrete en het unieke. Dit geldt ook voor alles wat voor  ‘rechts’, of ‘fascistisch’ moet doorgaat. De ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ -ofwel de maatschappelijke bekommernis die bij vele collaborateurs een rol speelde in hun collaboratie- werd voor het leeuwendeel van de collaborateurs gestuwd door een aspect waar de auteur met weinig woorden over spreekt, namelijk het antibelgicisme. Dit antibelgicisme werd gedeeld door collaborateurs afkomstig uit het VNV en de DeVlag, op zich elkaar beconcurrerende collaboratiegroeperingen. De Duitse overwinning en bezetting zorgde er voor dat voor haar militanten de kans voor het grijpen leek om definitief af te rekenen met de ‘slechte oneindigheid’ van het gehate België. De suggestie van Sax dat collaborateurs afkomstig uit het VNV omwille van hun vermeend fascisme gepredestineerd werden tot collaboratie, klopt niet. Evenmin was de aanpassing van het VNV aan de ideologie van de bezetter een logische ontwikkeling, maar eerder een tactische noodwendigheid. Ook Luc Huyse ziet het zo: “De politieke collaboratie van het VNV en Rex was meer geïnspireerd door de zucht naar een uitbreiding van hun macht in of over België dan door liefde voor de bezetter of zijn ideologie.”

c. ‘Nazisme minus het centrale punt van de ideologie’. Dus in se toch geen ‘nazisme’?

Voorts stelt de auteur vast dat de collaborateurs, hoewel gedreven door hun vermeende nationaalsocialistische ideologische motivatie, heel weinig belangstelling toonden voor de joodse kwestie. Fronsend kunnen we ons de bedenking maken of Sax hierbij haar eigen stelling niet ondergraaft. Enerzijds beroept ze zich namelijk op de geponeerde typologie van Griffin, waar xenofobie of antisemitisme een onderdeel zou moeten vormen van de zogenoemde ‘fascistische Nieuwe-ordegezindheid’, terwijl we anderzijds later lezen dat ditzelfde antisemitisme een afwezig motief blijkt te zijn in de repressiedossiers. Evenmin was er -volgens de dossiers- bij de Belgische verhoorders interesse in het lot van de Joden. Deze repressiedossiers werden nochtans samengesteld in een periode van gerechtelijke vervolging, waarin wat betreft tenlastelegging en strafrechtelijke vervolging alle mogelijke registers werden opengetrokken. Hieruit kunnen we enerzijds besluiten dat de vermeende motivatie die Sax aanhaalt ‘een soort nazisme’ moet zijn geweest minus het centrale punt van de nationaalsocialistische ideologie; met andere woorden dus eigenlijk géén nationaalsocialisme. Anderzijds kan men afleiden dat in die tijdsgeest en de toenmalige mores en leges iedereen boter op het hoofd had als het aankwam op onverschilligheid voor de joodse kwestie. Niet in het minste ook de (vooroorlogse) belgicistische gevestigde kringen.

5. De motieven van Sax

a. Ter conclusie de tekortkomingen in een notedop

Genuanceerd evalueren en oordelen over de collaboratie en collaborateurs kan men niet als men ook niet het zelfbeeld van de betrokkenen in de afwegingen betreft. Universele typologieën leiden tot overbodig abstraheren en vervorming van de historische werkelijkheid. We onthouden van het werk van Sax dat op basis van een steekproef van 326 repressiedossiers werd becijferd dat ideologische beïnvloeding onder twee derde van de collaborateurs  de belangrijkste motor was. Naast het gebruikt van repressiedossiers als bron hebben we bedenkingen geuit bij de methodologie en bij het abstraheren van de historische betekenis van welbepaalde begrippen omwille hun statistische bruikbaarheid. Marc Andries hekelde het werk op zijn blog Het Vlaams Konijn om die reden als volgt: “Dit werk is onwetenschappelijk gevoerd: een boude stelling wordt geponeerd, en vervolgens wordt getracht deze met alle mogelijke middelen te bewijzen. Alleen getuigenissen en documenten om de premisse van de titel van het boek te gaan bewijzen worden gebruikt.”

b. De auteur aan het woord… 

Gezien de geciteerde belgicistische recuperatie van haar werk, lijkt het boek een nieuw instrument te worden om de Vlaamse beweging zwart te maken en als intrinsiek antidemocratisch voor te stellen.  Het wekt de indruk dat geschiedschrijving actief ten dienste wordt gesteld van de hedendaagse politiek. We startten dit artikel met in de inleiding de bedenking te maken dat het een onfatsoenlijke verdienste van een wetenschappelijk werk zou zijn indien dit de opzet zou hebben om een onterecht vermeende beeldvorming door een gecorrigeerde beeldvorming te pogen te vervangen. Dit zou men niet mogen verwachten van een historisch werk van iemand met een academische achtergrond. Het antwoord op de vraag naar de bedoeling van de Aline Sax is niet gemakkelijk te geven. De auteur van haar kant lijkt ons in een interview, op 28 december 2012 gepubliceerd op de webstek van De Gazet Van Zurenborg, hierbij te helpen. In dit interview werd de vraag gesteld of geschiedenis volgens de auteur een exacte wetenschap is. Het antwoord op deze vraag lijkt zowaar een pleidooi voor een zeker ‘politiek correct revisionisme’:
“Geschiedenis wordt beïnvloed door wat er leeft onder de mensen en heeft ook te maken met de cultuur van dat ogenblik. Daarom is de geschiedenis veranderlijk en zal het altijd nodig zijn om de geschiedenis geregeld te herschrijven, want vanuit een ander perspectief van bijvoorbeeld vijftig jaar geleden ontstaan steeds weer andere inzichten. In die zin is geschiedenis geen exacte wetenschap, maar wel een wetenschap, die stoelt op objectieve methodes. Maar het komt maar al te vaak voor dat geschiedenis wordt ingezet voor politieke doeleinden.”

6. Besluit

We willen besluiten met op te merken dat het historisch perspectief uiteraard met de jaren verandert. Wat niet verandert zijn de historische feiten. Het veranderde perspectief geeft soms aanleiding tot een gewijzigde interpretatie. Tot daar zijn we het allemaal eens. Wat echter in géén geval kan is het retroactief veranderen, wegmoffelen en/of selectief overbelichten van feiten. Daar verglijdt men van geschiedschrijving in historische manipulatie.

Geef een reactie