•  
  •  
  • Home
  • /Archive by category ' Interbellum '
  • /Page 2

Archive For: Interbellum

Afdelingsvlag van de Rex-beweging van Léon Degrelle

Sinds kort introduceerden we op deze site de Rex-beweging van Léon Degrelle. Deze was hoofdzakelijk in het Franstalige landsgedeelte actief, en werd later de drijvende kracht achter het Waals Legioen.

Fragment: ‘Vers l’avenir’, gecomponeerd in 1905 als alternatief voor de Brabançonne, werd midden jaren ’30 als officiële rexistische  hymne aangenomen.

 

Le siècle marche et pose ses jalons,
Nous marquant une étape nouvelle.
Nous le suivons et nous nous rappelons
Nos aïeux et leur gloire immortelle.
Si ton sol est petit, dans un monde nouveau
L’avenir qui t’appelle a planté ton drapeau.
Marche joyeux, peuple énergique,
Vers des destins dignes de toi.
Dieu protège la libre Belgique
Et son Roi !

Vive Degrelle!
 

Verdinaso-vaandel van het vendel III/1 (Antwerpen)

Bij de oprichting van het Verdinaso en haar militie, aanvankelijk de Dietse-Militie (DM), bestond er in principe één compagnie per provincie en werd elke compagnie ingedeeld in pelotons en ploegen. Een peloton telde om en bij de 35 militanten en een compagnie diende ongeveer 120 militanten te omvatten. Aanvankelijk was men enkel in West-Vlaanderen in staat om een volledige compagnie uit te bouwen.
In Antwerpen bestond de DM uit twee pelotons. Het eerste peloton groepeerde de militanten uit het Antwerpse en was grotendeels de voortzetting van de vroegere Vlaamse Militie. Het tweede peloton kende regionaal gezien een veel grotere spreiding. Het bestond uit ploegen uit Mechelen, Lier, Heist-op-den-Berg en Bornem. Alles bij elkaar was de compagnie III/1 van Antwerpen goed voor een 70-tal militanten.

Met de stichting van de DMO, na de Nieuwe Marsrichting van 1934, werd de sterk militair aandoende hiërarchie vervangen door een andere indeling. Er werd vanaf dan gesproken van groepen, vendels, scharen en cellen. In 1938 werd het vendel III/1 van Antwerpen ontdubbeld in een nieuw vendel III/1 en III/2. Het bestond elk uit drie scharen.

Vaandel van het vendel III/1 (Antwerpen) van het Verdinaso

 

Het Légion Nationale: toen groetten zij de Belgische Nieuwe Orde die in hun hart leefde (2)

In België ontstonden de autoritaire bewegingen met fascistische inslag duidelijk in Franstalige kringen. Al in 1922 verzamelden een aantal aanhangers van dergelijke opvattingen zich rond de figuur van markies de Beaufort in de beweging Le Faisceau belge (De Belgische Fasces). Een soortgelijke beweging werd gevormd door de katholieke politicus Pierre Nothomb, die in 1925 door Mussolini werd ontvangen en in 1938-39 senator was voor de Katholieke Partij. Bovendien was er in die jaren een ook grote belangstelling voor de Franstalige katholieke pers zoals Le Vingtième Sciècle van E.H. Norbert Wallez, voor Italië, en voor Portugal met Salazar. Laten we tenslotte ook wijzen naar de diepgaande invloed van de koningsgezinde katholieke en anti-joodse Charles Mauras en van zijn beweging Action Française op de katholieke Franstalige studenten, voornamelijk te Leuven.’  Diezelfde Charles Mauras heeft trouwens ook een grote invloed uitgeoefend op Verdinaso-leider Joris van Severen. Met deze bijdrage willen we onze bijzondere aandacht nog even laten gaan naar één van die bewegingen, namelijk het Belgisch Nationaal Legioen.

Tijdens de jaren na de Eerste Wereldoorlog bestond er in ons land een sterke stroom van Belgisch nationalisme: men wilde Hollands Limburg en Luxemburg recupereren, en Duitsland voor de vele aangerichte schade laten betalen. In die geest ontstond in Luik in mei 1922 een vereniging van gewezen militairen uit de Wereldoorlog. Ze nam de naam van Légion Nationale belgeBelgisch Nationale Beweging aan. De leden legde de eed af: “Wij zweren dat wij Belgen zullen blijven. Nous jurons de rester Belges“.  De beweging was sterk anti-Duits, maar keerde zich tevens tegen de activisten en de Frontpartij, later tegen het VNV, om zich vervolgens tegen het Marxisme op te stellen, en tenslotte bij een uitgesproken anti-parlementarisme te eindigen. Dat laatste belette de vereniging echter niet om onder de benaming Nationale Partij aan verscheidene verkiezingen deel te nemen (zonder ooit een verkozene te halen).

Na een nieuwe halve mislukking in 1932 ontwikkelde de beweging zich hoe langer hoe meer in fascistische richting onder leiding van Paul Hoornaert, gewezen christen-democraat en oorlogsvrijwilliger van ’14-’18. Hij wilde een autoritair regime waarin grote macht in handen van de de koning werd gelegd, en het parlement werd vervangen door een corporatief stelsel met steun van de katholieke kerk waarbij de politieke partijen zouden zijn verbannen. Met dit alles stond hij zeer dicht bij het Italiaans Fascisme en bij het regime van Salazar in Portugal. Hoornaert nam trouwens in 1934 deel aan de Fascistische Internationale in Montreux. Een hoogtepunt bereikt het Nationaal Legioen in 1935, en dan hoofdzakelijk in Franstalige kringen. Het telde toen meer dan 15.000 aangeslotenen onder wie niet minder dan 10.000 mannen in uniform. Dat het voor het Nationaal Legioen met haar autoritaire fascistische opvattingen menens was bleek ook hieruit dat leden van het Legioen in 1936 naar Spanje trokken om er aan de zijde van Franco de troepen van de wettelijke, republikeinse regering te gaan bevechten.

Helmplaatje van het Légion Nationale die met behulp van twee platte pennen op de Adrian-helm kon worden bevestigd.

 

In 1939 echter, omwille van het zogenoemde ‘Stalen Pact’ van 22 mei 1939 (dit wil zeggen de alliantie tussen Italië en Nazi-Duitsland), wees het Légion Nationale Italië volledig af, en streefde het een volledig Belgische Nieuwe Orde na.

Fragment: Francis Balace over de evolutie van het Légion Nationale na 1939 en het ‘Stalen Pact’ tussen Italië en Duitsland.

 

De uniformdracht was slechts een uiting van een veel dieper grijpend verschijnsel: de roep om orde en tucht, om de sterke man in de ene partij die het allemaal probleemloos zou oplossen zoals in het buitenland was aangetoond. Om te trachten een einde te maken aan de om de haverklap aftuigende milities werd op 29 juli 1934 de wet tot verbod van de privé-milities uitgevaardigd.

Fragment: Oswald Van Ooteghem vertelt over het algemene verschijnsel van de uniformdracht tijdens de jaren ’30, dat onder alle politieke strekkingen aanwezig was.
 

Zeldzaam belgicistisch strooibriefje ‘Aan de Vlamingen’, IJzerbedevaart 1930

In het jaar dat België zijn eeuwfeest vierde, had op 24 augustus 1930 de elfde IJzerbedevaart plaats. Zij zou later bekend staan als ‘de stormloop van ’t jaar dertig’.

In aanwezigheid van een recordaantal bedevaarders noemde professor Frans Daels de pas voltooide IJzertoren het tehuis voor geschonden graven, voor verbrijzelde zerken, voor de Vlaamse doden. Daels zinspeelde hiermee onder andere op de circa 130 geschonden en stukgeslagen heldenhuldezerkjes, die op bevel uit Brussel met het oog op de aanleg van definitieve militaire kerkhoven met eenvormige grafzerken in mei 1925 op het kerkhof van Oeren werden stukgeslagen. De brokstukken hiervan werden aangewend voor de bedding van de macadamweg te Adinkerke. Op IJzerbedevaarden en in de Vlaams-nationalistische propaganda gaf deze ‘aanslag’ van België op Vlaanderen jarenlang voedsel aan verontwaardiging. Aldus Daels was de IJzertoren het tehuis van de grote Vlaamse trouw tegenover de meineed, het tehuis van het integraal recht, ook en vooral na het sneuvelen. “Treed binnen in dit huis”, sprak hij, “dertigduizend Vlaamse Doden, opgeroepen met de kreet ‘Vlamingen, gedenkt de Slag der Gulden Sporen’, en op 11 juli in de barakken van het front opgesloten, met verbod ‘De Vlaamse Leeuw’ te zingen, om daarna tot parade te dienen bij nationale feesten van de vreemde”.

Door de houding van gezagsdragers en door allerlei krantenartikels, werd nog voor de zondag van 24 augustus 1930 een anti-bedevaardsfeer geschapen. Het bleef daar niet bij. Tijdens de plechtigheid dook plots een vliegtuig op dat laag boven het bedevaartterrein vloog. Er dwarrelden duizenden tricolore vlaggetjes en strooibriefjes uit neer over de massa. In de pamfletten werd te keer gegaan “tegen de boze herders die onder voorwendsel ener godsdienstige bedevaart, haat en verdeling zaaien en een open strijd aangaan tegen de burgerlijke en geestelijke overheden”. Verder repten zij van ‘verraders en deserteurs’ die in de rug hadden geschoten en bijgevolg het recht niet hadden te spreken in naam van het Vlaamse volk. Het strooibiljet riep de bedevaarders op zich loyaal achter het Belgische vaderland en koning Albert te scharen. De massa reageerde woedend. Belgische vlaggen werden afgerukt en in brand gestoken. Elias verhaalt in zijn werk ‘25 jaar Vlaamse Beweging 1914/1939‘, hoe de oud-strijders van Oostduinkerke hun vlag, getooid met de nationale driekleur, per opbod verkochten op de grote markt van Diksmuide waarna zij door de kopers in brand werd gestoken. Voor de rijkswacht was dit voldoende om op de stroom nietsvermoedende bedevaarders in te stormen. Het kwam tot een hevige botsing waarbij tachtig bedevaarders werden gewond. De zaak kreeg haar beslag voor het gerecht, waarbij alleen bedevaarders werden veroordeeld. Historicus Lode Wils wijst op het belang van dergelijke incidenten. IJzertoren, heldenhuldezerkjes, Vlaamse leeuwenvlag… groeiden uit tot nationale symbolen die steeds meer werden geplaatst tegenover de Belgische nationale symbolen. De Belgische vlag of de leeuwenvlag hijsen, betekende kleur bekennen.

De Belgische eeuwfeesten werden onvermijdelijk getekend door een opeenstapeling van incidenten waarbij de nationale symbolen ten volle hun functie konden vervullen. Het incident op de IJzerbedevaart was maar het opmerkelijkste in een lange rij. Aanhoudend werden anti-Belgische manifestaties georganiseerd, soms ludiek, soms gewelddadig.

 

Flor Grammens (1899-1985): de man van de DAAD!

DSC02269

Een herdenkingskaart, gesigneerd door Flor Grammens, ter herinnering aan een Grammensmanifestatie uit 1937 en een editie van ‘DAAD’ uit november 1939.

Afkomstig uit een boerenfamilie studeerde Flor -eigenlijk Florimond- Grammens aan het college van Eeklo en daarna aan de normaalschool te St.-Niklaas. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd hij vrijwillig brancardier bij het veldleger. Na de oorlog studeerde hij lichaamlijke opvoeding aan de universiteit van Gent, en technische vakken aan de provinciale normaalleergangen. In 1920 werd hij leraar aan het college te Ronse.  Flor Grammens werd daad-flamingant op het college, vooral toen hij als leraar de onrechtvaardige en onwettelijke toestanden leerde kennen.

Fragment: Flor Grammens vertelt over 11 juli 1919 en waarom hij evolueerde naar anti-belgicist.

 

De taalsituatie in Ronse bracht hem in contact met andere Vlaamsgezinden zoals Leo Vindevogel en de toenmalige algemeen voorzitter van het Davidsfonds Arthur Boon. In 1931 werd Grammens inspekteur van het technisch onderwijs.

Op vraag van Boon hield Grammens op het Algemeen Davidsfondscongres in 1926 een voordracht over de Taaltoestanden in de streek Avelgem-Ronse-Twee Akren. Dit werd het begin van zijn vele optredens als voordrachtgever in Vlaanderen, en de start van een diepgaande studie over het probleem. In 1927 maakte Grammens een voetreis langsheen de hele taalgrens, waarbij hij de taaltoestand ter plaatse onderzocht. Hij richtte mee een neutraal en een Davidsfonds-taalgrenskomitee op, en stichtte vanaf 1929 verschillende plaatselijke taalgrensactiegroepen. Meetings, voorlichtingscampagnes en petities tot het verkrijgen van de tweetaligheid voor taalgrenscentra volgden elkaar op. In plaatsen waar men bleef weigeren, begon hij in 1931 zelf voor de tweetaligheid te zorgen. Dit leverde hem processen op die gevoerd moesten worden in de provincies Luik en Henegouwen, waar hij als eerste voor Waalse rechtbanken de rechtspleging in het Nederlands eiste. Zijn proces wekte veel opzien. Het moest aantonen dat Fransonkundige Vlaamse bewoners van de taalgrensgebieden zich in werkelijkheid niet naar behoren konden verdedigen.  Mede door dergelijke acties en onder invloed van Grammens kwamen nieuwe taalwetgevingen tot stand : in 1932 de taalwetgeving op het onderwijs en de besturen, in 1935 die op het gebruik van de talen in rechtzaken.

Een nieuwe periode in de taalgrens-actie begon toen Flor Grammens in januari 1937 in witte ‘schilderskiel’, met verf en borstel, er op uittrok om de Franstalige straatnaamborden en wegwijzerplaten in de tweetalige taalgrensstad Edingen te overschilderen. Na drie weken actie en verschillende interpellaties in het Parlement, beloofde de Minister van Binnenlandse Zaken De Schryver een onderzoek in te stellen naar de toepassing van de taalwet op de taalgrens. Grammens zou er zijn acties tijdelijk opschorten.
Talrijke Vlaamse studenten sloten zich aan bij wat zij noemden ‘de nieuwe Vlaamse schilderschool’. Overal waar zij maar konden, voerden ze acties uit.  In februari 1937 verlegde Grammensmet hun steun zijn actie naar de tweetalige gemeenten in Vlaanderen zelf, die volgens de taalwet eentalig moesten zijn. Op één nacht werden op meer dan 200 plaatsen de Franstalige opschriften overschilderd. Deze spectaculaire actie leidde tot heel wat nieuwe interpellaties in Kamer en Senaat. Deze acties werden gedeeltelijk gefinancierd door het Grammensfonds, een vereniging die voor dit doel werd opgericht in 1938. Tot in 1939 werden deze acties verdergezet en vaak met resultaat. In Gent bijvoorbeeld werd de overschildering tot vier keer teruggedraaid door de gemeente. Tenslotte besliste de actiegroep alle borden kapot te slaan. Een week later besliste de gemeenteraad uiteindelijk de eentaligheid (die sinds 1932 wettelijk verplicht was) in te voeren en de verschillende processen-verbaal die waren opgesteld, niet door te spelen aan het gerecht. Grammens werd voor zijn acties meermaals geverbaliseerd en zelfs in de gevangenis opgesloten, wat telkens weer aanleiding gaf tot nieuwe agitaties. In de Franstalige pers werd hij erg aangevallen en beschimpt als ‘Le barbouilleur national’. In Vlaanderen werd hij voor velen het zinnebeeld van een simpel, wettelijk toegekend recht. In januari 1938 ondernamen studenten een bestorming van de gevangenis van Tongeren, in een poging Grammens te bevrijden. Ook een poging een jaar later om hem uit de gevangenis van Oudenaarde te bevrijden mislukte. Op 3 juli 1938 werd in Gent een verzetsbetoging georganiseerd met enkele tienduizenden betogers om de vrijlating te eisen van Grammens die toen opgesloten zat in de gevangenis van Gent. Veel bij deze acties betrokken studenten, speelden later nog een belangrijke rol in de Belgische politiek.  De campagne duurde drie jaar, tot in 1939 de uiterlijke eentaligheid van Vlaanderen werd verkregen.

Fragment: Flor Grammens vertelt over de ‘nieuwe Vlaamse schilderschool’ en andere Grammensacties vanaf de late jaren ’30.

 

Fragment: de activiteiten van Grammens werden ook door Clemens De Landsheer gefilmd.

 

In 1939 werd Grammens, na een onvoorziene parlementsontbinding en -verkiezing, als onafhankelijk volksvertegenwoordiger verkozen op de lijst van het VNV (Vlaams Nationaal Verbond). Van partijpolitiek had Grammens geen hoge pet op en wilde nooit lid van een partij worden, teneinde onafhankelijk en met zo veel mogelijk Vlaamsgezinden te kunnen optreden.  Bij zijn intrede in de Kamer ontstonden er incidenten en eiste hij dat ook op en in de parlementsgebouwen de tweetaligheid zou worden toegepast, wat onder dreiging met een nieuwe actie spoedig ook gebeurde.

Fragment: Grammens had van partijpolitiek geen hoge pet op. In 1939 kwam hij op de ‘Grammenslijst’ van het VNV te staan en werd als onafhankelijk volksvertegenwoordiger verkozen.

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kantte  Flor Grammens zich tegen de politieke collaboratie en trad hij niet toe tot de Eenheidbeweging-VNV. Hij bleef wel verder de Vlaamse zaak bepleiten. Op advies van de Vlaamse cultuurverenigingen aanvaardde hij lid en daarna voorzitter te worden van de Commissie voor Taaltoezicht, waarin Vlamingen en Walen zetelden. Onder zijn leiding werden door die Commissie onderzoeken ingesteld naar de toepassing van de taalwetten in de taalgrensgemeenten en in de hoofdstedelijke agglomeratie. Het bleek dat in de Brusselse gemeenten talrijke Vlaamse kinderen  onwettig in Franstalige klassen waren ondergebracht. Na een beoordeling door een jury, waarvan Grammens geen deel uitmaakte, werden vele kinderen overgeplaatst naar Nederlandstalige klassen, zodat het percentage Vlaamse leerlingen in Brusselse klassen steeg van 19 in 1939 tot 43 in 1943. Dit resultaat werd na de Bevrijding in 1944 weer voor een groot deel wederrechtelijk ongedaan gemaakt.

Fragment: Flor Grammens licht zijn standpunt over de politieke collaboratie en de Oostfronters toe.

 

Na de Bevrijding werd Grammens, die zich verdedigde met het argument dat hij en zijn commissie niets anders hadden gedaan dan de Belgische wetten toepassen, in weerwil van zijn parlementaire onschendbaarheid opgesloten, terwijl zijn woning werd geplunderd. Hij liep een gevangenisstraf van zes jaar op (waarvan hij er vier heeft uitgezeten), een boette van 50.000 frank, en levenslange ontzetting uit alle rechten.  Het werk van de Commissie voor Taaltoezicht werd zoals hierboven al aangegeven grotendeels tenietgedaan. Bij zijn vrijlating in 1950 richtte Grammens het Grammensfonds opnieuw op en hielp hij in 1956 de Vlaamse Volksbeweging oprichten. In 1958 trad hij op tegen de ééntalig Franse opschriften op de Wereldtentoonstelling in Brussel en later tegen de Franse reclame-opschriften aan de kust en elders in Vlaanderen.

Fragment: een kolerieke Flor Grammens over zijn veroordeling tijdens de repressie.

 

Gepost in: Interbellum, Papier | 0
 
  • No categories