•  
  •  
  • Home
  • /Archive by category ' Eerste Wereldoorlog, Frontbeweging en activisme '

Archive For: Eerste Wereldoorlog, Frontbeweging en activisme

Activistische affiche naar aanleiding van 11 juli 1918

Aldus Wikipedia was activisme de benaming voor het deel van de Vlaamse Beweging dat tijdens de Eerste Wereldoorlog via de collaboratie met Duitsland een aantal Vlaamse grieven en zelfs Vlaamse onafhankelijkheid hoopte te verwezenlijken. De Flamenpolitik van de Duitse bezettende overheid speelde een belangrijke rol bij haar ontstaan, en door allerlei vooroorlogse Vlaamse eisen in te willigen hoopten de Duitsers de Vlaamse bevolking voor zich te winnen en België te kunnen blijven beheersen. Sociaal-economisch leunde het activisme sterk aan bij het daensisme, terwijl heel wat activistische intellectuelen op cultureel vlak  het humanitair expressionisme aanhingen. Door de Duitse repressieve maatregelen die aan de bevolking werden opgelegd, konden de activisten maar op weinig sympathie rekenen bij de Vlaamse bevolking.

De Flamenpolitiek lag in oktober 1916 aan de basis van de vernederlandsing van de – toen nog volledig – Franstalige universiteit van Gent . (Al spreekt het voor zich dat deze vervlaamsing na het einde van de Eerste Wereldoorlog weer volledig ongedaan werd gemaakt.)
Een tweede verwezenlijking van de Flamenpolitik situeert zich in de uitroeping van de zelfstandigheid van Vlaanderen eind 1917. De redenen hiervoor moet men onder andere situeren in de vredesvoorstellen die door de Duitsers in 1916 werden gemaakt, en de nota van de Amerikaanse president Wilson, eind 1916, waarmee de oorlogvoerenden werden bevraagd naar hun voorwaarden om een einde te stellen aan de oorlog. Teneinde het activisme hierbij internationale legitimiteit te verschaffen, en de activisten hierbij uit naam van het Vlaamse volk te laten spreken, werd in februari 1917 door de Duitse bezettende overheid een officieus Vlaams parlement opgericht, de Raad van Vlaanderen. Deze onderhandelde met de Duitse bezettende overheid over het toekomstig statuut voor Vlaanderen. Tijdens deze onderhandeling werd op 21 maart de bestuurlijke scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië ingevoerd. Op 22 december 1917 riep de Raad van Vlaanderen de zelfstandigheid van Vlaanderen uit.

Naar aanleiding van 11 juli volgend op deze zelfstandigheidsverklaring, dus in 1918, werd in bezet Kortrijk met onderstaande affiche een groots opgezette herdenkingsprocessie naar de Groeningekouter aangekondigd. Tijdens deze plechtigheid werden tevens Vlaamse krijgsgevangen en deserteurs ingeschakeld en ‘opgevoerd’ ten voordele voor de zaak van de activisten.
Het beeld op deze affiche werd door de activisten midden 1918 gebruikt om de Vlaamse ontvoogding te symboliseren. Onder de titel “Vlaanderen is vrij” lezen we:
Na 87 jaar verknechting in het “Belgisch vaderland”, aan verbastering en ontaarding ten prooi, bevolen in eene vreemde taal, bestolen tot op de huid door Walen en Franskiljons, zoo heeft de Vlaming thans zijne slavenketens verbroken. Opnieuw treedt hij nu met breeden stap in de rij der vrije volkeren, de vastberaden blik gericht op de toekomst, als keurkamper der vrijheid de lenden omgord met de leeuwenvaan der moedige voorvaderen. Vlamingen! Hoog de harten! Juicht om Vlaanderen’s zelfstandigheid!

Het einde van het activisme viel samen met het einde van de Eerste Wereldoorlog. Op 11 november 1918 en volgende dagen, werden huizen van activisten geplunderd en vaak door een woedende menigte in brand gestoken. De leiders werden gearresteerd of gingen in ballingschap. Deze laatsten werden meestal bij verstek ter dood veroordeeld.

DSC02462

Activistische affiche naar aanleiding van 11 juli 1918

 

Maurits Geerardyn: kandidaat-aalmoezenier voor het Vlaams Legioen

Maurits Geerardyn werd in 1896 geboren in Noordschote (West-Vlaanderen). In 1915 belandde hij als oorlogsvrijwilliger in de loopgraven aan de IJzer.  Om zijn Vlaamsgezindheid werd hij beschuldigd van opstandigheid en defaitisme, en verbannen naar het strafkamp van de houthakkers aan de Orne (Frankrijk). Na de oorlog werd hij in 1919 vrijgelaten en ging hij voor priester studeren. In februari 1920 werd hij wegens ‘defaitisme’ echter weer opgepakt. In 1921 verleende de krijgsraad hem vrijspraak. Na zijn priesterwijding stuurde de kerkelijke overheid hem naar Leuven om er kerkelijk recht te studeren. Daar steunde hij actief het Katholiek Vlaamsch Hoogstudenten Verbond (KVHV), wat hem in 1925 in stilte een verbanning als kapelaan in Brugge opleverde. Als priester botste hij voortdurend met zijn oversten. Hij werd medestichter van het Vlaams-nationale weekblad Jong-Dietsland, waarin hij een rubriek verzorgde over de Vlaams-nationalistische beweging.

Tijdens de verkiezingen van 1929 weigerde Geerardyn openlijk partij te kiezen voor de Katholieke Partij. Hij werd uit Brugge verwijderd en tot kapelaan van Rollegem (bij Kortrijk) benoemd. Ook in Rollegem weigerde Geerardyn ieder partijpolitiek proost-schap. Hij werd door de Brugse bisschop Mgr. Waffelaert uit zijn ambt ontheven en wijkte uit naar Nederland. Ondertussen onderhield hij goede relaties met Cyriel Verschaeve en Joris van Severen. Met die laatste ijverde hij voor de eenheid van de Nederlanden, en stond (aanvankelijk) positief tegenover de Dinaso-actie van Van Severen. In Nederland werd Geerardyn professor het seminarie van Utrecht, waar hij door zijn superieuren zeer werd gewaardeerd.

In 1941, nadat hij te Nijmegen voor het doctoraat in de wijsbegeerte en de kandidatuur in het burgerlijk recht was geslaagd, keerde hij naar Vlaanderen terug. Na de Duitse inval in de Sovjetunie en de daaropvolgende wervingsacties voor het Vlaams Legioen meldde Geerardyn zich voor de functie van aalmoezenier voor het Vlaams Legioen. Hij zou echter nooit vertrekken. Volgens Jef François is hij uiteindelijk niet gegaan omdat hij geen toestemming kreeg van de geestelijke overheid.

Fragment: Jef François over de melding van Maurits Geerardijn als kandidaat-aalmoezenier voor het Vlaams Legioen.

 

In een Vlaams bisdom kreeg Geerardyn, ondanks aanbevelingen van de Nederlandse kardinaal De Jong, geen ambt toegewezen. Hij vestigde zich uiteindelijk in Mariaburg bij Antwerpen. In Mariaburg stichtte Geerardyn het Dietse Eedverbond, dat zich fel verzette tegen de verduitsing en  de vergaande samenwerking tussen het VNV en de bezetter. Naar verluidt lieten René Lagrou van de Algemene SS-Vlaanderen en Cyriel Verschaeve weten dat de Duitsers Geerardyn en zijn “Eedverbonders” ontschadelijk zouden maken als zij doorgingen met clandestiene acties te voeren tegen verduitsing en tegen de Oostfront-propaganda. Het Diets Eedverbond had geen uiterlijke organisatie, maar was een geheim genoodschap van Vlamingen die hun Heel-Nederlanderschap beleden, maar gericht waren tegen iedere vorm van verduitsing.

Na de oorlog werd Geerardyn door het verzet gearresteerd, maar in 1946 werd hij buiten vervolging gesteld. In 1949 trok hij naar de Verenigde Staten van Amerika, en schopte hij het tot directeur van een college in Santa Fé, waar hij in 1952 de titel doctor honoris causa of education Fremont kreeg.

In 1957 keer de Geerardyn naar Vlaanderen terug, waar hij tot pastoor van Mannekensvere werd benoemd. Na zijn terugkeer zocht hij systematisch contact op met de vele diverse groeperingen van flaminganten. In woord en geschrifte stuurde hij aan op verruiming van de Vlaamse horizon. Voor hem was de Vlaamse Beweging na de Tweede Wereldoorlog alleen nog maar een strijd voor ‘normalisatie’ binnen de Belgische staat. Hij was van mening dat Vlaanderen zich met Nederland in de Benelux moest weten te realiseren.

DSC01571

 

Beschouwingen bij de mythe van de 80 procent en het Vlaamse aandeel aan het IJzerleger tijdens de Eerste Wereldoorlog

Voor het Vlaams-nationalisme functioneert de Frontbeweging tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het IJzerfront als een funderingsgrond. Zij moet het ontstaan en de ontwikkeling van het Vlaams-nationalisme verklaren: in het Belgisch leger heersten onduldbare taaltoestanden met flamingantische en sociale acties tot gevolg. Deze acties werden door een zich onbegrijpende legerleiding tegengewerkt waardoor de flamingantische acties radicaliseerden, en er zich stilaan een overkoepelende organisatie groeide, die wegens bedreiging met repressie clandestien moest werken. Ondanks onbegrip, vervolging en hetze bleef de beweging aan het front loyaal de Belgische oorlogsdoeleinden steunen, ook omdat koning Albert begrip had voor de Vlaamse eisen (‘Gedenk de slag der Gulden Sporen’). Vlaamsgezinde protagonisten gingen er tijdens (en na) de oorlog van uit dat de Vlamingen 80% van de troepen leverden. Dat aantal werd tijdens de oorlog door de Belgische pers overgenomen, en door de legerleiding ook nooit tegengesproken. Als het Belgische leger voor 80% uit Vlamingen bestond, had Vlaanderen meer dan zijn plicht gedaan en dan was het des te ergerlijker dat de Vlaamse soldaten tijdens de oorlog slecht werden behandeld en na de oorlog niet de rechten kregen die de regering in 1916 had beloofd, stelde het flamigantische standpunt na de wapenstilstand van 1918. De keerzijde van die medaille was dat de Franstaligen, die blijkbaar slechts 20% van de troepen hadden geleverd, ondermaats hadden gepresteerd.

Ook de meeste historici namen de “80%” aan, tot F.E. Stevens, gedreven door Belgische vaderlandsliefde, in 1976 een gedetailleerde studie van het 9e Linieregiment publiceerde waarin hij veel lagere percentages reveleerde (tussen 57 en 66%). Twee jaar later hield Luc Schepens een talentelling op de militaire begraafplaatsen in West-Vlaanderen. Luc De Vos bekeek in 1985 de samenstelling van het Belgisch leger in de zomer van 1914. Hans Keymeulen nam in 1989 de lijsten van omgekomen militairen onder de loep. Ook zij vonden lagere percentages en sindsdien is de “80%” in de verdrukking gekomen en tot de grote mythen van de vaderlandse geschiedenis gerekend. Tal van hedendaagse historici zoals Sofie de Schaepdrijver en Bruno De Wever hebben deze conclusie ondertussen zonder meer geassimileerd: het percentage Vlamingen aan het IJzerleger zou tot de flamigantische overdrijvingen behoren.

Historicus Daniël Vanacker nam de kwestie onder de loep en publiceerde zijn bevindingen in het zevende Jaarboek Joris van Severen (Ieper, 2003). Vooreerst maakte hij, aan de hand van tientallen bewaard gebleven tijdseigen getuigenissen, een status quaestionis met betrekking tot het onderwerp en confronteerde het met de bevindingen van de hierboven vermelde vier historici.

Vervolgens onderzocht Vanacker de uitgangsstellingen en postulaten die de basis vormden bij het historisch onderzoek dat leidde naar de lagere percentages.

Hierbij kan men vooreerst opmerken dat de omvang van de steekproeven van vooral Stevens, Schepens en Keymeulen op zijn minst beperkt lijkt (2,4% van de 365.000 manschappen die aan de oorlog deelnamen).

De volgende vraag is of de samenstelling van bovenvermelde steekproeven representatief is.
– Het leger van De Vos telde wat dit criterium betreft in de zomer van 1914 zo’n 234.00 rekruten, terwijl koning Albert met hoogstens 182.000 miliciens ten strijde trok. (Meer dan één vijfde kwam dus niet opdagen). Hierom blijft het delicaat om de percentages van De Vos op het leger van augustus 1914 toe te passen.
– Het bestudeerde 9e Linieregiment van Stevens, dat in Brussel was gekazerneerd, kan bezwaarlijk representatief voor de infanterie worden genoemd.
– Op de West-Vlaamse begraafplaatsen van Schepens liggen alleen slachtoffers uit de IJzerjaren en het begin van het bevrijdingsoffensief, dus niet uit de eerste maanden en de laatste weken van de oorlog. Veel lijken bleven eveneens onbegraven op het slagveld liggen, of werden ter plaatse begraven en soms later door het oorloggeweld vernield. Als men de eigentijdse getuigenissen volgt dat er vooral Vlamingen in de vuurlinie stonden, dan is hun aandeel in de groep ‘onbekende soldaten’ erg groot en zijn deze ondervertegenwoordigd op de kerkhoven.
– Dat laatste kan ook op de steekproef van Keymeulen worden toegepast: deze becijferde zijn percentages op basis van de twaalf dodenlijsten die het ministerie van Oorlog tussen 1915 en 1925 in de Moniteur Belge publiceerde, wat overeenkomt met een steekproef van 84% van de doden. De ontbrekende 16% betreffen vermoedelijk vooral vermisten, en als men zoals reeds vermeld afgaande op de getuigenissen aanneemt dat vooral Vlamingen zich bij die rest vonden (omdat zij het talrijkst in de vuurlinie stonden) kan dit de Vlaamse cijfers van Keymeulen nog met een paar procenten verhogen.

Rest er nog de vaststelling dat de vier auteurs uit hun cijferbronnen slechts uitzonderlijk de verhouding van de taalgemeenschappen (Vlaams-Waals) ondubbelzinnig konden afleiden.
– Schepens noteerde hierbij de taal op de grafzerkjes. Dit is niet steeds een betrouwbaar criterium voor de moedertaal van de gesneuvelde, daar die taal -in toepassing van een circulaire uit 1924, dus zes jaar na de oorlog- door de familie van de slachtoffers was gekozen.
– Voor de klassen van 1899-1909 gebruikte De Vos terecht de cijfers uit het Annuaire Statistique dat elk jaar een overzicht gaf van de opleidingstaal die de soldaten hadden gekozen. Voor de klassen na de invoering van de dienstplicht berekende hij het aandeel aan de hand van de cijfers over de arondissementele herkomst van de rekruten (woonplaats). Om de militairen uit het tweetalige gebied -in hoofdzaak Brussel- te verdelen nam hij, net als Stevens en Keymeulen echter zijn toevlucht tot de volkstellingen. Dat is een slechte keuze daar het de bedoeling van het onderzoek is de cijfers wat betreft de samenstelling van het leger juist met het cijfer van de volkstellingen te willen vergelijken. Het uitgangspunt van de “80%” is immers dat de Vlaamse percentages in het leger aanzienlijk hoger lagen dan in de samenstelling van de bevolking. Als men cijfers van de volkstelling (55% Vlamingen en 45% Walen) gebruikt om de percentages in het leger vast te stellen, dan ligt het voor de hand dat de twee niet veel van elkaar afwijken.

Het besluit van Van Ackers onderzoek is helder. De discussie over de “80%” tijdens de Eerste Wereldoorlog leert dat het percentage in de eerste plaats sloeg op het aandeel van de Vlaamse soldaten in de vuurlinie tijdens de jaren 1915-1918. De meeste getuigenissen over de “80%” waren ramingen. Die schattingen waren uiteraard niet nauwkeurig, maar toch realistisch. Het ging immers om observaties van militairen over hun eigen omgeving. Hun indrukken worden bovendien bevestigd door een reeks tellingen, vooral in de infanterie. Doorgaans ging het om kleinere eenheden, zoals een peloton of een compagnie. Uit de licht afwijkende percentages blijkt dat “80%” veeleer een globaal gemiddelde was. Sommige eenheden zaten erboven, andere eronder. Uit die ramingen en tellingen kan men niet besluiten dat alle Belgische infanterie-eenheden die aan de IJzer vochten, voor vier vijfden uit Vlaamse piotten bestonden, maar wel dat dergelijke eenheden lang geen uitzondering waren. Die ”80%” bleek zelfs zo geloofwaardig dat niet alleen Vlaamsgezinde politici het cijfer overnamen, maar ook de hoogste gezagdragers het voor waar aanvaardden: koning Albert, minister De Ceuninck van Oorlog, hoofdaalmoezenier Jan Marinis, propagandachef Fernand Passelecq. Had de regering of de legertop dat percentage willen betwisten, dan hadden ze zelf een telling kunnen organiseren. Als ze dat niet deden, was het wellicht omdat ze de uitslag vreesden.

De studies van Stevens, Schepens en Keymeulen bevatten wel cijfers over de Vlaamse aanwezigheid op het IJzerfront, doch door de beperkingen en tekortkomingen van hun aanpak zijn die percentages niet betrouwbaar. Maar zelfs als men zou aannemen dat de Vlaamse aanwezigheid in de IJzerjaren “slechts” 65 tot 70% bedroeg, liggen die percentages beduidend hoger dan het Vlaamse aandeel in de bevolking. Voor de fundamentele discussie over de taaltoestanden in het Belgische leger maakt(e) het uiteindelijk weinig verschil uit of de Vlaamse meerinspanning 15 dan wel 25% bedroeg. De discriminatie van de Vlaamse soldaten vóór, tijdens en zelfs na de oorlog wordt trouwens door de tabellen van die auteurs bevestigd.

Voor het Vlaamse overwicht in het Belgische leger waren er drie redenen die met een geografisch toeval te maken hebben. Vlaanderen leverde meer miliciens en vrijwilligers dan Wallonië omdat het noordwestelijk hoekje van België dat onbezet bleef, bij Vlaanderen hoorde, omdat er door het verloop van de oorlog meer Vlamingen dan Walen naar het buitenland gevlucht waren, en omdat het lange tijd gemakkelijker was vanuit Vlaanderen naar Nederland te vluchten dan vanuit Wallonië.

Twee andere redenen waren socio-economisch van aard – net zoals de “twee snelheden” al vóór de oorlog een rol gespeeld hadden. Vooreerst bevonden heel wat Vlaamse landarbeiders zich bij het uitbreken van de oorlog in Noord-Frankrijk. De “Fransmans” gingen er elk jaar de oogst binnenhalen omdat er in Vlaanderen onvoldoende werk was. Daarnaast gaf de oorlogsindustrie de voorkeur aan Waalse soldaten-arbeiders omdat de industrie, en zeker de ijzer- en staalindustrie, in Wallonië meer ontwikkeld was dan in Vlaanderen.

Een laatste reden – “last but not least” – was de francofone, Vlaamsvijandige mentaliteit in het Belgische leger. In die unitaire instelling was en bleef het Frans de voertaal en hadden veel officieren slechts minachting voor de Vlamingen en hun taal. Dat verklaart waarom het Vlaamse aandeel steeg naarmate men de hiërarchische ladder afdaalde of naarmate de dienst zwaarder werd.

De “80%” werd al vroeg een symbool dat het Vlaamse ongenoegen over die situatie samenvatte en bleef decennialang populair in de flamingantische propaganda. Het was een “mythe” als men daarmee bedoelt dat het percentage deel uitmaakte van de collectieve herinnering van de Vlaamsgezinden. Het was geen “mythe” als men daarmee wil aangeven dat het een vertekend beeld gaf van de taalverhoudingen in de loopgraven aan de IJzer.

Klik op onderstaande link om het volledige artikel te lezen.
De mythe van de 80 procent

 
  • No categories