•  
  •  
  • Home
  • /Archive by category ' Documentaires en boeken '

Archive For: Documentaires en boeken

‘La cohue de 1940’ (Léon Degrelle, 1949)

In 1949 verscheen bij de Zwitserse uitgeverij Robert Crausaz in Lausanne Degrelles boek La cohue de 1940, dat veel gelijkenis toont met het boek Les décombres van Lucien Rebatet uit 1942. Het verschijnen van het boek zorgde voor de nodige ophef. Op aandringen van de Belgische regering werd een groot deel van de oplage door de Zwitserse politie vernietigd. Het boek bevat Degrelles relaas van de zomermaanden van 1940. De boodschap is duidelijk: alle Belgen waren toen bereid om met de bezetter samen te werken. Alleen de rexisten keken de kat uit de boom omdat ze op Degrelle, die in gevangenschap vertoefde, dienden te wachten. De Rex-leider zelf wachtte op de toestemming van Leopold III. La cohue de 1940 is Degrelle op en top. Zelfbewust wekt hij de indruk kind aan huis geweest te zijn bij Hitler, Mussolini en Franco. Met zijn onstuimige pen maakte Degrelle karikaturen van alle prominenten uit die tijd. Leopold III stelt hij voor als een overspannen twijfelaar die voortdurend op de rand van een zenuwinzinking staat. Alleen Hendrik De Man vindt in zijn ogen enige genade. Voor wie zich in de denkwereld van le chef wil inleven, vormt La cohue de 1940 boeiende lectuur. Een Nederlandstalige editie van het boek ligt niet voorhanden.
Uit: Le beau Léon door Pieter Jan Verstraete, uitgegeven bij Uitgeverij Aspect (Soesterberg, Nederland).

Fragment: tijdens een debat haalt Jean Vermeire, oud-officier van het Waals Legioen, Léon Degrelles werk ‘La cohue de 1940’ aan (vanaf 13’20”) om te schetsen hoe de collaboratie na de Belgische en Franse capitulatie tot stand kon komen.

 

DSC01643

‘La cohue de 1940’ (Léon Degrelle, 1949)

 

‘Tintin mon copain’ (Léon Degrelle)

In het boek Tintin mon copain (Léon Degrelle, Pélican d’or, 2000) wordt uitgebreid ingegaan op het leven en de invloeden van tekenaar Hergé, geestelijke vader van Kuifje/Tintin. Gezien Léon Degrelle overleed in 1994, verscheen het boek postuum. Het boek kan worden beschouwd als een encyclopedie over de stripheld en Hergé: in 231 pagina’s wordt beschreven hoe Hergé werd beïnvloed door de sociale, culturele en politieke context van zijn tijd, maar vooral door de persoon van Léon Degrelle zélf. Enkele bronnen komen hierdoor tot de conclusie dat het werk vooral een autobiografische apocrief van Degrelle is. Na een klacht van uitgeverij Moulinsart, de uitgeverij van de strips van Hergé, werd de verkoop van het boek in België en Frankrijk omwille van schending van auteursrechten verboden. Naar verluidt werden 850 exemplaren op een totale oplage van 1000 stuks vernietigd. Hierdoor is een exemplaar van het boek erg moeilijk te vinden.

DSC01296_opt

 

Striptekenaar Hergé (pseudoniem van Georges Remi) en Léon Degrelle leerden elkaar eind jaren ’20 kennen, toen beiden werkten bij het katholieke en anticommunistische weekblad Le Vingtième Sciècle. Hergé schreef zijn eerste Kuifje-verhaal, Kuifje in het land van de Sovjets, voor de jongerenbijlage van dit blad. Verschillende argumenten dat Kuifje was gebaseerd op Degrelle worden in Tintin mon copain aangevoerd: de reizen van reporter Degrelle in Mexico en de Verenigde Staten, de golfbroek die beiden in die periode droegen en niet te vergeten: de kuif. De naoorlogse bewering dat Degrelle als model stond voor reporter Kuifje werd door Hergé steeds tegengesproken. Desalniettemin lijken bepaalde beweringen gezien de context zeker plausibel: hun katholieke en anticommunistische beginperiode, de succesrijke opkomst van Rex, de repressie en epuratie (waaraan ook Hergé -zij het beperkt- niet aan ontsnapt is), en de naoorlogse gecensureerde stripalbums van Tintin/Kuifje. Hij publiceerde in de collaboratiepers, een feit dat bij vele anderen reden genoeg was voor een gevangenisstraf en een gebroken carrière.

Wat oorlogse publicaties betreft, worden in Tintin mon copain ondermeer passages uit originele versies van strips uit de bezetting gepubliceerd. In een artikel van Koenraad Elst, gepubliceerd in ‘t Pallieterke op 15 september 2004, wordt hierop ingegaan. Tijdens de oorlog publiceerde Hergé onder andere het album De Geheimzinnige Ster (1942), dat tegenwoordig nog steeds tot de standaardcollectie Kuifjes behoort. Wat de titel betreft wil het al lukken dat het volk dat destijds zogezegd als smeder van geheimzinnige complotten gold, eveneens een ster in zijn vlag voerde. De grote boosdoener in het originele verhaal is een stereotiepe jood, compleet met grote neus, brede lippen en een intens begerige blik in de ogen: de New-Yorkse bankier Blumenstein. In de naoorlogse edities verving Hergé die vingerdik Jiddische naam door Bohlwinkel, niet beseffend dat ook dit een Jiddische naam is.

Blumenstein trekt in het album aan allerlei touwtjes om een Europese expeditie naar een vers neergestort stuk meteoor in de Noordelijke IJszee te dwarsbomen. Een Belgisch geleerde heeft immers door spectraalanalyse kunnen vaststellen dat de meteoor een nieuw en kostbaar metaal bevat, en daar heeft de bankier naar goede familietraditie zijn begerig oog op laten vallen. Kuifje is echter te slim voor zijn aanslagen en misleidingstactieken, en Blumenstein wordt uiteindelijk als opdrachtgever van deze misdaden ontmaskerd.

Behalve de figuur van Blumenstein is er nog een subtieler element van de toen dominante ideologie in het verhaal verwerkt. In de wedloop naar de gevallen meteoor zijn twee partijen betrokken: enerzijds het schip van Blumenstein uit de Verenigde Staten (in de uitgaven vanaf 1954 vervangen door een ingebeeld land Sao Rica), anderzijds een schip met een pan-Europees team van geleerden. Zo’n Europese wetenschappelijke commissie was toen een grote zeldzaamheid, behalve het forensisch team, met ondermeer de Vlaamse dokter Speleers, dat onder Duits toezicht in Katyn de massamoord door Stalin op Poolse officieren onderzocht. Vandaag zou zulke Europese samenwerking nauwelijks opvallen, maar in die tijd was het idee van de Europese eenheid heel typisch voor de foute kant in de oorlog.

In het anti-Duitse kamp had je twee types niet-Europeeërs. Er waren de communistische internationalisten, die de Sovjet-Unie als hun ideologisch vaderland beschouwden en verder in de wereldwijde solidariteit van de proletariërs geloofden, dus samen met niet-Europese proletariërs tegen de Europese machthebbers, zowel de nazi’s als de liberaal-kapitalisten. En er waren de ouderwetse nationalisten die uit vaderlandsliefde tegen de bezetter streden. Ook de officieren die een mislukte aanslag op Hitler pleegden, waren Duitse patriotten en geen pioniers van de Europese eenwording zoals de Nederlandse premier Balkenende bij de zestigste verjaardag van de aanslag beweerde. Dé gangmaker van de Europese gedachte destijds was toen de Waffen-SS, die voor het Oostfront wierf met affichteksten als: “Ich stehe hier für Europa”, en die de landing in Normandië als een Amerikaanse agressie tegen Europa zou voorstellen. Hergé beschrijft een tweekamp tussen Europa, werelddeel van wetenschappers en van de eerlijke vinders van de schat, en Amerika, werktuig van het joodse winstbejag dat de vruchten van de Europese vindingrijkheid wil stelen. Dat vormt een volmaakte illustratie van de Europese gedachte in SS-versie. Maar, we kunnen het Hergé na al die jaren niet kwalijk nemen want hij is een parel aan de Belgische kroon.

 

‘Voor Vlaanderen, volk en Führer’: de collaborateurs van Aline Sax

1. Inleiding

In Voor Vlaanderen, volk en Führer legt auteur Aline Sax naar eigen zeggen de ziel van de Vlaamse collaborateur bloot. Het boek is de handelseditie van een in 2012 aan de universiteit van Antwerpen verdedigd doctoraat. In het werk wordt de premisse geponeerd dat de naoorlogse beeldvorming van de collaboratie steeds werd gedomineerd door stereotypes van de Vlaamse collaborateur als de Vlaamse idealist of als katholieke Oostfrontstrijder, die geen ideologische verwantschap hadden met de Duitse bezetter en het nationaal-socialisme. De lezer wordt niet lang in spanning gehouden: al snel verraadt de jonge historica dat er van de mythe van brave katholieke collaborateur die tegen het goddeloze bolsjewisme vocht niet veel overeind blijft. Zelf noemt ze het resultaat van haar werk “onthutsend”, want volgens haar onderzoek en opzoekingen komt ze tot de conclusie dat Nieuwe Orde-gezindheid onder twee derde van de collaborateurs  een belangrijke motor was. Na de oorlog werd deze Nieuwe Orde-gezindheid – nog steeds volgens Sax – verzwegen en genegeerd, en kwam de nadruk sterk te liggen op het Vlaams nationalisme als motief.

Voor Vlaanderen, volk en Führer

Het boek vermeldt de foto op de omslag als Vlaamse Wachters. Eigenlijk gaat het hier om mannen van de Vlaamse Wachtbrigade.

In wat volgt willen we de gevolgde methodologie van Sax analyseren, en haar gevolgtrekkingen confronteren met de wetenschappelijke vraagstelling en het onderzoeksopzet van het boek. Wat dit laatste betreft, zou het namelijk op zijn minst een onfatsoenlijke verdienste van een wetenschappelijk werk zijn indien het als opzet zou hebben om een vermeende onterechte beeldvorming door een gecorrigeerde beeldvorming te pogen te vervangen. Hierbij willen we verwijzen naar enkele persrecensies die van het geschiedkundige werk van Sax hebben onthouden dat  68% van de collaborateurs  zich vooral door “extreemrechtse politieke opvattingen lieten drijven” (Marc Reynebeau, De Standaard der Letteren). Voor anderen laat het boek nog een verdere scheeftrekking toe, namelijk dat “twee derde van de Vlaamse collaborateurs het niet deden voor Vlaanderen, maar dat de leeuwenvlag slechts een schaamlapje was om antidemocratische standpunten te verdoezelen of simpelaars te winnen voor het brute fascisme” (Jan Willems, Dewereldmorgen.be). Laat ons deze collaborateurs van Aline Sax even onder de loep nemen.

2. Uitgangspremisse: vergoelijkte beeldvorming door de collaborateurs zélf tot stand gebracht

Met deze bijdrage wensen we een aantal zwakheden in de gevolgde methodologie van het onderzoek aan te wijzen, alsook bedenkingen te formuleren bij enkele gevolgtrekkingen en besluiten die in het boek worden geformuleerd. De scherpte waarbij dit alles mogelijks wordt geformuleerd, doet niets af van onze  bewondering voor het boek en ons respect voor de gevierde jeugdschrijfster. Het boek beschrijft talrijke verrassende inzichten, maar het geschilpunt is de interpretatie van bepaalde bronnen en de historische interpretatie die aan de statistische verwerking van die bepaalde bronnen wordt gegeven. Hoewel we pogen te streven naar volledigheid, kan elk argument ongetwijfeld nog verder worden uitgediept.

Alle voorgaande onderzoeken en werken ten spijts, vertrekt Sax bij aanvang van haar werk van de boude stelling dat jarenlang het beeld werd gecultiveerd dat Vlaamse collaborateurs en oostfrontstrijders naïeve flaminganten of oerkatholieke jongens waren, die zich door de Duitsers een rad voor de ogen hadden laten draaien. Het waren, aldus de auteur, de oud-collaborateurs zelf die na de oorlog een vergoelijkt zelfbeeld cultiveerden waarbij de nadruk heel erg sterk lag op de Vlaams-nationalistische motivatie voor hun collaboratie. Deze voorstelling van collaborateurs als idealisten die slechts met de Duitsers meewerkten om hun vooroorlogs doel, namelijk de verwezenlijking van hun Vlaams-nationale idealen te bekomen, kon zich aldus de auteur vrij snel in het collectieve geheugen vasthaken. De jonge historica geeft toe dat daar vanaf de jaren ’80 verandering in kwam omdat meer nadruk op de Jodenvervolging en het verwerpelijke nationaalsocialistische systeem kwam te liggen, maar maakt toch op dat in alle voorgaande studies en werken de ‘gewone’ Vlaamse collaborateur grotendeels buiten beeld bleef. Dit is een op zijn minst vreemde vaststelling, want denken we maar aan alle interviews (dus: oral history) door Maurice De Wilde op band gezet. De subjectief gekleurde uitgangspremisse waarmee het boek van wal steekt doet ons nopen dat er op deze manier ruimte komt om de waarde van geschiedkundig onderzoek gevoerd door de generaties die het interbellum, de oorlog (en de nasleep er van) werkelijk hebben meegemaakt, te devalueren. In weerwil van alle voorgaande studies vertrekt het onderzoek naar Sax’ gewone Vlaamse collaborateurs van drie vragen:

a. Wie waren deze gewone collaborateurs?
b. Waarom deden zij wat ze deden?
c. Hoe zag het wereldbeeld van deze mensen er uit?

3. Heuristiek, bronnen en methodologie

a. Het repressiedossier als bron

Na het formuleren van het onderzoeksopzet naar de ‘gewone’ Vlaamse collaborateur komt er vervolgens een methodologie aan bod waardoor de indruk instaat dat  de boude stelling uit ons vorig punt met alle middelen moet worden bewezen. Ten gevolge van de uitgangspremisse is de auteur van mening dat de vergoelijkte beeldvorming nog steeds té diep zit ingeworteld bij zowel de oud-collaborateurs, als bij hun kinderen en kleinkinderen. Hierom  wordt expliciet gekozen om niet te werken met mondelinge bronnen, maar met de gerechtelijke repressiedossiers van destijds. Hierbij komen we bij een eerste zwakke punt in het onderzoek van Sax, met name de exclusieve keuze van het repressiedossier als bron. De lezer moet hierbij in acht nemen dat statistische verwerking van  gegevens uit dit dossier zullen worden aangewend om uiteindelijk de motivatie en het wereldbeeld van deze ‘gewone’ collaborateurs te achterhalen.

b. Steekproef op basis van de wetelijke definitie van een collaborateur

Op basis van de wettelijke definitie van een collaborateur, namelijk iemand die werd veroordeeld op basis van art. 113 tot 123 dec. SWB, werd een steekproef genomen van 326 dossiers. Dit is ongeveer 1% van de 53.000 veroordeelde collaborateurs. Aldus de auteur werden de repressiedossiers als bron niet – of ten minste erg weinig – aangetast door de zogenoemde ‘naoorlogse beeldvorming’ en geven ze een vrij volledig beeld van de betreffende collaborateur. Niet enkel de verdachte zelf kwam aan het woord want deze gerechtelijke dossiers bevatten ook getuigenverklaringen. In sommige dossiers werden ook zogenoemde ‘egodocumenten’ aangetroffen die bij huiszoekingen in beslag genomen waren: brieven en dagboeken die tijdens de oorlog waren geschreven. De historica beschouwde enkel gevonniste dossiers uit de periode oktober 1944 – april 1946. Na deze periode werd vlugger en oppervlakkiger gevonnist en waren dossiers minder volledig.

c. Tekortkomingen bij het exclusieve gebruik van repressiedossiers als bron

De auteur is zich terdege bewust van de specifieke context waarin deze dossiers waren ontstaan. In haar werk worden passages gewijd aan de ontstaanscontext van de repressiedossiers en het werk van de (jonge) historicus om na de feiten (en per dossier) de betrouwbaarheid van de verklaringen na te gaan en uiteindelijk een samenhangend geheel uit te distilleren. Onze stelling is echter: repressiedossiers op zich zijn geen geschikte objectieve bron bij het achterhalen van de punten 2 en 3 van boven vermelde wetenschappelijke vraagstelling. Men gaat hier volledig voorbij aan de dramatische sfeer die de ‘processen’ en onderzoeken van destijds kleurden. Het is geenszins onze bedoeling om in dit artikel te sterk uit te wijden over de aanpak van de repressie, maar het goed fatsoen heeft ook haar rechten. Het ontbreken van oral history van de protagonisten – de oud-collaborateurs van destijds – in het bronnenonderzoek is een uitgangspunt van Sax, omdat dit naar verluidt door vermeende naoorlogse beeldvorming zou zijn gekleurd. Daarom kiezen we hieronder voor oral history van de antagonisten van destijds. Hiermee willen we het standpunt maken dat repressiedossiers betwijfelend objectieve stukken kunnen zijn; en dat een beklaagde – in geval het tot een proces kwam – weinig weerwoord had en op voorhand als Duitschgezind werd gebrandmerkt. Dit laatste ‘stigma’ zal in hetgeen volgt, namelijk bij de statistische verwerking, nog een belangrijke rol vervullen.

Fragment: antagonisten uit de repressie over de sfeer waarin de processen plaatsvonden. Gerechtelijk vervolgd worden betekende voor het leeuwendeel automatisch als ‘Duitschgezind’ worden bestempeld.

 

Fragment: gebrekkig onderzoek, vooringenomenheid, gebrek aan ervaring bij magistraten, amper recht op verdediging, onwaardige en foutieve processen. Repressiedossiers kan men niet als objectieve bronnen beschouwen.

 

Fragment: het gebrek aan sereniteit. Men kan gewis ook grote twijfels hebben bij de betrouwbaarheid van de dossiers als bron voor onderzoek naar motivatie en wereldbeeld van de betrokken collaborateurs.

 

Antagonisten die de repressieprocessen destijds bijwoonden waren van oordeel dat deze betwijfelend correct werden gevoerd. De steeds wederkerend aangevoerde ‘sfeer’ in de tribunalen, de partijdigheid, en de manier waarop onderzoeken werden gevoerd en dossiers werden samengesteld zorgden er voor dat deze repressieprocessen in tal van gevallen tot dramatische schertsvertoningen of schijnprocessen werden bestempeld. In deze optiek lijkt het ons onfatsoenlijk en historisch onwetenschappelijk  om deze vaak subjectieve repressiedossiers door middel van statistische verwerking te extrapoleren naar de motivatie of  het wereldbeeld van de beklaagden van toen.
Ondanks het feit dat de bronnenheuristiek van Sax aanzienlijk is, merkt Bruno De Wever correct op dat wie vandaag de dag het werk zou willen controleren ongetwijfeld zal stuiten op de weigering van het College van Procureurs-generaal, dat geen toelating meer verleent tot inzage van dossiers waarin eerherstel werd toegestaan.  Dat is spijtig want op die manier is een belangrijk deel van het onderzoek en bevindingen van Sax onttrokken aan enige historische kritiek.

4. De motivatie van de collaborateurs

De tweede vraag spitste zich toe op de motivatie van de collaborateurs, met andere woorden het waarom van hun collaboratie. Op basis van steekproef van 326 repressiedossiers van gestrafte collaborateurs kon de auteur statistisch vijftien types motieven oplijsten, gaande van wat de auteur onder de noemer ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ onderbrengt, tot geopolitieke motieven, financieel gewin, ontsnapping aan verplichte tewerkstelling, avonturisme, enzovoort… Het vijftiende, doch – volgens de auteur – echter opvallend afwezige motief in de repressiedossiers is het antisemitisme.

a. Motief ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ door middel van een elastisch stalinistisch-fascismebegrip gekwantificeerd

(1) Particuliere ideologische overtuiging geëxtrapoleerd naar een universeel fascisme-begrip

Hier komen we bij een tweede zwakke punt in het onderzoek van Sax, namelijk de inhoudelijke benadering van wat de auteur onder het begrip ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ onderbrengt. We gaan akkoord met haar aanvankelijke omschrijving als “een maatschappelijke bekommernis, vormgegeven door een bepaalde ideologische overtuiging, die bij vele collaborateurs een rol speelde in hun collaboratie”. Sax erkent dat het begrip niet gemakkelijker definieerbaar is en op een gans spectrum ideologieën slaat. Maar het is frappant hoe deze vervolgens onmiddellijk en onnauwkeurig equivalent als nationaalsocialisme wordt gemoraliseerd. Wat betreft kwantificering en statistische verwerking van de ideologische motieven kiest de auteur er voor om deze door middel van een elastisch stalinistisch-fascismebegrip te kwantificeren. Hoewel er tal van historici zijn die absoluut weigeren het fascisme-begrip te extrapoleren naar niet-Italiaanse fenomenen omdat zij dit onhistorisch vinden, gebruikt Sax daarentegen een typologie van auteur Roger Griffin, het zogenoemde ‘minimumprogramma van het fascisme’, om de kenmerken van Nieuwe Orde weer te geven. Dit ‘fascistisch’ minima zou de constructie moeten onderbouwen dat ‘fascisme’ een universeel verschijnsel is met plaatselijk gedifferentieerde manifestaties. Ongeacht de ideologische motivatie of lidmaatschap bij om het even welke organisatie, wordt het denken en handelen van deze personen categorisch ondergebracht onder een typologie met volgende kenmerken:

(a) Het gebruik van geweld als legitiem politiek middel wordt aanvaard.
(b) Het heeft een ultranationalistisch karakter, die -volgens de auteur- in Vlaanderen dan “natuurlijk het Vlaams-nationalisme was”.
(c) Het gebruik van milities die zichzelf voorstellen als de pioniers van een nieuw rijk.
(d) Een xenofobe en antisemitische houding.

(2) ‘Duitschgezindheid’ volgens het repressiedossier als statistisch meetpunt

‘Nieuwe Orde-gezindheid’ wordt door de auteur gelijkgesteld met nationaalsocialisme, en dit alles wordt gelijkgesteld met ‘fascisme’. Deze wijdverspreide, rubberachtige uitdeining van het begrip ‘fascisme’ – ook gehanteerd aan de universiteiten en in de media –  gaat terug naar een communistisch propagandaconcept, gelanceerd door het Komintern, en voor het eerst gebruikt door de Duitse communisten in de vroege jaren ’30, als scheldwoord voor alle andersdenkenden. Ernstige historici dienen zich op een wetenschappelijk veilige afstand te houden van dit soort overjaarse propagandaconcepten want men maakt ernstig geschiedkundig onderzoek nauwelijks mogelijk als men niet vasthoudt aan de concreet-historische werkelijkheid van het fascisme. De discussie over niet-Italiaans ‘fascisme’ (of ‘unifascisme’) is een scholastische aangelegenheid geworden, vol overbodige abstracties, die uiteindelijk de historische werkelijkheid vervormt in plaats van ze begrijpelijk te maken. Het epitheon ‘fascist’ baarde in de jaren ’30 daarenboven niet meer opzien dan bijvoorbeeld ‘socialist’… Personen die zich destijds niet zelf als ‘fascist’ aanduidden hadden daar hun specifieke reden voor. Vervolgens werd in het boek in een volgende fase van statistische verwerking werd verder abstractie gemaakt, en werd een houding of vermelding van  ‘Duitsgezindheid’ volgens het repressiedossier een statistisch meetpunt voor het aspect ‘ideologische beïnvloeding/overtuiging’. Sax zelf noteert dat het Nieuwe Orde-begrip niet gemakkelijk definieerbaar is, maar wel bruikbaar. De geciteerde simplismen en veralgemeningen vermeld  in verschillende recensies van het boek en aangehaald in de inleiding van dit artikel geven ons inziens die bruikbaarheid weer.

b. Vlaamse collaboratie wordt door middel van ‘statistische spitsvondigheid’ losgemaakt van de Vlaamse zaak

Uit het voorgaande merken we op dat Sax door het citeren van de typologie van Roger Griffins zogenoemde ‘fascistisch minimumprogramma’ aanvankelijk gewag maakt dat de Vlaams-nationale overtuiging van collaborateurs deel uitmaakte van een zekere maatschappelijke bekommernis, en deel van hun ‘Nieuwe Orde-gezindheid’. Anderzijds stellen we vast dat Vlaams-nationalisme als geopolitieke aspiratie volgens de gebruikte methodologie van de auteur  in een andere categorie motivaties (namelijk: geopolitieke motieven) wordt ondergebracht, en voorts ook zo statistisch afzonderlijk wordt behandeld en verwerkt. We onderschrijven wat dat betreft de vaststelling gepubliceerd in ‘t Pallieterke op 30 oktober 2013 dat Sax op deze manier de collaboratie, in weerwil van haar Belgicistische recuperatie van haar thesis, losmaakt van de Vlaamse zaak. Statistische spitsvondigheid? Zoals reeds vermeld in onze inleiding concludeert bijgevolg menig lezer van het boek dat twee derde van de Vlaamse collaborateurs het niet deden voor Vlaanderen, maar louter uit ‘Nieuwe Orde-gezindheid’, zijnde de ‘fascistische’ en nationaalsocialistische ideologie van de bezetter. Het is onze stelling dat de ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ van het leeuwendeel van de Vlaamse collaborateurs werd gestuwd door een ander ideologisch aspect dat niet voorkomt in de analyse van de auteur. In 1995 publiceerde Luc Pauwels in het artikel Het VNV van Bruno De Wever (TeKoS, nr. 76) een gelijkaardige kritiek op Bruno De Wevers boek Greep naar de macht. In dat boek stelde De Wever dat het vooroorlogse Vlaams Nationaal Verbond (VNV) al vanaf het begin fascistisch was. Net als Pauwels zijn we van mening dat geschiedschrijving moet gestoeld zijn op historiciteit van menselijk gedrag. In die zin is het zinloos geschiedschrijving te onderbouwen op ‘tijdloze’ of ‘universele’ typologieën (zoals Griffin’s  ‘minimumprogramma van het fascisme’), maar daarentegen juist aandacht te besteden aan het concrete en het unieke. Dit geldt ook voor alles wat voor  ‘rechts’, of ‘fascistisch’ moet doorgaat. De ‘Nieuwe Orde-gezindheid’ -ofwel de maatschappelijke bekommernis die bij vele collaborateurs een rol speelde in hun collaboratie- werd voor het leeuwendeel van de collaborateurs gestuwd door een aspect waar de auteur met weinig woorden over spreekt, namelijk het antibelgicisme. Dit antibelgicisme werd gedeeld door collaborateurs afkomstig uit het VNV en de DeVlag, op zich elkaar beconcurrerende collaboratiegroeperingen. De Duitse overwinning en bezetting zorgde er voor dat voor haar militanten de kans voor het grijpen leek om definitief af te rekenen met de ‘slechte oneindigheid’ van het gehate België. De suggestie van Sax dat collaborateurs afkomstig uit het VNV omwille van hun vermeend fascisme gepredestineerd werden tot collaboratie, klopt niet. Evenmin was de aanpassing van het VNV aan de ideologie van de bezetter een logische ontwikkeling, maar eerder een tactische noodwendigheid. Ook Luc Huyse ziet het zo: “De politieke collaboratie van het VNV en Rex was meer geïnspireerd door de zucht naar een uitbreiding van hun macht in of over België dan door liefde voor de bezetter of zijn ideologie.”

c. ‘Nazisme minus het centrale punt van de ideologie’. Dus in se toch geen ‘nazisme’?

Voorts stelt de auteur vast dat de collaborateurs, hoewel gedreven door hun vermeende nationaalsocialistische ideologische motivatie, heel weinig belangstelling toonden voor de joodse kwestie. Fronsend kunnen we ons de bedenking maken of Sax hierbij haar eigen stelling niet ondergraaft. Enerzijds beroept ze zich namelijk op de geponeerde typologie van Griffin, waar xenofobie of antisemitisme een onderdeel zou moeten vormen van de zogenoemde ‘fascistische Nieuwe-ordegezindheid’, terwijl we anderzijds later lezen dat ditzelfde antisemitisme een afwezig motief blijkt te zijn in de repressiedossiers. Evenmin was er -volgens de dossiers- bij de Belgische verhoorders interesse in het lot van de Joden. Deze repressiedossiers werden nochtans samengesteld in een periode van gerechtelijke vervolging, waarin wat betreft tenlastelegging en strafrechtelijke vervolging alle mogelijke registers werden opengetrokken. Hieruit kunnen we enerzijds besluiten dat de vermeende motivatie die Sax aanhaalt ‘een soort nazisme’ moet zijn geweest minus het centrale punt van de nationaalsocialistische ideologie; met andere woorden dus eigenlijk géén nationaalsocialisme. Anderzijds kan men afleiden dat in die tijdsgeest en de toenmalige mores en leges iedereen boter op het hoofd had als het aankwam op onverschilligheid voor de joodse kwestie. Niet in het minste ook de (vooroorlogse) belgicistische gevestigde kringen.

5. De motieven van Sax

a. Ter conclusie de tekortkomingen in een notedop

Genuanceerd evalueren en oordelen over de collaboratie en collaborateurs kan men niet als men ook niet het zelfbeeld van de betrokkenen in de afwegingen betreft. Universele typologieën leiden tot overbodig abstraheren en vervorming van de historische werkelijkheid. We onthouden van het werk van Sax dat op basis van een steekproef van 326 repressiedossiers werd becijferd dat ideologische beïnvloeding onder twee derde van de collaborateurs  de belangrijkste motor was. Naast het gebruikt van repressiedossiers als bron hebben we bedenkingen geuit bij de methodologie en bij het abstraheren van de historische betekenis van welbepaalde begrippen omwille hun statistische bruikbaarheid. Marc Andries hekelde het werk op zijn blog Het Vlaams Konijn om die reden als volgt: “Dit werk is onwetenschappelijk gevoerd: een boude stelling wordt geponeerd, en vervolgens wordt getracht deze met alle mogelijke middelen te bewijzen. Alleen getuigenissen en documenten om de premisse van de titel van het boek te gaan bewijzen worden gebruikt.”

b. De auteur aan het woord… 

Gezien de geciteerde belgicistische recuperatie van haar werk, lijkt het boek een nieuw instrument te worden om de Vlaamse beweging zwart te maken en als intrinsiek antidemocratisch voor te stellen.  Het wekt de indruk dat geschiedschrijving actief ten dienste wordt gesteld van de hedendaagse politiek. We startten dit artikel met in de inleiding de bedenking te maken dat het een onfatsoenlijke verdienste van een wetenschappelijk werk zou zijn indien dit de opzet zou hebben om een onterecht vermeende beeldvorming door een gecorrigeerde beeldvorming te pogen te vervangen. Dit zou men niet mogen verwachten van een historisch werk van iemand met een academische achtergrond. Het antwoord op de vraag naar de bedoeling van de Aline Sax is niet gemakkelijk te geven. De auteur van haar kant lijkt ons in een interview, op 28 december 2012 gepubliceerd op de webstek van De Gazet Van Zurenborg, hierbij te helpen. In dit interview werd de vraag gesteld of geschiedenis volgens de auteur een exacte wetenschap is. Het antwoord op deze vraag lijkt zowaar een pleidooi voor een zeker ‘politiek correct revisionisme’:
“Geschiedenis wordt beïnvloed door wat er leeft onder de mensen en heeft ook te maken met de cultuur van dat ogenblik. Daarom is de geschiedenis veranderlijk en zal het altijd nodig zijn om de geschiedenis geregeld te herschrijven, want vanuit een ander perspectief van bijvoorbeeld vijftig jaar geleden ontstaan steeds weer andere inzichten. In die zin is geschiedenis geen exacte wetenschap, maar wel een wetenschap, die stoelt op objectieve methodes. Maar het komt maar al te vaak voor dat geschiedenis wordt ingezet voor politieke doeleinden.”

6. Besluit

We willen besluiten met op te merken dat het historisch perspectief uiteraard met de jaren verandert. Wat niet verandert zijn de historische feiten. Het veranderde perspectief geeft soms aanleiding tot een gewijzigde interpretatie. Tot daar zijn we het allemaal eens. Wat echter in géén geval kan is het retroactief veranderen, wegmoffelen en/of selectief overbelichten van feiten. Daar verglijdt men van geschiedschrijving in historische manipulatie.

 

‘De Tekenende Tekenaar’ (KAPROEN) (2)

Het propagandaboekje met tekeningen van Willy Vandersteen en verzen van Bert Peleman dat verscheen naar aanleiding van de Tollenaere-marsch van 12 juli 1942 werd in 1996 herdrukt door de  West-Vlaamse uitgeverij Drogenoek. De oplage telde 500 exemplaren. Bijkomend werd ook een gebonden luxe-uitgave uitgebracht met harde kaft. Deze laatste betrof 100 genummerde exemplaren. Hoewel het beide om herdrukken gaat, wilden we onze volgers deze boekjes niet ontzeggen: enerzijds omwille van de beperkte oplage en het verzamelwaardige karakter van het luxe-boekje, maar anderzijds ook omwille van het feit dat het boekje -mits verwijdering van enkele bladzijden- soms verkeerdelijk als origineel kan worden aangeboden.

DSC01580

 

Maurice De Wilde en de BRT-Productiekern Wereldoorlog II

1. Inleiding

Naar aanleiding van vaak  gestelde vragen omtrent de uitzendingen ‘De Nieuwe Orde’ van Maurice De Wilde, hadden we hiermee wat meer informatie willen geven over de befaamde televisiereeks. Uit wat hierna volgt zal men zien dat het eigenlijk niet om één documentairereeks ging, maar om verschillende reeksen van feuilletons die van ’82 tot en met ’91 op het scherm werden getoond. Wat hier volgt is een korte schets van het ontstaan van de Productiekern, en een overzicht van de bijdragen van Maurice De Wilde en zijn team.

2. Ontstaan van de Productiekern Wereldoorlog II

Midden jaren ’60 groeide bij Jerome Verhaeghe, toen directeur programmatie bij de BRT, de idee een reeks over de Tweede Wereldoorlog in België te maken voor de openbare omroep.  Naar het voorbeeld van Lou De Jong in Nederland, wou hij het oorlogsverleden van België in beeld brengen. Eind jaren ’60 startte hij met de voorbereidingen, en tegen begin  de jaren ’70 lagen vijf te behandelen onderwerpen op tafel, gaan de van het Interbellum, de Achttiendaagse Veldtocht en de bezetting met als onderwerpen: het verzet, de collaboratie en het dagelijkse leven. De ‘Productiekern Wereldoorlog II’ was geboren. Er werd door de Raad van Beheer van de BRT een wetenschappelijke commissie in het leven geroepen waarbij elke strekking was vertegenwoordigd.
Aanvankelijk werden drie programmamakers ingeschakeld: Herwig Jacqemyns, Jerome Verhaeghe en Paul Louyet. Het was Jerome Verhaeghe die de Achttiendaagse Veldtocht en de collaboratie voor zijn rekening zou nemen. De afleveringen over het Interbellum en het dagelijkse leven raken klaar in respectievelijk 1973 en 1976. Verhaeghe geraakt echter niet door zijn opdracht. Om zijn thema ‘de collaboratie’ te behandelen werd in 1974 iemand extra ingezet: Maurice De Wilde. Op dat moment had De Wilde al een bewogen carrière bij de openbare televisie achter de rug. Tussen 1956 en 74 maakte hij er een opgemerkte -vaak omstreden- reeks televisiereportages. Meermaals kwam hij in conflict met zijn oversten, met verscheidene drukkingsgroepen en soms met de overheid. Het was vooral zijn manier van aanpakken die hem vaak herrie bezorgde. De Wilde diepte elk onderwerp ten gronde uit; hij weigerde oppervlakkig te werken. Naar aanleiding van één van zijn programma’s (‘Geen mammoets voor België’) werd hij in 1967 gedegradeerd tot redactiewerk.

3. Series onder de leiding van Maurice De Wilde

Binnen de Productiekern werden twee thematische subwerkgroepen gevormd, waarvan Maurice De Wilde als spilfiguur werkt rond de collaboratie. In 1975 krijgt De Wilde assistentie van Etienne Verhoeyen, en in 1979 worden er nog vier mensen bijgeroepen: Philippe Van Meerbeeck, Rémonde Panis, Hans Eeckels en Herman Van De Vijver. In 1982 stapte initiatiefnemer Jerome Verhaeghe over naar BRT 3, waardoor Maurice De Wilde de taak van productieleider kreeg toegewezen. dit betekende dat hij vanaf dan het geheel coördineerde en als dusdanig de verantwoordelijkheid voor alle programma’s van de Productiekern op zich nam. Ook het beheren van het programmabudget en de planning van het werkritme behoorden dan tot zijn taken. Op die manier trok hij de hele reeks nog meer naar zich toe.
Op 26 februari 1982 startte de zeventiendelige spraakmakende serie ‘De Nieuwe Orde’. De reeks kende zo’n groot succes dat ze hetzelfde jaar, mits enige aanpassing werd heruitgezonden. Op ‘De Nieuwe Orde’ volgde in december 1983 de vierdelige reeks ‘De Verdachten’, over de  verdachten en weggevoerden van mei 1940. Van november 1985 tot februari 1986 worden veertien programma’s over de politieke en jeugdcollaboratie uitgezonden, respectievelijk ‘De kollaboratie’ en ‘De jeugdkollaboratie’. In april 1988 startte een nieuwe achtdelige reeks van de werkgroep collaboratie: ‘De Tijd der Vergelding’. In hetzelfde jaar echter stapte Etienne Verhoeyen na aanhoudend geruzie met Maurice De Wilde uit de werkgroep. Hij ging zijn eigen weg verder met onder andere programma’s over de economische collaboratie. Eind 1989 wordt ‘De Oostfronters’ van Maurice De Wilde en Philippe Van Meerbeeck over de militaire en paramilitaire collaboratie uitgezonden. In 1990 volgt een casus-studie van ‘Zender Brussel’ van Maurice De Wilde.  Als sluitstuk van De Wildes jarenlang opzoekingswerk bracht de toenmalige BRT (vanaf 1991 BRTN) in 1990-1991 de vijf programma’s over de gerechtelijke- en straatrepressie op het scherm.

4. Gedetailleerd overzicht

a. De reeks ‘De Nieuwe Orde’ telde 17 afleveringen, die in totaal meer dan 26 uur zendtijd in beslag namen. Nog in hetzelfde jaar begon men aan de heruitzendingen van deze naar hedendaagse normen buitengewoon lange programma’s. De heruitzending werd bovendien aangevuld met een inleidend debat van anderhalf uur en een even lang extra programma.  In al deze programma’s kwamen kleine en grote collaborateurs met naam en toenaam op het scherm. België hoorde uit de mond van de collaborateurs hun versie van de oorlogsgebeurtenissen, op de rooster gelegd door De Wilde. De reeks werd op de voet gevolgd door de politieke wereld, en lokte zelfs reacties uit van koning Leopold III en koning Boudewijn. Bij de heruitzending van ‘De Nieuwe Orde’ werd een programma over het Eldrie-verbond (L III-verbond), een leopoldistische vereniging, toegevoegd aan de reeks.

programmatitel uitzenddatum herhaling duur
Debat 07/12/1982 1u25′
De kleine diktators 26/02/1982 14/12/1982 1u24’
Onverfranst? Onverduitst? 05/03/1982 21/12/1982 1u54’
Orde in de staat 12/03/1982 28/12/1982 1u30’
Liever Berlijn dan Moskou 19/03/1982 04/01/1983 1u36’
Een regering op de dool 26/03/1982 11/01/1983 1u55’
De tijd der dwalingen 20/04/1982 18/01/1983 1u57’
De gevangene van Laken 09/04/1982 25/01/1983 1u51’
Tot het bittere einde 16/04/1982 01/02/1983 2u20’
De gekroonde republiek I 23/04/1982 08/02/1983 1u29’
De gekroonde republiek II 30/04/1982 15/02/1983 1u03’
L III- verbond 22/02/1983 1u25′
La grande muette I 07/05/1982 01/03/1983 1u22’
La grande muette II 14/05/1982 08/03/1983 1u36’
De nieuwe raad van Vlaanderen 21/05/1982 15/03/1983 1u01’
Het kamp der verdrukte minderheden 28/05/1982 22/03/1983 1u26’
De kerk past zich aan 04/06/1982 29/03/1983 1u35’
Op weg naar de kollaboratie 08/06/1982 05/04/1983 1u34’
Buiten spel 11/06/1982 12/04/1983 1u18’

 

b. ‘De Verdachten’ werd voor het eerst in december ’83 getoond en telde vier afleveringen.

programmatitel uitzenddatum herhaling duur
De vijfde kolonne 02/12/1983 18/10/1985 1u44’
In vreemde handen 09/12/1983 25/10/1985 1u26’
De spooktreinen 16/12/1983 01/11/1985 1u08’
De afloop 23/12/1983 08/11/1985 52’14”

 

c. Daarna volgden van november 1985 tot februari 1986 veertien programma’s over de politieke- en jeugdcollaboratie, onder de titels: ‘De kollaboratie’ en ‘De jeugdkollaboratie’.

programmatitel uitzenddatum herhaling duur
Belgen tegen wil en dank 15/11/1985 04/02/1988 1u47’
Oude wijn in nieuwe vaten 22/11/1985 11/02/1988 1u39’
De mannen van het eerste uur 29/11/1985 18/02/1988 1u33’
Een kaper op de kust 06/12/1985 25/02/1988 1u43’
De militaire kollaboratie 13/12/1985 03/03/1988 1u39’
De stroomversnelling 20/12/1985 10/03/1988 1u41’
Op weg naar de anschluss 27/12/1985 17/03/1988 1u42’
In de ban van de SS 03/01/1986 24/03/1988 1u31’
De teerling is geworpen 10/01/1986 31/03/1988 1u33’
De jeugd moet volgen 17/01/1986 1u34’
De Hitlerjeugd haalt het 24/01/1986 1u30’
Führers voor het rijk 31/01/1986 1u21’
Dur et pur 07/02/1986 1u33
40 jaar later 14/02/1986 39’

 

d. ‘De Tijd der  Vergelding’

programmatitel uitzenddatum duur
Verbelen en co 08/04/1988 1u39’
Zonder genade 15/04/1988 1u33’
Om nooit te vergeten 22/04/1988 1u35’
Terreur in het dorp 29/04/1988 1u46’
De partizanen slaan toe 06/05/1988 1u39’
Het VNV slaat terug 13/05/1988 1u38’
De doders van Rex 27/05/1988 1u28’

 

e. ‘De Oostfronters’

programmatitel uitzenddatum duur
Mijn eer is trouw 22/09/1989 1u18’
De tragedie van het Vlaams Legioen 29/09/1989 1u18’
In de hel 06/10/1989 1u14’
De paramilitairen 13/10/1989 1u15’
Het Waals Legioen: een politieke hefboom 20/10/1989 1u13’
Naar de glorie … over lijken 03/11/1989 1u14’
Enkel de chef heeft baraka… 10/11/1989 1u15’

 

f. ‘Zender Brussel’, een aflevering over de openbare omroep tijdens de bezetting. De uitzending werd destijds door de rechter in kortgeding verboden. Cas Goossens, de toenmalige administrateur-generaal van de BRT, negeerde het verbod echter en het werd  één keer uitgezonden om daarna voorgoed te ‘verdwijnen’.

programmatitel uitzenddatum duur
Zender Brussel 1/06/1990 1u33’

 

g. ‘De repressie’, over de straatrepressie   en de gerechtelijke repressie.

programmatitel uitzenddatum duur
De straatrepressie – deel 1 07/12/1990 1u30’
De straatrepressie – deel 2 14/12/1990 1u34’
België bestraft zijn ontrouwen – deel 1 12/07/1991 1u38
België bestraft zijn ontrouwen – deel 2 19/07/1991 1u44’
België bestraft zijn ontrouwen – deel 3 26/07/1991 1u50’
 
  • No categories