•  
  •  
  • Home
  • /6. SS-Frw. Sturmbrigade ‘Langemarck’

6. SS-Frw. Sturmbrigade ‘Langemarck’

Een synopsis…

Index:

1. Inleiding
2. Ontevredenheid aan het thuisfront tengevolge van de verdwijning van het Vlaams Legioen
3. ‘De Rebellen’
4. De inzet in de Oekraïne: Shitomir en Jampol
5. Na de inzet in de Oekraïne
6. De inzet bij Narva


1. Inleiding

Terwijl in de lente van 1943 in Vlaanderen nog volop voor het Vlaams Legioen werd geworven, maakten Reichsführer-SS Heinrich Himmler en Gottlob Berger, chef van het SS-Hauptamt en het SS-Ergänzungsamt, plannen om de vrijwilligerslegioenen tot volwaardige SS-eenheden om te vormen. Dit gebeurde niet enkel om militair-technische redenen, maar vooral om in de nationale vrijwilligerslegioenen de Groot-Germaanse idee te versterken. Van de inschakeling van de Vlamingen, samen met de andere vrijwilligerslegioenen, in een op te richten Germaans panzerkorps onder leiding van SS-generaal Felix Steiner wilde Himmler niet weten: Vlamingen en Nederlanders mochten niet in dezelfde eenheid strijden. Dat kon volgens de Reichsführer-SS enkel tot Groot-Diets separatisme leiden.
De gevechten aan het front hadden intussen het Vlaams Legioen danig uitgedund. Op 18 mei ’43 werden de manschappen van het front weggehaald en naar Debica overgebracht, daar waar het Legioen anderhalf jaar voordien was ontstaan. Enkele dagen later gaf H. Himmler het bevel dat alle Vlamingen die bij de SS-Panzergrenadierdivision ‘Das Reich’ waren ingedeeld, moesten worden overgebracht naar Debica. Het ging om verscheidene tientallen Vlamingen die dienden in een motorschuttersbataljon dat de naam ‘Langemarck’ droeg. In Debica zouden zij met de resten van het Vlaams Legioen worden samengevoegd tot een nieuwe 6. SS-Freiwilligen Sturmbrigade ‘Langemarck’. Ook Vlamingen die in andere Waffen-SS eenheden streden zouden dit lot delen: uit de divisies ‘Totenkopf’ en ‘Wiking’ kwamen stelselmatig groepen en groepjes Vlamingen in Debica aan. De nieuwe op te richten SS-Sturmbrigade ‘Langemarck’ zou als een aparte eenheid op gevaarlijke plaatsen aan het front worden ingezet.
De gedwongen overgang werd, zij het dan om diverse redenen, noch door de Vlaamse Waffen-SS’ers, noch door de Legioensoldaten te Debica bijzonder op prijs gesteld. Bij de Legioensoldaten zette voornamelijk de naamsverandering veel kwaad bloed. Ze noemden het: “Een aanfluiting der meest elementaire traditie, want de naam van een eenheid, die zich bij iedere inzet heeft onderscheiden, wordt onsterfelijk”.
Als enige groep Germaanse vrijwilligers werden  de Vlamingen niet langer onder een landsgebonden naam ingezet. De naam ‘Langemarck’ betekende voor de meeste Vlamingen niet veel. Het was de naam van de Westvlaamse gemeente Langemark, waar tijdens de Eerste Wereldoorlog op 10 en 11 november 1914 duizenden Duitse studenten en aspirant-officieren, zingend en met blanke wapens in de hand, stormliepen tegen het zich vormende IJzerfront en er sneuvelden. Sindsdien was de naam ‘Langemarck’ in de Duitse militaire traditie onafscheidelijk verbonden aan de gedachte van jeugd en heldendom. De mythe van Langemark maakte deel uit van het Duitse nationaalsocialistische propagandarepertoire, maar kwam ook voor in de schoolboekjes. Die mytische connotatie was er voor de Vlamingen uiteraard niet. De toekenning van de benaming ‘Langemarck’ aan een Vlaamse eenheid werd door een aantal andere Vlamingen dan weer geïnterpreteerd als een eerbewijs: met die naam wou men aantonen dat nooit nog Vlamingen tegen Duitsers zouden vechten.

2. Ontevredenheid aan het thuisfront tengevolge van de verdwijning van het Vlaams Legioen

Inmiddels was ook in Vlaanderen heel wat gebeurd dat zijn invloed had op de werving voor het Oostfront en op de verhoudingen met de SS. Hendrik Elias was Staf De Clercq, die op 22 oktober ’42 was overleden, opgevolgd als leider van het VNV. Sommigen hoopten dat de nieuwe voorman krachtiger zou optreden tegen de aanspraken van de Vlaamse SS en de DeVlag in de collaboratie met Duitsland. De tegenstelling tussen de Groot-Nederlandse visie van het VNV en de Groot-Duitse of Groot-Germaanse opstelling van de DeVlag (en de Algemene SS-Vlaanderen) speelde een belangrijke rol in de escalatie van de politieke strijd tussen het VNV en de DeVlag. Het feit dat de hoogste SS-leiding het besluit tot opheffing van het Vlaams Legioen had genomen zonder de VNV-leiding vooraf te raadplegen, was voor Elias de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. Wellicht heeft ook de brief die pater Callewaert aan Elias en een zeventig andere vooraanstaanden had gestuurd een gevoelig duit in het zakje gedaan. In die brief protesteerde Callewaert er tegen dat de collaboratie van het VNV te ver was gegaan, en dat de beloften inzake het Vlaams Legioen niet waren nageleefd. In mei ’43 schreef Elias aan Militärverwaltungschef Reeder:
“Vlaanderen komt meer en meer tot het bewustzijn dat het stelselmatig wordt bedrogen. Zij die gemeend hebben dat de rivaliteit tussen DeVlag en VNV vruchtbaar zou gewerkt hebben op de rekrutering hebben zich deerlijk vergist. We hebben in werkelijkheid geen Vlaams Legioen.”
Elias had op dat ogenblik ongetwijfeld begrepen dat, of het VNV nu veel of weinig leden naar het front stuurde, dit niets aan de Duitse politiek tegenover Vlaanderen veranderde. Op 14 augustus ’43 brak Elias definitief met de SS. Voortaan zou het VNV –officieel althans – niet langer actief voor de Waffen-SS werven. Dit was een opzienbare gebeurtenis, uniek in de Europese bezettingsgeschiedenis. Elias daagde de Reichsführer-SS rechtstreeks uit. Zijn bedoeling was een reactie uit te lokken die hoe dan ook de VNV-politiek uit het slop kon helpen. Zijn doel was ongetwijfeld de tweestrijd tussen het VNV en de DeVlag/Algemene SS-Vlaanderen in het voordeel van het VNV te beslechten, en een solide machtspositie te bekomen. Aangezien het VNV zijn macht putte uit de samenwerking met het Milititaire Bestuur, mocht de collaboratiepolitiek niet in het gedrang komen. De VNV-leider liet op 14 augustus ’43 ook duidelijk verstaan dat het de politieke en militaire collaboratie zou voortzetten, zij het niet onvoorwaardelijk. Het stopzetten van de rekrutering voor de Waffen-SS werd niet bijzonder kordaat nageleefd. Bovendien werd de rekrutering voor de Kriegsmarine als compensatie voor de rekruteringsstop naar voren geschoven. Deze had in augustus ’43 eveneens haar rangen voor Germaanse vrijwilligers opengesteld. Deze werving kende in Vlaanderen nauwelijks succes. Slechts een vierhonderdtal Vlamingen werden her en der verspreid op Duitse mijnenvegers en onderzeebootjagers, en hoofdzakelijk tegen westerse geallieerde strijdkrachten, onder wie dus ook België, ingezet. In feite had hij voor een nog ergere inzet dan aan het Oostfront geopteerd, vermits het nu tegen landgenoten kon gaan. Van enige strijd tegen het bolsjewisme was hierbij geen sprake meer.

Fragment: Frans Vierendeels over de beslissing van H. Elias om niet langer voor de Waffen-SS te werven.

 


3. ‘De Rebellen’

De meeste Legioensoldaten werden pas van de ontbinding van het Vlaams Legioen op de hoogte gebracht toen ze uit verlof kwamen, of uit een lazaret naar hun eenheid terugkeerden. De ontbinding van het Vlaams Legioen werd de vrijwilligers nooit officieel meegedeeld. Er was slechts sprake van een militaire reorganisatie waardoor een grote Vlaamse eenheid zou ontstaan die bovendien volledig zou worden gemotoriseerd. In augustus ’43 werden de Vlamingen overgebracht naar Milowitz, een opleidingskamp in de buurt van Praag. Daar zou de SS-Sturmbrigade ‘Langemarck’ daadwerkelijk worden opgericht en uitgerust. Ook verschenen in Milowitz de eerste 14 heuse, vers gepromoveerde, Vlaamse officieren, die de officiersopleiding aan de SS-Junkerschüle van Bad Tölz met vrucht hadden beëindigd. De getalsterkte van de SS-Sturmbrigade ‘Langemarck’ bedroeg in het opleidingskamp te Milowitz om en bij de 2000 manschappen.

Vlamingen die herstelden van hun verwondingen verbleven in Breslau. Het was vooral daar in de Erzatz-eenheid in Breslau dat de onrust en het verzet tegen de inlijving in de SS zich concentreerden. Enkele anciens van het Vlaams Legioen vormden een clandestiene organisatie en noemden zichzelf ‘Rebellen’. Ze werden de drijvende kracht achter een bredere en niet-georganiseerde groep ontevredenen van meestal VNV-gezinde vrijwilligers. Onder leiding van dezen boden Legioensoldaten verzet tegen alles wat te maken had met hun overgang naar de Waffen-SS: ze weigerden de kentekens van het Vlaams Legioen van hun uniform te verwijderen, ze protesteerden tegen de Groot-Duitse tendens in de politieke lessen en ze maakten stemming tegen de nakende SS-eedaflegging. De Waffen-SS-eed verschilde namelijk van de Legioeneed. Deze laatste luidde:
Ich schwöre bei Gott diesen heiligen Eid dass ich im Kampf gegen den Bolchewismus dem obersten Bevehlshaber der deutschen Wehrmacht, Adolf Hitler, unbedingten Gehorsam leisten und als tapferer Soldat bereit sein will jederzeit für diesen Eid mein Leben einzusetzen.
In de Waffen-SS-eed viel de bepaling ‘gegen den Bolchewismus’, toch een essentieel onderdeel van de motivatie van de meeste Oostfronters, weg, en werd Hitler als ‘Führer des Reiches’ betiteld:
Ich schwöre dir, Adolf Hitler, als Führer Treue und Tapferkeit. Ich glaube dir un den von dir bestimmten Vorgesetzen Gehorsam bis in den Tod, so war mir Gott hilfe.
De Waffen-SS-eed verbond de vrijwilligers dus, in tegenstelling tot de Legioeneed, voor elk front – dus niet alleen voor het Oostfront – en zijn trouw gold Hitler als leider van het Rijk. Dit onderscheid was voor sommige vrijwilligers principieel. De eedweigering kreeg buitendien een symbolische betekenis van verzet tegen de SS-politiek.

Op 9 november 1943 werden de aanwezige Vlamingen in Milowitz verzocht -bevolen- de SS-eed af te leggen. Op de plechtigheid weigerden een aantal vrijwilligers demonstratief de eed af te leggen. Om de omvang van het verzet te bepalen, moet aldus Bruno De Wever onderscheid worden gemaakt tussen de oude compagnieën van het Vlaams Legioen en de andere. De eedweigering gebeurde voornamelijk in de oude compagnieën. Het overgrote deel van de vrijwilligers weigerde om de arm te strekken. In de andere compagnieën was er maar sprake van een zeer sporadische weigering. De Kommandeur van de Sturmbrigade, Konrad Schellong, had de eedaflegging zo georganiseerd dat de verzamelde manschappen de arm zouden strekken terwijl de eed werd gezegd. Daarna moesten de vrijwilligers individueel bij hun Spiess (compagnie-sergeant-majoor) de eed ondertekenen. De weigering van sommige vlamingen bleef vanzelfsprekend niet zonder gevolgen.De weigeraars werden onder zware druk gezet.
Over het juiste aantal eedweigeraars bestaat betwisting. Het aantal weigeraars varieert met de overtuiging (toen en/of nu) van de informant. Het onderscheid tussen degenen die de eed niet wilden afleggen en degenen die hem effectief niet aflegden, wordt niet altijd gemaakt. Deze laatste groep slonk naarmate de pressie hoger werd. De contestanten wisten zich bovendien niet gesteund door de VNV-leiding: via een informant vernamen ze dat H. Elias oordeelde dat ze maar best de eed konden afleggen. SS-gezinde vrijwilligers deden de rebellie nadien af als het ageren van enkele onruststokers en herriezaaiers, die niets begrepen hadden van het Groot-Germaans ideaal. Uiteindelijk volhardden slechts een tiental vrijwilligers in hun weigering. De leider van de zogeheten rebellenclub, Toon Van Overstraeten, ondertekende niet. Hij had zich ziek laten melden. Over wat nadien met de weigeraars gebeurde, bestaan de meest uiteenlopende versies. Volgens de enen werden ze gewoon aan het Oostfront ingezet, volgens de anderen in reserve geplaatst, en volgens nog een andere versie zou een zevental naar een strafbataljon zijn overgeplaatst. Wel of niet gestraft, de rebellen kregen van de SS-overheid een P.U.-stempel (Politisch Unzuverlässig – Politiek Onbetrouwbaar) op hun Soldbuch, die zij gedurende de rest van hun soldatenloopbaan als een stigma zouden meedragen.

Fragment: Adolf Boterberg vertelt over de eedweigeraars: de rebellen kregen van de SS-overheid een P.U.-stempel.

 


4. De inzet in de Oekraïne: Shitomir en Jampol

Eind december ’43 werden de Vlamingen van de Waffen-SS Sturmbrigade ‘Langemarck’ opnieuw in de strijd geworpen. Daarvoor hadden de Sovjets in oktober ’43 hun derde grote winteroffensief ingezet. Om twee Duitse SS divisies, ‘Das Reich’ en de ‘Leibstandarte Adolf Hitler’ , uit een Russische omsingeling te redden, werd de ‘Langemarck’ de Tweede Kerstdag in allerijl per trein naar de streek van Shitomir overgebracht en onmiddellijk ingezet.

Fragment: een Duits journaalbericht over de gevechten bij Shitomir.

 

Fragment: Rik De Meester over de Sturmbrigade ‘Langemarck’ en de inzet bij Shitomir.

 

Fragment: Adolf Boterberg vertelt over de gevechten bij Shitomir.

 

In de streek van Shitomir waren de Vlamingen in een ware heksenketel terechtgekomen. Op 2 januari ’44 werden de Vlaamse stellingen zwaar aangevallen door Russische tanks. Zowat overal braken de Russische troepen door de Duitse en Vlaamse linies heen, en stroomden onhoudbaar naar het westen. Nergens was nog een vaste frontlijn te bespeuren, onmogelijk te weten waar vriend of vijand was. Dit leidde soms tot dramatische vergissingen. Vele Waffen-SS’ers, onder wie Vlamingen, geraakten in Russische gevangenschap of lieten het leven omdat de Duitse gevechtsvoering wel eens in gebreke bleef.

Fragment: Toni Gombert vertelt over postverlating van Duitse officieren tijdens de gevechten bij Shitomir en Jampol.

 

Fragment: Walter Symkens werd op 5 januari ’44 te Shitomir gevangengenomen.

 

Van Shitomir af trokken de Vlamingen zich met achterlating van vele doden steeds verder terug. Eind februari ’44 werd een fel uitgedunde ‘Langemarck’ in de buurt van de Russische stad Jampol ingezet. Daar hadden de Sovjettroepen tussen Tsjepetovka en Tarnopol een gat van bijna vijftig kilometer in de Duitse linies geslagen, teneinde wederom met een gigantische tangbeweging de Duitse troepen in te sluiten. Hierdoor geraakte de ‘Langemarck’ omsingeld en leverde zij de moorddadigste gevechten sinds zij aan het front stond. Op 1 maart ’44 werden de Vlamingen vanuit een Russische stelling via een luidspreker via een gevangengenomen strijdmakker opgeroepen de wapens neer te leggen, zo niet zouden ze vernietigd worden. Daags nadien zette de Russische artillerie een massale beschieting in.

Fragment: Georges Smets werd tijdens de gevechten in het voorjaar van ’44 zwaar verminkt.

 

Fragment: Georges De Moor was verpleger en vertelt over de verminkten en gewonden bij Shitomir en Jampol.

 

De ingesloten Vlamingen restte niets anders dan uit de Russische omsingeling te breken, en te trachten doorheen zeventig kilometer vijandelijk gebied de Duitse linies opnieuw te bereiken. Op 3 maart ’44 brak een gemotoriseerde Vlaamse colonne over de enige brug over de Haryn rivier, en onder een hagelregen van vijandelijk vuur doorheen de Russische linies richting Bjelgorodka. Russische T34 tanks zetten de achtervolging in en reden onophoudelijk vurend op de Vlaamse colonne in. Enkel het invallen van de duisternis redde de overlevenden, die op 10 maart ’44 uitgeput het meer zuidelijk gelegen Stara-Konstantinov bereikten. Vele tientallen doden en gewonden waren onderweg gevallen. De Vlaamse voertuigen dropen van het bloed. Aan gewonden die onderweg waren achtergelaten werd als laatste kameradendienst een pistool of een handgranaat gegeven.

Fragment: Bert Moreels over de wreedheden die krijgsgevangen te wachten stonden na gevangenname.

 

Fragment: Twee Duitsers die bij de compagnie gevoegd waren, pleegden volgens Noël Catry vlak voor gevangenname zelfmoord.

 


5. Na de inzet in de Oekraïne

Het was een totaal vernielde Sturmbrigade ‘Langemarck’ die de op 14 maart ’44 uit de strijd werd teruggetrokken en per vrachtwagen naar het westen werd afgevoerd. Slechts 400 manschappen van de 2000 man sterke Sturmbrigade overleefde de twee en een halve maand durende inzet in de Oekraïne, en kwamen op 3 mei ’44 in het oefenkamp Knovitz, ten zuiden van Praag, aan waar een felicitatietelegram van Himmler werd voorgelezen waarin hulde werd gebracht aan hun dapperheid en voorbeeldige houding. In de vlakten van Jampol en Shitomir sneuvelden of verdwenen vele honderden Vlaamse Oostfronters. Anderen stierven in Russische gevangenschap of kwamen pas na vele jaren uit de Sovjetunie terug.

Fragment: Walter Symkens vertelt hoe de jongste van de brigade in gevangenschap stierf, en werd begraven.

 

Op bevel van het SS-Führungshauptamt werd de Waffen-SS Sturmbrigade ‘Langemarck’ op 29 april 1944 op de oefenplaats Böhmen in Tsjecho-Slowakije wederopgericht. Nieuwe rekruten kwamen de fel uitgedunde rangen van de ‘Langemarck’ aanvullen. Bij de oudgedienden van de Sturmbrigade heerste echter ongenoegen en verbittering omtrent de hoge tol aan mensenlevens die de vaak uitzichtloze afweergevechten in de Oekraïne hadden geëist, en die in het soldatenjargon pompiersopdrachten werden genoemd. Ze hadden de indruk dat de Sturmbrigade in dergelijke opdrachten systematisch werd opgebruikt om Duitse eenheden te sparen. De Vlaamse onderofficier Bert Moreels, die tijdens de inzet bij Shitomir in Russische krijgsgevangenschap geraakte, heeft dit ongenoegen op bijzonder krachtige wijze verwoord.

Fragment: Dolf Boterberg citeert hoe Bert Moreels zijn ongenoegen uitte over de gang van zaken.

 

Een echte doorn in het oog van de Vlamingen was het feit dat de Waalse SS-Sturmbrigade ‘Wallonien’ van Léon Degrelle, na een gelijkaardige uitbraak uit een Russische omsingeling te Tjerkassy, op 1 april ’44 met veel vertoon door de straten van Brussel had mogen defileren, een eerbetoon dat aan de Vlamingen werd geweigerd. Niet voor niets werd de ‘Langemarck’, zoals trouwens het Vlaams Legioen tevoren, het zwarte schaap van Himmlers vrijwilligerseenheden genoemd. Daarenboven werden de Vlamingen wat de uitreiking van eretekens betrof, zeker niet bevoordeeld. Het grootste gedeelte daarvan ging naar de Duitse officieren en onderofficieren van de ‘Langemarck’. Over de houding van die Duitse officieren waren de Vlamingen soms allerminst te spreken.

Fragment: Een aantal Duitse officieren stuurden volgens Toni Gombert. vaak op allerlei manieren eten naar hun familie in Duitsland.

 

In de zomer van 1944 waren de Sovjets al erg naar het westen opgerukt. De Vlamingen namen het niet meer zo nauw met de Duitse reglementen. De drang tot inzet, het heilig vuur dat de eerste Oostfrontvrijwilligers bezielde, was na de harde frontervaringen erg bekoeld. Een aantal vrijwilligers stond al lang niet meer te springen om naar het front te trekken. Anderen deserteerden en kwamen, wanneer ze gepakt werden, voor een Duits execussiepeloton.

Fragment: Piet Vleminckx liet zich na zijn herstel van een verwonding naar Bordeaux sturen om te ontsnappen aan de ‘Scheisse’.

 

Op de verscheidene oefenplaatsen rond Knovitz in Tsjecho-Slowakije werd de SS-Sturmbrigade ‘Langemarck’ in de zomer van ’44 in een spoedtempo tot een nieuwe volwaardige gevechtseenheid opgeleid. Het snelle oprukken van de Sovjettroepen liet de Duitse legeroverheid immers weinig respijt. Tijd voor verlof in de Heimat was er nauwelijks, hetgeen door de Vlamingen niet bepaald op prijs werd gesteld.

6. De inzet bij Narva

Om de in de Oekraïne geleden zware verliezen goed te maken, werd in Vlaanderen met verdubbelde ijver voor de ‘Langemarck’ geworven. Het Duitse leger werd niet meer als onoverwinnelijk afgeschilderd, maar nu doemde de ondergang van Europa op zo het Duitse leger tegen de aanstormende zogenoemde bolsjewistische horden niet stand hield. Toch sinds de tweede helft van ’43 al kende de werving voor het Oostfront wegens de kerende oorlogskansen een gevoelige terugloop. De wervingscampagnes leverden nauwelijks nog enig resultaat op. Maar toch waren er nog die bij het naderende einde vertrokken, precies omdat de Duitsers aan het verliezen waren.

Fragment: Jan Carpentier vertelt dat hij zich in ’44 voor het Oostfront heeft gemeld, juist omdat Duitsland de oorlog aan het verliezen was.

 

Begin ’44 hadden de Sovjettroepen de Duitse omsingeling rond Leningrad doorbroken. Tijdens het daaropvolgende zomeroffensief dreigden ze de Duitse Legergroep Noord in Estland te omsingelen. Op 19 juli ’44 werd een versterkt bataljon van de pas wederopgerichte SS-Sturmbrigade ‘Langemarck’ in allerijl van de oefenplaats Knovitz naar het front nabij de stad Narva overgebracht om er samen met andere vrijwilligers de Russische vloedgolf in te dijken. Onder de zowat 500 Vlamingen  van de Kampfgruppe Rehmann, genoemd naar de naam van de bevelvoerende Duitse SS-Hauptsturmführer, waren er veel vrijwilligers die voordien geweigerd hadden de SS-eed af te leggen en daarom door de SS als P.U. waren bestempeld.

Fragment: Dolf Boterberg herinnert zich dat de Kampfgruppe Rehmann bijzonder veel P.U.’s telde.

 

Fragment: Op een bepaald ogenblik werden de Vlamingen met luidsprekers in het Vlaams opgedragen zich over te geven, herinnert Leo Tollenaere zich.

 

Ondanks de massale Russische artilleriebeschietingen en luchtbombardementen hielden de Vlamingen van de Kampfgruppe Rehmann eind juli ’44 rondom de Kinderheim hoogte aan het Narvafront in Estland verbeten stand. In bloedige lijf aan lijfgevechten wisten ze gedurende zeven dagen en zeven nachten de opeenvolgende Russische stormlopen af te weren, weliswaar ten koste van zware verliezen. Niet minder dan 113 Russische tanks werden uitgeschakeld. Dit leverde hen een vermelding in het Duitse Wehrmachtbericht op. Volgens generaal Steiner ging het er in de Vlaamse frontsector zo erg aan toe als in Verdun tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vooral het Vlaamse antitankgeschut gedroeg zich heldhaftig en bracht de Russische pantsers zware verliezen toe. Voor de 22-jarige antitankschutter en gewezen mijnwerker Remi Schrijnen leverde deze inzet alvast een Ridderkruis op. R. Schrijnen was de enige Vlaming die deze meest gegeerde Duitse onderscheiding werd verleend. Hij werd in het Wehrmachtbericht van 5 augustus ’44 persoonlijk bij naam om zijn onvoorwaardelijke inzet vermeld.

Bij het begin van de strijd, toen de Russen tot op een paar meter waren genaderd, was de Duitse bevelhebber Rehmann in paniek geraakt en had van een zeer lichte verwonding gebruik gemaakt om zich terug te trekken… en honderden manschappen in de steek te laten. Een jonge Vlaamse SS-Untersturmführer, Georg D’Haese, nam zonder aarzelen het bevel over. Op een bepaald ogenblik bleef slechts één kanon over, dat onder andere door Remi Schrijnen werd bediend. Door de hevige bombardementen van op de Oostzee en het onafgebroken trommelvuur leed de kampgroep zware verliezen. De andere geschutsbedienaars sneuvelden of raakten gewond, maar met de hulp van een paar infanteristen bleef de lichtgewonde Schrijnen de Russen bestoken. De zesde dag van de strijd was de toestand voor de overlevenden werkelijk onhoudbaar geworden. Het bevel werd gegeven de stellingen af te breken en achteruit te trekken. Schrijnen weigerde echter zijn geschut te verlaten en bleef alleen achter. Hij haalde de obussen, laadde en richtte zijn kanon en schoot er op los, nu eens naar links, dan weer naar rechts en dan weer in het midden. Schrijnen schakelde in zijn eentje vijf pantsers, één T-34 en vier Stalintanks uit. Precies toen hij de vierde Stalintank afschoot, kregen Schrijnens kanon en hijzelf een voltreffer. Schrijnen raakte ditmaal zwaar gewond -één van zijn armen zou voor altijd vervormd blijven- en viel buiten westen. Op dat moment braken de Russen aan de overkant het gevecht af. Ze dachten dat aan Duitse zijde verscheidene kanons aan het werk waren en dat ze tegen die overmacht van Duits geschut niet waren opgewassen.

Fragment: Remi Schrijnen vertelt over de gevechten bij Narva, en over hoe hij na die gevechten het Ridderkruis toegekend kreeg.

 

Volgens een getuigenis van Adolf Boterberg werd de Vlaamse SS-Untersturmführer G. D’Haese na de inzet in Narva ook voor het Ridderkruis voorgedragen. Dit ereteken werd D’Haese om zijn politieke overtuiging echter geweigerd. Wel werd hem, nog steeds volgens Oostfronter A. Boterberg, het Duits Kruis in Goud (DKiG) verleend. In een na-oorlogse verklaring opperde G. D’Haese dat dit laatste ereteken hem echter door SS-generaal Felix Steiner enkel officieus werd verleend: Steiner nam het zijn persoonlijk DKiG van zijn eigen uniform, en overhandigde het aan G. D’Haese met de vermelding dat deze laatste het wegens zijn inzet en houding had verdiend.

Slechts een kleine helft van de zowat 500 man sterke Kampfgruppe Rehmann, waartoe Remi Schrijnen behoorde, kon begin september ’44 uit de Russische omsingeling in Estland ontsnappen. De overlevenden werden naar Duitsland overgebracht, waar inmiddels uit Vlaanderen gevluchte collaborateurs de gelederen van de uitgedunde Sturmbrigade ‘Langemarck’ kwamen versterken. Naast dezen werden tevens leden van de Vlaamse Wacht, ongeveer 200 Vlamingen uit de NSKK, leden van de Kriegsmarine en Luftwaffe (bij gebrek aan uitrusting), Vlamingen die dienden in Duitse eenheden en divisies van de Waffen-SS, jonge Vlaamse arbeiders in Duitsland, en leden van de Germaanse SS-Vlaanderen naar de Lüneburger Heide overgebracht. Samengebracht in een zowat 5000 manschappen sterke Divisie ‘Langemarck’ werden de Vlaamse Oostfronters bij het einde van de oorlog in Pommeren en aan de Oder ingezet in een laatste poging om de Russen de weg naar Berlijn af te snijden.